Achtentwintigste week. Donderdag
61. uitverkoren van eeuwigheid
-Een eenmalige roeping. -Hij schenkt ons het licht om verder
te gaan, en de benodigde genade om uit alle voorvallen van het leven gesterkt
te voorschijn te komen. -Volharding in de eigen roeping.
61.1 Vanuit
de eenzaamheid van zijn cel in de gevangenis schrijft de heilige Paulus een
brief aan de eerste christenen in Efeze. Hij begint met een lofzang om te
danken voor alle gaven die hij heeft ontvangen van de Heer, vooral het geschenk
van zijn roeping. Op dezelfde wijze heeft God ieder van ons uitverkoren om zijn
leerlingen te zijn, om zijn Koninkrijk op aarde te verbreiden. De apostel legt
de nadruk op de wezenlijke gelijkheid die kenmerkend is voor de universele roep
tot heiligheid: In Hem heeft Hij
ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, om heilig en vlekkeloos te
zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te
worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de
heerlijkheid van zijn genade. Hiermede heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde,
in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de zonden,
dank zij de rijkdom van zijn genade.1
Ieder van ons is van eeuwigheid geroepen om een goddelijke
taak te vervullen. God de Vader heeft ons tot leven gebracht: niemand is
toevallig geboren. Hij schiep op hetzelfde moment onze ziel. Hij voerde ons
binnen in de intimiteit van zijn leven door het sacrament van het doopsel. Door
middel van dit sacrament heeft God ons
een opdracht gegeven; Hij is het die op ons zijn zegel heeft gedrukt en ons de
Geest als onderpand gegeven.2 Hij
heeft ons een specifieke taak gegeven om in dit leven te volbrengen en heeft
een plaats voor ons bereid in de hemel.
Binnen de algemene roeping tot heiligheid heeft God ook een
speciale roeping bestemd voor ieder van zijn kinderen. Hij roept de grote
meerderheid van de gelovigen om midden in de wereld te leven om de tijdelijke
werkelijkheid te heiligen. God roept een klein aantal van zijn kinderen om zich
uit de wereld terug te trekken om een aan God gewijd leven te leiden, waarbij
zij openlijk getuigen ter ere van God. De Heer helpt ons onze roeping te
ontdekken en te begrijpen op een mysterievolle en fijngevoelige wijze. Juist
binnen de eigen roeping -als echtgenoot, alleenstaande, priester...- wijst God een persoonlijke weg tot zijn
Liefde. «In feite heeft God van eeuwigheid aan ons gedacht en ons liefgehad als
unieke individuen. Hij roept ieder van ons bij zijn naam, zoals de goede herder
zijn schapen roept bij hun naam (Joh 10,3). Maar alleen in het zich ontvouwen van onze
levensgeschiedenis en de gebeurtenissen daarin wordt het eeuwige plan van God
aan ieder van ons duidelijk. Het is daarom een geleidelijk proces, in zekere
zin een proces dat zich dagelijks voltrekt.
»Om in staat te zijn de werkelijke wil van God in zijn leven
te ontdekken, moet men zich aan het volgende houden: attent en volgzaam
luisteren naar het Woord van God en van de Kerk, vurig en voortdurend bidden,
de hulp van een wijze en liefdevolle geestelijk leidsman vragen en een gelovig
inzicht in de gaven en talenten die door God geschonken zijn evenals in de
verschillende maatschappelijke en historische gegeven omstandigheden waarin men
leeft.»3
Bij het voortschrijden van de tijd leidt God ons tot een
steeds hogere mate van heiligheid. Als wij trouw zijn, als wij zorgvuldig luisteren,
zal de Heilige Geest ons door de gewone gebeurtenissen en omstandigheden van
ons leven tot een diepere liefde tot God leiden.
61.2 Onze
roeping is een overweldigende gave. Wij moeten God onophoudelijk danken voor
deze gave. Dit is het licht dat onze weg verlicht. Zonder de kennis van wat God
voor ons wil, zouden wij overgeleverd zijn aan onze eigen wil, in feite een
heel onbetrouwbare en flakkerende kaars. Wanneer God ons onze roeping
toevertrouwt, schenkt Hij ons ook de duidelijkheid en de genade die wij nodig
zullen hebben om de goddelijke roeping op ons te nemen. «Door het kennen van
zijn roeping komt de mens tot een ondubbelzinnige kennis van zichzelf, van de
wereld en van God. Dit is het referentiepunt van waaruit ieder in staat is om
situaties uit het verleden en heden te beoordelen.»4
Het steeds beter begrijpen van wat God van ons wil is altijd een reden voor
hoop en vreugde.
Door de roeping die God ons gegeven heeft, nodigt Hij ons uit
de intimiteit van zijn leven binnen te gaan, binnen te treden in een leven van
gebed. Christus vraagt ons Hem tot middelpunt van ons bestaan te maken, Hem
midden in de drukte van de dagelijkse werkelijkheid te volgen: thuis, op
kantoor, in de wereld van de arbeid... Christus roept ons op, de anderen te zien
als kinderen van God, als zeer waardevolle schepselen voor wie God een grote
voorliefde heeft. Wij moeten anderen helpen in hun geestelijke en materiële
behoeften. Wij spreken hier over onze benadering van de mensen die op de een of
andere wijze met ons het dagelijkse leven delen, met al hun sterke en zwakke
kanten.
De wil van God kan ons in een flits duidelijk worden, zoals
dat met Paulus het geval was op de weg naar Damascus. God kan er ook de
voorkeur aan geven zijn wil aan ons duidelijk te maken bij stukjes en beetjes,
zoals dit het geval was met de heilige Jozef. «Het is geen kwestie van
eenvoudigweg weten, wat God van ieder van ons wil in de verschillende
levensomstandigheden. Iedere persoon moet doen wat God van hem vraagt, waaraan
wij herinnerd worden door de woorden van Maria, de moeder van Jezus, die zij richtte
tot de bedienden te Kana: Doet
maar wat Hij u zeggen zal (Joh 2,5). Maar het handelen in trouw
aan Gods wil vraagt om de bekwaamheid daartoe, een elke dag grotere
bekwaamheid. Wij kunnen er zeker van zijn, dat dit mogelijk is door de vrije en
verantwoordelijke medewerking van ieder van ons, met Gods genade die nooit
ontbreekt. De heilige Leo de Grote zegt: 'Degene die de waardigheid verleent
zal ook de kracht geven'. Dit is dan de prachtige maar ook veeleisende taak die
alle leken en alle christenen elk ogenblik wacht: altijd te groeien in de
kennis van de rijkdom van doopsel en geloof alsook deze vollediger te beleven.»5 Deze volledigheid wordt dagelijks werkelijkheid
wanneer wij getrouw zijn in de kleine dingen, wanneer wij ons voegen naar de
goddelijke genade, wanneer wij onze gewone verantwoordelijkheden op ons nemen.
Dit is van kracht op de dagen waarop wij de strijd niet zo moeilijk vinden en
ook bij die onvermijdelijke gelegenheden wanneer wij het niet gemakkelijk
vinden.
61.3 Elegit nos in ipso ante mundi
constitutionem... De Heer heeft ons uitverkoren vóór de
grondvesting van de wereld. En God heeft geen spijt van de keuzen die Hij
gemaakt heeft. Deze waarheid hoort de basis van onze hoop te zijn en ons te
doen vertrouwen, dat wij zullen volharden in onze roeping, ongeacht de
moeilijkheden die wij tegenkomen, of welke bekoringen wij misschien zullen
doormaken. De Heer is altijd getrouw. Hij geeft ons dagelijks de genade die
nodig is voor onze trouw. De heilige Franciscus van Sales schreef: «De Heer volgt
voortdurend de voortgang van zijn kinderen die Hij liefheeft. Hij ziet dat ze
naar Hem toekomen. Hij steekt zijn hand uit in moeilijkheden. Want dit waren de
woorden van Jesaja: Want Ik,
Jahwe, Ik ben uw God, die u vasthoudt bij uw rechterhand, die u zegt: Weest
niet bevreesd, Ik sta u bij (Js 41,13). Ten gevolge hiervan mogen
wij God en zijn hulp volkomen vertrouwen. Daar wij geen genade te kort komen,
zal Hij in ons het goede werk van ons heil voltooien, dit werk dat reeds aan de
gang is.»6
Meewerkend met dit vertrouwen op goddelijke hulp is het nodig
dat wij ons persoonlijk inzetten om gedurende ons hele leven de oproep van de
Heer waar te maken, want de gave van zichzelf aan God wordt niet bereikt in een
enkel ogenblik, of in een bepaalde periode van het leven. God blijft ons roepen
tot aan de laatste minuut... Wij kunnen het soms vervelend vinden om trouw te
blijven aan de Heer, maar dan moeten wij eraan denken dat zijn juk zoet is en
zijn last licht.7 Wij zullen dan geluk vinden in
de hernieuwde inspanning. God vraagt nooit meer van ons dan wij aankunnen. Hij
kent ons goed en houdt rekening met onze menselijke zwakheden en
tekortkomingen. Hij rekent ook op onze oprechtheid en op de nederigheid waarmee
wij opnieuw beginnen.
Wanneer wij gestruikeld zijn in moeilijke tijden, zal onze
moeder Maria onze hoop zijn, zodat wij weer verder kunnen gaan. In Maria vinden
wij de kracht die wij zo hard nodig hebben. «Bemin Onze Lieve Vrouw. Zij zal
overvloedige genade voor je verkrijgen om in de dagelijkse strijd te
zegevieren. En de duivel zal geen profijt trekken van de boze verlangens die je
verteren en steeds sterker worden, en met hun welriekend bederf de grote idealen
en de verheven geboden die Christus zelf in je hart gelegd heeft, dreigen te
verstikken. 'Serviam', Ik wil dienen.»8
-1. Eerste
lezing, even jaren,
Ef 1,4-7. -2. Vgl. 2 Kor 1,21-22. -3. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Christifideles laici,
30 december 1988, 58. -4. J.L. Illanes, Mundo y santidad, Madrid
1984, bl. 109. -5. Johannes
Paulus ii, o.c. -6. H. Franciscus
van Sales, Traité de
l'amour de Dieu, III, 4. -7. Vgl. Mt 11,30. -8.
H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 493.
|