Tweede zondag van de veertigdagentijd
12. VAN TABOR NAAR cALVARIË
-Waar het om gaat, is altijd bij Jezus te zijn. Hij helpt
ons verder. -Koester vaak de hoop op de hemel, zeker in moeilijke ogenblikken.
-De Heer verwijdert zich niet van ons. Leven voor zijn aanschijn.
12.1 Naar U gaat mijn
hart uit: U wil ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen. Verberg mij uw
aanschijn niet.1 Dat
bidden we in de introïtus van vandaag. Uit het evangelie weten we wat op de
berg Tabor gebeurd is. Kort daarvoor legde Jezus in Caesarea Philippi aan zijn
leerlingen uit, dat Hij in Jeruzalem zou moeten lijden, dat Hij zou sterven
onder de handen van de hogepriesters, de ouderlingen en de schriftgeleerden. De
apostelen waren vol droefenis en wanhoop toen zij dit hoorden. Dan neemt Jezus
Petrus, Jakobus en Johannes mee2 om te bidden.3 Het zijn de drie leerlingen die later getuigen zullen zijn
van zijn doodsstrijd in de Hof van Olijven. En terwijl Hij in gebed was,
veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit.4 Zij zagen Hem
spreken met Elias en Mozes die in heerlijkheid verschenen en spraken over de
dood die Hij in Jeruzalem zou ondergaan.5
Zes dagen lang gingen de apostelen gebukt onder het verdriet
van de aankondigingen in Caesarea Philippi. De liefderijke gevoelens van Jezus
laten hun dan zijn verheerlijking aanschouwen. De heilige Leo de Grote zegt:
«Het grootste belang van de verheerlijking lag in het uitbannen uit de zielen
van de apostelen van het drama van het Kruis.»6 De leerlingen zouden deze honingdrup
nooit vergeten die Jezus hun liet in zijn droefheid. Jaren later zou de heilige
Petrus deze ogenblikken weer in al hun duidelijkheid oproepen: Toen werd
door de verheven Majesteit dit woord tot Hem gericht: Deze is mijn welbeminde
Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb. En deze stem hebben wijzelf uit de hemel
horen klinken, toen wij met Hem waren op de heilige berg.7 De apostel kon
niet anders dan deze ogenblikken onthouden, zijn leven lang.
Jezus treedt altijd op deze manier op tegenover de zijnen.
Bij het grootste lijden geeft Hij ons de troost die we nodig hebben om door te
gaan.
De flits van Gods heerlijkheid voerde de leerlingen tot een
staat van geweldig geluk. Petrus roept in vervoering: Heer, het is hier goed
toeven, laat ons drie tenten bouwen... Petrus wil, dat alles blijft, zoals
het dan is. Maar de evangelist zou later moeten opschrijven: hij wist niet
goed wat hij zei. Het gaat er immers niet om op deze of die plaats te zijn,
maar om altijd bij Jezus te zijn, waar we ook ons maar bevinden. Het gaat erom
Hem te kunnen zien door onze eigen omstandigheden heen. Als we in zijn nabijheid
zijn, doet het er niet toe, of we de grootst mogelijke vertroosting ter wereld
ontvangen, of in een ziekenhuisbed liggen met onbeschrijflijke pijn. Waar het
om gaat, is dat we Hem zien en in zijn nabijheid leven. Daar alleen gaat het om
in dit leven en in het hiernamaals. Als we bij Jezus blijven, zijn we ook heel
dicht bij de mensen en zullen we gelukkig zijn in welke omstandigheid dan ook.
Vultum tuum, Domine, requiram - uw gelaat, Heer, wil
ik aanschouwen. Ik wil U zien en uw gelaat zoeken, Heer, gewoon, in wat er
vandaag gebeurt.
12.2 De heilige Beda
geeft een commentaar op het evangelie van vandaag en schrijft, dat de Heer «in
liefdevolle toegeeflijkheid Petrus, Jakobus en Johannes de gelegenheid bood een
moment slechts het geluk te aanschouwen dat eeuwig voortduurt om hun als het
ware kracht te geven in tijden van tegenslag.»8 Het lijdt geen twijfel dat de ervaring
van deze ogenblikken aan de zijde van de Heer op de berg Tabor de betreffende
apostelen in hun leven door veel moeilijkheden heen geholpen heeft.
Het bestaan van een mens is een tocht naar de hemel, onze
woonplaats.9 Deze
tocht is van tijd tot tijd moeizaam en afmattend, want we moeten vaak tegen de
gebruikelijke opvattingen ingaan en er zijn heel wat vijanden in en buiten ons
te verslaan. God echter zal ons sterken met het uitzicht op de hemel, juist ook
in moeilijke ogenblikken of als de zwakte van ons gestel het tot een last
maakt. «Als de bekoring zich aandient, denk dan aan Liefde die u in de hemel
beschoren is; koester de deugd van de hoop - wat geen gebrek aan edelmoedigheid
impliceert.»10 Daar
«is alles rust, vreugde en verrukking. Alles is sereen en kalm, enkel vrede,
glans en licht. Het is niet het licht dat we nu genieten, dat is in verhouding
slechts een lamp naast het schijnsel van de zon... Daar is geen nacht of
schemering, warmte noch koude, of enige verandering van bestaanswijze, daar is
een toestand, een status quo die alleen begrepen kan worden door hen die
waardig zijn er bezit van te nemen. Daar, op die plaats, is geen ouderdom,
ziekte, of wat dan ook dat bederf insluit, want het is de plaats en het thuis
van de onsterfelijke heerlijkheid.
»Maar meer dan dat, het is het niet aflatend aanwezig zijn en
bezitten van Christus, de engelen... allen zijn oneindig en eensgezind, zonder
vrees voor satan, voor de streken van de duivel, voor de verlokkingen van de
hel, voor de dood.»11 Ons
leven in de hemel zal voor altijd vrij zijn van welke vrees dan ook. We hoeven
niet bang te zijn kwijt te raken wat we bezitten en we zullen niet iets anders
willen hebben. Dan zullen we met de heilige Petrus oprecht kunnen zeggen: Meester,
het is hier goed toeven. De glimp van de heerlijkheid die de Apostel had,
zal in het eeuwig leven volledig de onze zijn. «Laten we proberen ons de hemel
voor te stellen. Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat in
geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bereid voor degenen, die Hem
liefhebben. Kunt ge u voorstellen wat het zeggen wil eenmaal daar aan te
komen en God te vinden, al dat schoons te zien, die liefde, die zich uitstort
in ons hart, die ons verzadigt zonder ooit te verzadigen? Dikwijls door de dag
vraag ik mij af: wat zal er gebeuren, wanneer heel de schoonheid, heel de
goedheid, heel de oneindige luister van God zich zal storten in dat arme stukje klei, dat ik ben, dat wij allemaal zijn? En dan versta ik pas goed de woorden van de
Apostel: geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord... Het is
echt de moeite waard, mijn kinderen, het is de moeite waard.»12 De gedachte aan
de heerlijkheid die ons wacht, zou moeten werken als een aansporing in onze
dagelijkse strijd.
Niets is zoveel waard als het verwerven van de hemel:
«Wanneer gij steeds vastbesloten bent liever te sterven dan het streven naar de eindpaal op te geven, zal de
Heer, al laat Hij u in dit leven wat
dorst lijden, u in dat leven, wat eeuwig duurt, allerovervloedigst te
drinken geven, zonder dat gij nog behoeft te vrezen, dat het u aan water zal
ontbreken.»13
12.3 Zij werden onmiddellijk door een wolk
overschaduwd.14 Dat
doet ons denken aan die andere wolk die de aanwezigheid van God in het Oude
Testament begeleidde: Toen overdekte de wolk de tent van de samenkomst en
vulde de heerlijkheid van Jahwe de woning.15 Het was het teken dat de goddelijke
tussenkomst vaststond. Jahwe sprak nu tot Mozes: Ik kom tot u in een dichte
wolk zodat het volk Mij met u hoort spreken en voor altijd in u zal geloven.16 Op de berg Tabor
nu overschaduwt de wolk Christus en de machtige stem van God klinkt eruit op: Dit
is mijn Zoon, mijn Welbeminde, luistert naar Hem.
En God de Vader spreekt door Jezus tot alle mensen van alle
tijden. Zijn stem wordt in elke tijd gehoord, meer in het bijzonder door het
onderricht van de Kerk die «zonder ophouden zoekt naar wegen om dit mysterie
van haar Heer en Meester dichter tot het menselijk geslacht te brengen, tot de
volkeren, de naties en tot iedere mens afzonderlijk.»17 Toen zij hun ogen opsloegen,
zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.18 Elias en Mozes waren er niet meer. Zij
zien alleen de Heer. Zij zien Jezus die ze kennen, die soms honger heeft, soms
moe is, die tracht begrepen te worden. Zij zien Jezus zonder bijzondere blijken
van zijn heerlijkheid. Het was voor de apostelen gewoon de Heer zo te zien: wat
buitengewoon was, was zijn gedaanteverandering.
Dit is Jezus die we in ons gewone leven moeten vinden, te
midden van ons werk, buiten op straat, in de mensen rondom ons, in ons gebed.
We moeten Hem vinden, als Hij ons in het sacrament van de biecht vergeeft. En
vooral in de heilige eucharistie waar Christus helemaal, echt, met lijf en
leden aanwezig is. Meestal vertoont Hij zich niet aan ons met buitengewone
verschijnselen. We moeten eerder leren de Heer te vinden in wat gewoon is, elke
dag, en we moeten wegvluchten van de verleiding ooit iets buitengewoons te
verlangen.
We moeten nooit vergeten dat de Jezus die met die drie
bevoorrechte mannen op de berg Tabor was, dezelfde Jezus is die dagelijks aan
onze zijde staat. «Als God je de genade verleent zijn aanwezigheid te bemerken
en verlangt dat je met Hem spreekt als met je beste vriend, leg Hem je
gevoelens voor in alle vrijheid en vertrouwen. 'Aan wie haar begeren, laat zij
zich haastig kennen.' (Wijsh 6,13) Zonder
te wachten tot jij Hem dichter nadert, komt Hij jou haastig tegemoet, als je
zijn liefde zoekt. Hij biedt zich aan jou aan en verleent je de genade en
geneesmiddelen die je nodig hebt. Hij wacht op slechts één woord van jou om te
laten zien dat Hij aan je zijde is, naar je wil luisteren, je wil troosten.
Zijn oor vangt hun hulpgeroep op. (Ps 34[33],17).
»Andere vrienden, vrienden in de wereld, beleven momenten die
ze besteden om te praten met elkaar en andere momenten waarop ze niet bij
elkaar zijn. Maar tussen God en jou hoeft er, als je maar wilt, nooit een
moment van scheiding te zijn.»19 Zou ons leven in deze vastentijd niet anders zijn, als we
deze aanwezigheid van God tot een werkelijkheid maken in de gewone dagelijkse
dingen; als we proberen meer schietgebeden te zeggen, meer oefeningen van
liefde en berouw, meer geestelijke communies? «Voor je dagelijkse
gewetensonderzoek: Heb ik een uur voorbij laten gaan zonder dat ik met God,
mijn Vader, heb gesproken?... Heb ik mij tot Hem gericht met de liefde van een
kind? -Je kunt dat best!»20
-1. Introïtus, Ps 26,8-9. -2. Vgl. Mc
9,2. -3. Lc 9,28. -4. Lc 9,28. -5. Lc 9,31. -6. H. Leo de Grote, Sermo 51, 3.
-7. 2 Pe 1,17-18. -8. H. Beda de
Eerbiedwaardige, Commentaar op het Marcusevangelie, VIII,
30,1-3. -9. Vgl. 2 Kor 5,2. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 139. -11. H. Johannes Chrysostomus, Ad Theodorum 1,11. -12. H. Jozefmaria Escrivá, geciteerd in Informatiebulletin van de Vicepostulatie van het
Opus Dei, Amsterdam,
april-juni 1978, bl. 5. -13. H. Theresia
van Avila, Weg der volmaaktheid, 20,1. -14. Vgl. Mc 9,7.
-15. Ex 40,34. -16. Ex 19,9. -17. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 7.
-18. Mt 17,8. -19. H. Alfonsus
van Liguori, Hoe gedurig en gemakkelijk met God te spreken. -20. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor,
657.
|