Achttiende week.
Donderdag
34. U bent de Christus
-Gij
zijt de Christus, de Zoon van de levende God: belijd op deze
manier de godheid van Jezus Christus. -Christus: volmaakt God en volmaakt Mens.
-Christus: de Weg, de
Waarheid en het Leven.
34.1 Jezus was in Caesarea van Filippus, in het noordelijk grensgebied van
het Joodse land waar de bevolking overwegend heidens was. Daar vroeg Hij vol
vertrouwen aan zijn leerlingen: Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon? 1 De
apostelen, vertrouwd met de meningen die het volk over Hem had, antwoordden: Sommigen zeggen Johannes de
Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten. Velen die naar Hem luisterden hadden een hoge dunk van Hem, maar
wisten niet wie Hij werkelijk was. De Meester wendde zich tot hen en vroeg op
een vriendelijke toon: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? Van zijn eigen mensen die Hem van nabij volgden, scheen Hij een
duidelijk antwoord en vastberaden belijdenis van geloof te eisen.
Zij behoren zich niet te schikken naar een oppervlakkige,
veel verbreide mening, zo onderhevig aan verandering. Zij moeten Hem goed
kennen en Hem bekend maken, want zij hebben alles achtergelaten om met Hem een
nieuw leven te leiden.
Petrus antwoordde vastberaden: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.
Het is een duidelijke bevestiging van zijn Godheid, zoals uit het antwoord van
Jezus blijkt: Zalig zijt
gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard
maar mijn Vader die in de hemel is. Petrus moet diep getroffen
zijn geweest door de woorden van de Meester.
Zelfs vandaag zijn er verschillende en uiteenlopende meningen
over Jezus: er is een grote mate van onwetendheid betreffende zijn persoon en
zending. Niettegenstaande de prediking en apostolaat van de Kerk gedurende
twintig eeuwen, hebben vele zielen nog steeds de echte identiteit van Jezus
niet ontdekt. Hij leeft nog steeds onder ons en vraagt: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? Met
de hulp van Gods genade, die nooit ontbreekt, moeten ook wij met de
bovennatuurlijke standvastigheid van geloof vastberaden verkondigen: 'U, Heer,
bent mijn God en mijn Koning, «middelpunt van de kosmos en geschiedenis»2, middelpunt van mijn leven en doel en oorzaak van al
mijn doen en laten.
Tijdens zijn Passie, wanneer Hij op het punt staat zijn
zending op aarde te voltooien, vraagt de hogepriester Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?
Jezus antwoordt: Ja, dat
ben Ik; en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Vader
en komen met de wolken des hemels.3
Met dit antwoord bevestigt Hij niet alleen dat Hij de Messias is die zij
verwachten, maar maakt Hij ook de goddelijke verhevenheid van zijn Messiaanse
zending bekend door de voorspelling van Daniël over de Mensenzoon op zichzelf
toe te passen.4 De Heer gebruikt de sterkst
mogelijke bewoordingen die in de Bijbel te vinden zijn om zijn Godheid te
verkondigen. Het is dan en wegens deze uitleg dat zij Hem veroordelen voor
godslastering.
Alleen de helderheid van bovennatuurlijk geloof stelt ons in
staat te weten dat Jezus oneindig verheven is boven alle schepselen: Hij is de eniggeboren Zoon van God,
vóór alle tijden geboren uit de Vader. God uit God, licht uit licht, ware God
uit de ware God. Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader, en dóór
Wie alles geschapen is. Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de
hemel neergedaald. Hij heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest uit de
Maagd Maria, en is mens geworden...5
Hij was uitgegaan van de Vader6, maar blijft in
volle vereniging met Hem, want Hij heeft dezelfde goddelijke natuur. In eenheid
met de Vader zal Hij de Heilige Geest zenden7,
die zal verkondigen wat Hij heeft ontvangen, omdat al wat Hij heeft van de
Vader is.8
Hij komt als een opperste Wetgever: Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is
gezegd... Maar Ik zeg u...9 In de
oude wet luidde de uitdrukking, godsspraak van Jahwe, maar Jezus leert niet in
andermans naam: Ik zeg
u... In zijn eigen naam onthult Hij de goddelijke leer, en zet de
normen uiteen die het wezenlijke van de mens betreffen. Hij oefent de macht uit
zonden te vergeven, elke zonde.10 Zoals alle
Joden wisten behoort deze macht enkel aan God. Niet alleen vergeeft Hij persoonlijk
zonden, maar Hij geeft de macht over de sleutels, de macht te besturen en te
vergeven, aan Petrus en de twaalf apostelen en hun opvolgers.11 Hij belooft op het einde van de wereld als de enige
rechter over de levenden en de doden te oordelen.12
Niemand eerder of sindsdien heeft ooit gedurfd deze ontzagwekkende macht aan
zichzelf toe te wijzen.
Jezus eiste -eist- van zijn leerlingen een onwankelbaar
geloof in zijn persoon, dat zover gaat dat zij bereid zijn het Kruis op hun
schouders te nemen: Wie
zijn kruis niet opneemt en Mij volgt is Mij niet waardig.13 Wat Hij voor zijn hemelse Vader vraagt, dat vraagt
Hij ook voor zichzelf: Een vast geloof, een onbeperkte liefde.14
Wij die Hem van zeer dichtbij wensen te volgen, zeggen met de
heilige Petrus wanneer wij voor het tabernakel staan: Heer, Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende
God. Inderdaad, «hij die Jezus vindt, vindt een goede schat; een
goed boven alle andere goederen. Hij die Jezus verliest, verliest enorm veel,
veel meer dan de gehele wereld. Zeer arm is hij die zonder Hem leeft, en zeer
rijk hij die in Jezus is.»15 Laten wij Hem nooit
verlaten. Laten wij onze liefde bevestigen door veel akten van geloof, door de
moed ons geloof en onze liefde voor de levende Christus aan onze omgeving bekend
te maken.
34.2 Zelfs na zoveel jaren blijft Jezus voor velen, die de bovennatuurlijke
gave van het geloof missen of die in lauwheid verkeren, een wazige en
onduidelijke figuur. Zoals de apostelen op die dag tegen Jezus zeiden, zouden
ook wij Hem kunnen zeggen: 'Sommigen zeggen dat Gij een man met hoge idealen
zou zijn, terwijl anderen...' De woorden van de Doper blijven actueel: onder u staat Hij die gij niet
kent.16
Alleen de goddelijke gave van geloof maakt het ons mogelijk,
in eenheid met het Leergezag van de Kerk, te verkondigen: Wij geloven in onze Heer Jezus Christus, de Zoon van
God. Hij is het eeuwige Woord, vóór alle tijden geboren uit de Vader, één in
wezen met de Vader...17 Wij
geloven dat er in Jezus Christus twee naturen zijn: een goddelijke en de andere
menselijk, onderscheiden maar toch onscheidbaar. Hij is één Persoon, de Tweede
Persoon van de Heilige Drieëenheid, ongeschapen en eeuwig, die mens werd door
de kracht van de Heilige Geest in de zuivere schoot van Maria. Geboren in de
grootste armoede, werd Hij geprezen door de engelen in de hemel. Hij leed
honger en dorst. Hij voelde vermoeidheid en moest soms rusten, op een rots of
op de rand van een bron. Zo vermoeid was Hij, dat Hij op zee in slaap viel in
de vissersboot. Hij huilde bij het graf van zijn vriend Lazarus. Hij werd door
verdriet overmand en had doodsangst alvorens de vernederingen van zijn
kruisiging te ondergaan.
Jezus is ook volmaakt Mens. Deze allerheiligste Mensheid van
Jezus, in alles gelijk aan de onze behalve in de zonde, is onze weg naar de
Vader geworden. Hij leeft vandaag. Wat zoekt ge de levende bij de doden? 18 Hij is dezelfde vandaag als toen. «Jesus Christus heri et hodie,
ipse et in saecula (Heb 13,8). Wat denk ik hier graag aan! Jezus
Christus, dezelfde die gisteren hier was voor de apostelen en de mensen die Hem
zochten, leeft vandaag voor ons en zal door de eeuwen heen leven. Wij, mensen,
kunnen soms zijn altijd aanwezige gelaat niet ontwaren omdat we met vermoeide
of benevelde blik kijken.»19 Onze blik is
verduisterd omdat we te kort schieten in liefde.
34.3 Christelijk leven bestaat uit Christus liefhebben, navolgen en dienen.
Het hart speelt een belangrijke rol in dit leven in die mate dat als, door
lauwheid of verborgen trots, ons leven van vroomheid schade lijdt, het bijna
onmogelijk wordt om vooruit te gaan. Christus van nabij volgen betekent zijn
vriend zijn. Die vriendschappelijke, nauw verbonden eenheid brengt ons ertoe
zelfs de kleinste van zijn normen te volgen: liefde wordt in daden uitgedrukt.
Na veel pogingen, allemaal tevergeefs, Christus te vinden, deelt de heilige
Augustinus zijn ervaring met ons: «Ik zocht overal naar de kracht die ik nodig
had om in U behagen te scheppen en kon die niet vinden, totdat ik uiteindelijk
de Bemiddelaar tussen God en de mens omarmde: Jezus Christus, die boven al het
geschapene is en gezegend in alle eeuwen. Hij is het die roept en ons zegt: 'Ik
ben de Weg, de Waarheid en het Leven'.»20 Wij
moeten een mens liefhebben :Jezus Christus!
Jezus Christus is de enige Weg. Niemand kan naar de Vader gaan tenzij
door Hem.21 Alleen door Hem, met Hem en in Hem
kunnen wij onze bovennatuurlijke bestemming bereiken. De Kerk brengt dit elke
dag in de heilige mis onder onze aandacht: Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn,
Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de Heilige Geest, hier en nu
en tot in eeuwigheid. Alleen door Christus, zijn Meest Beminde
Zoon, wil de Vader onze liefde en eerbetoon aannemen.
Christus is ook de Waarheid. Hij is de absolute en totale waarheid,
ongeschapen Wijsheid, die zichzelf aan ons openbaart in zijn allerheiligste
Mensheid. Zonder Christus zou ons leven een enorme leugen zijn.
Het Oude Testament verhaalt dat, op Gods bevel, Mozes zijn
hand ophief en tweemaal de rots sloeg en dat water zo overvloedig opborrelde
dat heel het dorstig volk tot verzadiging toe dronk.22
Dat water beeldde het Leven uit dat uit Christus voortspruit en tot
eeuwigdurend leven komt.23 Hij is ons Leven
omdat Hij de genade -bovennatuurlijk leven van de ziel- voor ons verdiende;
omdat dat leven uit Hem stroomt in de sacramenten; omdat Hij zijn leven aan ons
mededeelt. Alle genade van de gehele mensheid is ons door Christus gegeven. Wij
ontvangen genade op vele wijzen, maar de bron vanwaar het komt is enig: Christus
zelf, zijn allerheiligste Mensheid verenigd met de Persoon van het Woord, de
Tweede Persoon van de Heilige Drieëenheid.
Wanneer, in de intimiteit van ons hart, de Heer vraagt: Maar gij, wie zegt gij dat Ik
ben?, moeten wij antwoorden met het geloof van Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon
van de levende God, de Weg, de Waarheid en het Leven... Zonder
Hem zou mijn leven helemaal leeg zijn en zou ik verloren zijn.
-1. Mt 16,13-23. -2.
Johannes Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 1. -3. Mc 14,61-62. -4.
Vgl. Dan
7,13-14. -5. Romeinse
Missaal, Geloofsbelijdenis van Nicea. -6. Vgl. Joh 8,42. -7. Vgl.
Joh 15,26.
-8. Vgl. Joh
16,11-15. -9. Mt
5,21-48. -10. Vgl. Mt
11,28. -11. Vgl. Mt
18,18. -12. Vgl. Mc
15,62. -13. Mt
10,38. -14. Vgl. K. Adam, Jezus Christus.
-15. Navolging van
Christus, ii,
8,2. -16. Joh
1,26. -17. Paulus vi, Het Credo van het Volk Gods,
30 juni 1968. -18. Vgl. Lc
24,5. -19. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 127. -20. H. Augustinus, Belijdenissen,
7,18. -21. Vgl. Joh
14,6. -22. Vgl. Eerste
lezing, Jaar I, Num 20,1-13. -23. Vgl. Joh 4,14; 7,38.
|