Eerste week. Vrijdag
10. Vasten: tijd van
boetedoening
-Zonde is iets persoonlijks. Oprechtheid om onze fouten te
erkennen. De noodzaak van boetvaardigheid. -Persoonlijke zonden raken andere
mensen. Voldoening voor de zonden van de wereld. Boetvaardigheid en de
gemeenschap der heiligen. -Boetvaardigheid in het gewone leven. Dienstbaarheid.
10.1 De uitwerking van
echte boetvaardigheid, dat is ons hart tot God wenden, kunnen we kwijtraken als
we toegeven aan de zowel vroeger als nu wijd verbreide verleiding ervan uit te
gaan dat zonde niet iets persoonlijks is. In de eerste lezing van de Mis van
vandaag waarschuwt de profeet Ezechiël de Joden van zijn dagen de belangrijke
lessen van de ballingschap niet te vergeten. Zij begonnen die te zien als een
onontkoombaar gevolg van de zonden die anderen, vroeger, bedreven hadden. De
profeet legt uit, dat straf een gevolg is van de actuele zonden van iedereen.
Door zijn woorden spreekt de Heilige Geest tot ons over onze
verantwoordelijkheid als individu. En dus ook over persoonlijke boetvaardigheid
en persoonlijke heiliging. Alleen de zondaar zelf zal sterven. De zoon hoeft
niet te boeten voor de zonden van zijn vader, en de vader niet voor de zonden
van zijn zoon. De rechtvaardigheid zal alleen de rechtvaardige worden
toegerekend, en de boosheid alleen de boosdoener.1
God wil dat de zondaar zich afkeert van de zonde en
terugkeert naar het leven2, maar in samenwerking met God door zijn berouw en werken
van boetvaardigheid. Zoals paus Johannes Paulus ii zegt, is zonde in de eigenlijke en echte zin van het woord
«altijd een persoonlijke daad. Zij is immers een vrije daad van een individu en
eigenlijk niet van een groep of van een gemeenschap.»3 De mens zijn verantwoordelijkheid
ontnemen «zou bovenal betekenen dat men de waardigheid en de vrijheid van de
persoon negeert die zich uiten in de verantwoordelijkheid de zonde te begaan
-zij het dan op negatieve en rampzalige wijze. Daarom is er in iedere mens
niets wat meer persoonlijk en minder overdraagbaar is dan de verdienste van het
goede en de verantwoordelijkheid voor de fout.»4
Daarom is het een genade van God als we niet te kort schieten
in berouw over begane zonden en als we geen poging doen onze huidige zonden te
verdoezelen, zelfs als ze toevallig alleen maar bestaan uit onvolmaaktheden,
gebrek aan liefde... Ook wij moeten kunnen zeggen: ik erken dat ik misdreven
heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen.5 Het is waar dat God die keer toen we
gebiecht hadden zei: Ga heen en zondig niet meer6, maar zonden laten hun sporen
achter in de ziel. «Als de zonde vergeven is, blijven kwade neigingen achter,
die veroorzaakt zijn door voorafgaande handelingen en die 'overblijfselen van
de zonde' worden genoemd. Ze zijn echter wel verzwakt en verminderd, zodat ze
de mens niet overheersen. Ze blijven achter meer als een neiging dan als een
gewoonte.»7
Er bestaan ook zonden en fouten die ongemerkt begaan worden
omdat we ons het gewetensonderzoek te weinig eigen gemaakt hebben of ons
geweten niet voldoende verfijnd hebben. Het is net taai onkruid, de wortels
zijn in de ziel achtergebleven en die moeten we uitrukken door boete, om te
voorkomen dat het weer opschiet en bittere vruchten voortbrengt.
Er zijn veel argumenten voor het doen van boete in de
vastentijd en we moeten zorgen speciale onopvallende manieren te vinden om die
in praktijk te brengen: versterving bij het eten; punctueel zijn; de
verbeelding de baas blijven... En, in overleg met onze geestelijk leidsman, onze
biechtvader, andere, grotere verstervingen te volbrengen die ons kunnen helpen
onze ziel te zuiveren en vergeving te vragen voor onze zonden en die van
anderen.
10.2 Zonden laten een
spoor achter in de ziel dat uitgewist moet worden met lijden en een grote
hoeveelheid liefde. Zonde is altijd een persoonlijke belediging van God, maar
raakt ook andere mensen. De mensen om ons heen, in de Kerk en in de wereld,
beïnvloeden we altijd ten goede of ten kwade. Niet alleen door ons goede of
slechte voorbeeld hebben we invloed, maar ook door de rechtstreekse gevolgen
van ons handelen: «Dit is de keerzijde van die saamhorigheid die zich op
godsdienstig niveau in het diepe en prachtige niveau van de gemeenschap der
heiligen ontwikkelt, dank zij welke gemeenschap men heeft kunnen zeggen dat
«iedere ziel die zich verheft, de wereld verheft» (Elisabeth Leseur). Aan deze
wet van het verheffen beantwoordt helaas de wet van het vallen, zodat men kan
spreken van een gemeenschap in zonde, waardoor een ziel, die zich verlaagt door
te zondigen, met zichzelf ook de Kerk en in zekere zin heel de wereld
vernedert. Met andere woorden, er is geen enkele zonde, hoe innerlijk en geheim
ook, hoe absoluut individueel ook, die uitsluitend diegene aangaat die die
zonde bedrijft. Elke zonde heeft een weerslag op geheel de Kerk en heel de
mensenfamilie, al is deze weerslag nu eens kleiner en dan weer groter, al berokkent
hij de ene keer meer schade dan de andere keer.»8
God vraagt ons een oorzaak van blijdschap en een licht voor
heel de Kerk te zijn. Het zou ons een grote hulp zijn als we ons werk en onze
andere dagelijkse bezigheden verrichtten in de wetenschap dat we met onze
boetvaardigheid andere mensen helpen, en werkelijk het hele Mystieke Lichaam
van Christus. In het bijzonder helpen we de mensen die Christus op ons
levenspad om ons heen geplaatst heeft en de mensen met wie we bijzonder
verbonden zijn. «Als je de gemeenschap van de heiligen voelt, als je ze
beleeft, zul je graag boete doen. -Je zult dan begrijpen, dat boete 'gaudium
etsi laboriosum', een vreugde is, zij het vermengd met inspanning. En je zult
je met alle boetvaardige mensen, die er geweest zijn, die nú leven en die er
nog zullen zijn 'verbonden' voelen.»9 «Je zult gemakkelijker je plicht vervullen, als je denkt
aan de hulp die je broeders je verlenen. En aan de hulp, die je hun onthoudt,
als je niet trouw bent.»10
De boetvaardigheid die God ons als christenen midden in de
wereld vraagt, moet discreet en plezierig voor anderen zijn. We moeten zorgen,
dat het onopgemerkt blijft, maar zorg er wel voor dat de boetvaardigheid in een
groot aantal specifieke daden beoefend wordt. En verder geeft het niet, als het
toch een enkele keer wordt opgemerkt. «Als ze getuigen zijn geweest van je
zwakheden en fouten, wat geeft het dan dat ze het ook zijn van je
boetedoening?»11 Als
andere mensen ons slechte humeur, of ons gebrek aan liefde, of onze luiheid, of
onze andere zonden gezien hebben, hindert het niet als ze weten en zien dat we
die zwakten proberen te verbeteren.
10.3 Een christelijk leven kan gevuld worden met
die boete die God alleen ziet. Het kan zijn het opdragen van een ziekte of van
terechte vermoeidheid; het opgeven en loslaten van de eigen mening; alle
aandacht geven aan ons werk dat we uit liefde tot God goed doen en afmaken...
De boete die God in het bijzonder aangenaam is, is die boete
die een heleboel kleine oefeningen van liefde bijeenbrengt en die de weg naar
God voor anderen gemakkelijker en plezieriger maakt.
In het evangelie van de Mis van vandaag zegt de Heer: Als
gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw
broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst
met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden.12 Onze gaven voor
God moeten van liefde vergezeld zijn. De beste boetedoeningen zijn die, welke
iets te maken hebben met liefde voor andere mensen: bij voorbeeld weten hoe we
'het spijt me' moeten zeggen, als we iemand gekwetst hebben; het offer brengen
dat verweven is met het vormen van iemand uit onze omgeving voor wie we verantwoordelijk
zijn; geduld te oefenen; de noodzaak inzien van het onmiddellijk en ruimhartig
vergeven. In dit opzicht zegt de heilige Leo de Grote: «Hoewel we ernaar moeten
streven ons lichaam altijd, en in het bijzonder in de vastentijd, te heiligen,
moet u uzelf vervolmaken door een actievere vroomheid te beoefenen. Aalmoezen
geven, dat is een goed middel om ons van onze fouten af te helpen; maar ook
vergeven als we gekwetst zijn - en ophouden u te beklagen over degenen die u
iets aangedaan hebben.»13 «Laten we altijd vergeven met een glimlach op de lippen.
Laten we duidelijk spreken, zonder wrok, als wij in geweten menen te moeten
spreken. En wij leggen alles in de hand van God onze Vader, in een goddelijke
stilte, Jezus autem tacebat, zweeg (Mt 26,63),
als het gaat om persoonlijke aanvallen, hoe lomp en onbeschaamd die ook zijn.»14
Als we naar het altaar van God gaan, is het goed erop te
letten dat we niet gebukt gaan onder zelfs maar kleine gevoelens van afgunst of
vijandigheid of rancune. We moeten juist proberen daden van begrip voor anderen,
hoffelijkheid, grootmoedigheid en dankbaarheid met ons mee te dragen. Dat is de
manier om Jezus te volgen langs zijn kruisweg die Hij uitgestippeld heeft voor
ons en waar aan het eind zijn kruisiging wacht: Vader, vergeef hun, zij
weten niet wat ze doen (Lc 23,34).
«Het is de liefde die Jezus
naar Calvarië gebracht heeft. En eenmaal aan het Kruis zijn al zijn gebaren en
al zijn woorden vol liefde, een serene en sterke liefde... En wij allen, met een
hart gebroken van smart, zeggen oprecht tot Jezus: Ik behoor U toe, en ik geef
mij aan U over, en ik nagel mij graag vast aan het Kruis, door op alle kruispunten
van de wereld een ziel te zijn, overgegeven aan uw glorie, aan de Verlossing,
aan de medeverlossing van de gehele mensheid.15
Onze Moeder, Maria, zal ons helpen in onze dagelijkse
bezigheden veel gelegenheden te vinden onszelf edelmoedig aan de mensen om ons
heen weg te schenken.
-1. Ez 18,20. -2. Vgl. Ez 18,23. -3. Johannes Paulus ii, Apost. exhort.
Reconciliatio et poenitentia, 2 december 1984, 16. -4. Ibidem.
-5. Ps 51(50),5. -6. Vgl. Joh 8,11. -7. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q86, a5,
c. -8. Johannes Paulus ii, o.c.,
16. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 548. -10. Ibidem, 549. -11. Ibidem, 197. -12. Mt
5,23-24. -13. H. Leo de Grote, Sermo
45. -14. H. Jozefmaria Escrivá,
Als Christus nu langs komt, 72. -15. Idem,
De Kruisweg, elfde statie.
|