Zevenentwintigste zondag door het jaar (C)
48. toenemen in geloof
-De liefde tot God voortdurend vernieuwen. -De Heer een
standvastig geloof vragen, dat al ons doen en laten zal beïnvloeden. -Akten van
geloof.
48.1 De
liturgie concentreert zich deze zondag op de deugd van geloof. In de eerste
lezing beklaagt de profeet Habakuk zich bij de Heer over de klaarblijkelijke
overwinning van het kwaad over het goede.1 Hij
weeklaagt over de mishandeling van het uitverkoren volk door binnenvallers die
pronken met hun schandalig gedrag. Hoe
lang moet ik nog roepen Heer, terwijl Gij maar niet luistert?... Waarom laat Gij
mij onrecht lijden en ziet Gij die ellende maar aan? Waarom moet ik leven te
midden van geweld en verdrukking en waarom rijst er twist en moet men lijden
onder tweedracht? De Heer antwoordt de profeet met een oproep tot
geduld en hoop. De dag zal komen waarop de onderdrukkers gestraft zullen
worden: Wie in zijn hart niet
deugt, kwijnt weg, de rechtvaardige echter blijft leven door zijn trouw.
Zelfs wanneer het erop lijkt, dat het kwaad heeft gezegevierd alsof God niet
bestond, moeten we eraan denken, dat God en zijn volgelingen uiteindelijk
zullen overwinnen. Leven vanuit het geloof betekent, dat men zich bewust is dat
God ons vraagt elk moment van de dag te leven als zijn kinderen. Wij moeten
geduldig zijn en onze hoop op Hem vestigen.
In de tweede lezing2 spoort de heilige Paulus
Timóteus aan om standvastig te blijven in zijn roeping, om de waarheid te
prediken zonder belemmerd te worden door menselijk opzicht. Vergeet dus niet het vuur aan te
wakkeren van Gods genade die in u is door de oplegging van mijn handen. Want
God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van
kracht, liefde en bezonnenheid.3
De heilige Thomas leert «dat de genade van God is als een vuur dat zijn
schittering verliest wanneer de as het bedekt.»3
Dit gebeurt wanneer liefde bijna verstikt is door lauwheid of menselijk
opzicht. De vastberadenheid die nodig is om het geloof te bevorderen komt voort
uit het vuur van ons innerlijk leven, dat nooit uit mag gaan. Dit mogen wij de
Heer vragen: Almachtige eeuwige
God, in uw grote goedheid geeft Gij meer dan ons toekomt, meer dan wij
verlangen. Wij vragen U, bewijs ons uw overvloeidige barmhartigheid...4, en
schenk ons wat wij niet durven vragen.5
Geef ons een sterk geloof, zodat wij onze tekorten te boven kunnen komen en een
waar getuigenis kunnen geven aan anderen: «Wat
een verschil tussen die mensen zonder geloof, die vreugdeloos zijn en onzeker
wegens hun lege bestaan, die als windvaantjes blootstaan aan de
'veranderlijkheid' van de omstandigheden -en ons leven als christenen, dat vol
vertrouwen is, blij, sterk en stabiel door de wetenschap en absolute
overtuiging van onze bovennatuurlijke bestemming!»6 Wat een bezieling kunnen wij putten uit ons geloof.
Met deze energiebron kunnen wij de obstakels van moeilijke omstandigheden of
persoonlijke zwakten overwinnen.
48.2 Er
bestaat zo iets als een dood geloof dat geen redding brengt. Het is een geloof
zonder daden.7 «Men kan het overal vinden waar
het leven gescheiden is van het geloof. Er bestaat ook een slapend geloof. Deze
lafhartige levensstijl kent men ook als 'lauwheid'. Praktisch gesproken is
lauwheid het ergste dat een christen kan overkomen. Het kan zelfs degenen
aansteken die van zichzelf denken, dat zij goede christenen zijn.»8 Wij hebben een standvastig geloof nodig, dat ons in
staat zal stellen in het apostolaat boven onze bekwaamheden uit te stijgen. Als
wij echt vanuit het geloof leven, krijgen wij een betrouwbaar inzicht in onze
eigen omstandigheden. Wij zullen ook in staat zijn zaken te beoordelen met
eerlijke bedoelingen. «Alleen in het licht van het geloof en in de overweging
van het woord van God kan iemand altijd en overal God herkennen 'in wie wij
leven en bestaan' (Hnd 17,28); alleen op grond hiervan zullen wij in alles wat
gebeurt, zijn wil kunnen zoeken, zullen wij Christus kunnen zien in alle
mensen, of zij ons nu na staan of vreemden voor ons zijn, en een juist oordeel
kunnen vellen over de werkelijke betekenis en waarde van de tijdelijke zaken op
zich en in hun verhouding tot het doel van de mens.»9
Bij een aantal gelegenheden noemde Jezus zijn apostelen kleingelovigen.10 Zij waren eens aan het varen in een hevige storm en
de Meester was zelf aan boord.11 De apostelen
waren geneigd zich veel zorgen te maken over 'de toekomst', over wat later zou
gebeuren.12 Het evangelie van de Mis van vandaag
laat ons zien, dat de apostelen zich er goed van bewust waren, dat hun geloof
verre van volmaakt was. Zij vragen de Heer: Geef ons meer geloof.13
Dat is precies wat Hij deed. En de apostelen gaven hun leven voor Christus en
zijn leer. De woorden van de Heer werden vervuld: Als ge een geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot
die moerbeiboom zeggen 'Maak uw wortels los uit de grond en plant ze in de
zee', en hij zou u gehoorzamen. Een nog groter wonder was de
verandering van de mensen met wie zij in contact kwamen.
Wij komen ook net als de apostelen vaak tot de ontdekking,
dat wij in het geloof tekortschieten wanneer wij geconfronteerd worden met
moeilijkheden of een tekort aan middelen. Wij moeten ons geloof doen toenemen.
God zal ons meer geloof geven als wij Hem erom blijven vragen. «Het ontbreekt
ons aan geloof. Op de dag waarop wij die deugd beleven -vol vertrouwen op God
en zijn Moeder- zullen wij dapper en trouw zijn. God, die de eeuwige God is,
zal wonderen door onze handen verrichten.
»Geef mij, o Jezus, dat geloof, waarnaar ik echt verlang.
Moeder, Lieve Vrouw, allerheiligste Maria, maak dat ik geloof.»14
48.3 Heer, geef ons geloof! Wat
een prachtig gebed om vele malen per dag tot de Heer te herhalen. Wij kunnen
deze deugd ook dikwijls beoefenen: wanneer wij zelf in nood of gevaar zijn,
wanneer onze zwakheden naar boven komen, wanneer wij pijn hebben, wanneer wij
moeilijkheden tegenkomen bij het apostolaat, wanneer de mensen geen gehoor
lijken te geven..., telkens als wij bidden bij het allerheiligst Sacrament.
Het is noodzakelijk dat
wij veel akten van geloof zeggen in ons gebed en tijdens de Mis. Men
zegt van de heilige Thomas van Aquino dat hij, wanneer hij de Hostie zag bij de
consecratie, hij bad: Tu rex
gloriae, Christe; tu Patris sempiternus es Filius... U bent de Koning van de
heerlijkheid; U bent de eeuwige Zoon van de Vader. De H.
Jozefmaria Escrivá had als gewoonte om op dat ogenblik van de Mis te bidden: Adauge nobis fidem, spem et caritatem
-Vermeerder ons geloof, onze hoop
en onze liefde. Wanneer hij een kniebuiging maakte bad hij: Adoro te devote, latens deitas' -Ik
aanbid U eerbiedig, verborgen God.15
Veel gelovigen hebben de gewoonte om op het ogenblik van de consecratie deze
woorden van de apostel Tomas te bidden: Mijn Heer en mijn God! Wij mogen deze
gelegenheid niet voorbij laten gaan zonder de Heer ons geloof en onze liefde te
tonen.
Zelfs als wij vervuld zijn van een hevig verlangen naar
vorming en een inniger vereniging met Christus, is het toch mogelijk dat ons
geloof zo nu en dan verzwakt. Het kan zijn dat wij in ons apostolaat toegeven
aan wat de mensen van ons zullen denken. Het geloof is een gave van God en soms
leven we daar niet meer helemaal naar. Er is geen reden om verbaasd te zijn
over onze zwakheid. God heeft er al rekening mee gehouden. Laten wij de
apostelen navolgen, zij waren zich even bewust van hun tekortkomingen als van
de eindeloze macht van de Almachtige. Laten wij op hun voorspraak en die van
Onze Lieve Vrouw vragen, dat Hij ons geloof vermeerdert, opdat wij gelovig
mogen zijn tot aan het einde van onze dagen. Laten wij bidden dat wij op deze
wijze veel anderen tot Christus mogen brengen.
Onze Moeder Maria zal altijd een enorme bron van geloof en
hoop zijn, vooral wanneer wij in uiterste nood zijn. «Wij, zondaars, weten dat
zij onze voorspreekster is, die onvermoeibaar een en andermaal haar hand naar
ons uitsteekt, telkens wanneer wij vallen en proberen weer overeind te komen;
wij die struikelend en wankelend door het leven gaan, die zo zwak zijn, dat wij
de verdrietigheden van onze menselijke natuur niet uit de weg kunnen gaan, wij
weten dat zij de troosteres der bedrukten is, de toeverlaat waar wij als een
laatste toevlucht wat vrede kunnen vinden, wat verademing, die speciale troost
die alleen een moeder kan geven en die alles weer goed maakt. Wij weten ook,
dat op die momenten waarop onze hulpeloosheid bijna tot uitputting of wanhoop
wordt, wanneer niemand meer iets kan doen en wij ons volstrekt verlaten voelen
met ons leed of onze schaamte, zodat wij geen kant meer uit kunnen, dat zij dan
nog steeds onze hoop is, ons lichtend baken; op haar kunnen wij nog steeds een
beroep doen, wanneer er niemand meer is tot wie wij ons kunnen wenden.»16
-1. Hab
1,2-3;2,4. -2. 2 Tim
1,6-7.13-14. -3. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de Tweede Brief aan de
Christenen van Korinte, 1,6. -4. Romeins missaal, Gebed. -5. Ibidem. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 73. -7. Vgl. Jak 2,17. -8 P. Rodríguez,
Fe y vida de fe, bl.
138. -9. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 4.
-10. Mt 8,26; 6,30.
-11. Vgl. Mt 8,26.
-12. Vgl. Mt 6,34.
-13. Lc 17,5. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 235. -15. Vgl. A. Vázquez de Prada, El fundador del Opus Dei, Madrid 1983, bl. 267
e.v. -16. F. Suárez, La puerta angosta, bl.
227-228.
|