Tweeëndertigste week. Maandag
31. Verantwoordelijk in liefde
-Kinderen en wie door hun eenvoud en vorming
als kinderen zijn. Ergernis. -Wij moeten altijd invloed uitoefenen tot welzijn
van de ander. Het goede voorbeeld geven. -Plicht tot herstel en genoegdoening
tegenover het beledigen van God.
31.1 Zelden gebruikt de Heer zulke krachtige termen als die, welke we
vandaag in het evangelie van de heilige Mis lezen. Jezus zegt: Dat er ergernissen komen is onvermijdelijk, maar
wee de mens door wiens toedoen ze komen. Het zou beter voor hem zijn als men
hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp, dan dat hij aan een van
deze kleinen aanstoot geeft. En Hij besluit met de
waarschuwing: Wacht u daarvoor.1 De plaatsing van de situatie waarin
deze woorden werden uitgesproken wordt ons door Matteüs gegeven.2 De apostelen waren onder elkaar in gesprek geweest
over de vraag wie van hen wel de eerste plaats in het Koninkrijk der hemelen
zou toekomen. En opdat hun de les goed ingeprent zou worden, nam Jezus een kind
(wellicht stonden er velen om Hem heen) en plaatste het te midden van allen;
Hij toonde hun dat zij, als zij de kinderen niet navolgden in hun eenvoud en
onschuld, het Rijk niet zouden kunnen binnengaan. Op dat moment, met een Kind
voor zich, zal Hij ernstig en in gedachten verzonken zijn geweest; Hij zal in
dat broze, maar oneindig waardevolle persoontje vele anderen beschouwd hebben,
die hun onschuld door ergernis zouden verliezen. Het lijkt erop, alsof Jezus
plotseling de vrije loop liet aan iets dat in zijn binnenste leefde en dat Hij
aan zijn leerlingen wilde mededelen. Op die manier kan men beter de
waarschuwing begrijpen, die in de eerste plaats gericht was tot hen die Hem het
meest nabij volgen: wacht u daarvoor.
Aanstoot geven betekent: ten val brengen, een
struikelblok vormen, de geestelijke ondergang zijn voor een ander, door woorden,
daden of nalatigheid.3 En de kleinen zijn voor Jezus
de kinderen, in wier onschuld op bijzondere wijze het beeld van God wordt
weerspiegeld. Maar het zijn ook die ontelbare menigten, eenvoudigen, minder
befaamden, die tegelijkertijd makkelijker kunnen struikelen over de steen die
op hun weg wordt gelegd. Weinig zonden zijn zo groot als deze, want «zij brengt
Gods grootste werk, de Verlossing, tot vernietiging door het verlies van de
zielen: zij veroorzaakt de dood van de ziel van de naaste, doordat zij haar het
genadeleven ontneemt, dat kostbaarder is dan het leven van het lichaam en de
oorzaak is van een groot aantal zonden.»4 «Hoe
waardevol moet de mens wel zijn voor de Schepper als hij zulk een grote Verlosser verdiend heeft (Hymne Exsultet uit de Paaswake), en als God
zijn Zoon heeft gegeven, opdat de mens niet
verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben (vgl. Joh 3,16)!»5 We mogen nooit uit het oog verliezen welk een onmetelijke
waarde elk schepsel heeft: een waarde die men kan afleiden uit de prijs -de
dood van Christus- die voor hem betaald is. «Iedere ziel is een heerlijke
schat. Ieder mens is uniek en onvervangbaar. Ieder is het hele bloed van
Christus waard.»6
31.2 Naar het
voorbeeld van zijn Meester vraagt de heilige Paulus de christenen zich te hoeden voor elke
ergernis aan zwakke en weinig gevormde gewetens: Zorgt ervoor, dat uw vrijheid van handelen de
zwakken geen aanstoot geeft.7 Groot is onze
invloed op anderen, en deze invloed zal altijd moeten worden aangewend
voor het heil van wie ons ziet of hoort, in iedere situatie waarin we ons bevinden.
De Heer verkondigde zijn leer, ook wanneer
enkele Farizeeën daaraan aanstoot namen.8 Het
ging toen, net zoals trouwens tegenwoordig zo vaak gebeurt, om een valse
ergernis, die bestaat in het zoeken van louter menselijke tegenspraak of
criteria om de waarheid niet te aanvaarden: soms vinden we iemand die «aanstoot
eraan neemt» dat een echtpaar edelmoedig is geweest in het aantal kinderen en
vreugdevol hen aanneemt die God hun heeft geschonken, en omdat zij de eisen van
de christelijke roeping volledig volgen... Niet zelden zal het gedrag van de
christen die integraal de leer van de Heer wil beleven, botsen met een heidense
en frivole omgeving en velen «aanstoot geven». Herinnerend aan de woorden van Jesaja
verzekert de heilige Petrus, dat Jezus voor velen een steen is waaraan zij zich stoten, een rots waarover zij struikelen9,zoals de oude
Simeon reeds aan de allerheiligste Maagd had voorspeld.10
We hoeven ons er niet over te verbazen, als in ons leven zo nu en dan iets
soortgelijks geschiedt. Toch moeten wij uit liefde dergelijke aanleidingen
vermijden, omdat zij, hoewel op zichzelf goed noch slecht, toch verbazing en
zelfs ware ergernis bij anderen teweeg kunnen brengen. De Heer gaf ons een
voorbeeld, toen Hij Petrus gelastte de tempelbelasting te betalen, hoewel Hij
daartoe niet verplicht was11, om de inners niet
in verlegenheid te brengen want zij wisten dat Jezus in alles een voorbeeldig
Israëliet was. Wij zullen genoeg kansen krijgen om de Meester na te volgen. «Ik
twijfel niet aan je eerlijkheid. -Ik weet dat je handelt in tegenwoordigheid
van God. Maar, er is een «maar»: jouw daden worden gezien of kunnen worden
gezien door mensen die menselijk oordelen... En het is nodig hun een goed voorbeeld
te geven.»12
Bijzonder ernstig is de aanstoot die gegeven
wordt door mensen die een of andere vorm van gezag of faam genieten: ouders,
opvoeders, bestuurders, schrijvers, kunstenaars... en die belast zijn met de
vorming van anderen. De heilige Johannes van Avila verklaart: «Als eenvoudige
mensen lauw leven, is dat een kwalijk feit; maar hun kwaal kan genezen worden
en zij brengen alleen zichzelf schade toe; maar als de leraren lauw zijn, dan
gaat het wee, deze wereld van Jezus in vervulling, vanwege het grote kwaad dat door die lauwheid
over hen komt; en dat wee dat de lauwe leraren bedreigt, die hun lauwheid op anderen overbrengen
en zelfs hun geestdrift doven.»13 De woorden van
de Heer herinneren ons eraan, dat wij bedacht moeten zijn op de gevolgen van
onze woorden: «Ken je de gevaren die je kunt aanrichten, als je geblinddoekt
een steen weggooit? Evenmin ken je soms de zware schade die je kunt aanrichten,
als je onschuldig schijnende, kleinerende opmerkingen rondstrooit, omdat je
door lichtzinnigheid of hartstocht verblind bent.»14
We moeten altijd letten op ons handelen, opdat dat onbewust of uit frivoliteit
nooit iemand kwaad berokkent.
Wie gelegenheid tot aanstoot geeft, heeft de
plicht, uit liefde en soms ook uit rechtvaardigheid, om de geestelijke en ook de
materiële schade die hij heeft veroorzaakt te herstellen. Openbare ergernis
vereist openbaar herstel. En als een gepast herstel onmogelijk is, blijft de
verplichting bestaan -en die is altijd mogelijk!- tot compensatie middels gebed
en boetedoening. De liefde, aangezet door berouw, vindt altijd het geschikte
middel tot herstel van aangerichte schade.
Deze passage uit het evangelie kan ons helpen
tot de Heer te zeggen: Vergiffenis, Heer, als ik op enigerlei wijze, zelfs onbewust,
voor iemand aanleiding tot struikelen ben geweest! Ook voor de verborgen zonden
kunnen we vergeving vragen in de biecht; en opdat de woorden van de Heer, wacht u daarvoor, ons
helpen waakzaam en voorzichtig te zijn.
31.3 Degenen die met ons omgaan zouden van
ons hetzelfde moeten kunnen zeggen als wat Jezus' tijdgenoten van Hem zeiden: Hij ging weldoende rond...15 Ons leven moet vervuld zijn van werken van liefde
en barmhartigheid, die soms zo gering zijn dat ze weinig stof zullen doen
opwaaien: glimlachen, bemoedigen, vreugdevol die kleine diensten bewijzen die
het samenleven met anderen meebrengen, de vergissingen van de naasten
verontschuldigen, want we zullen daar bijna altijd een goed excuus voor vinden...
Dat is een teken voor de wereld, want door de liefde zal men ons als leerlingen
van Christus herkennen.16 Het is tevens een
verwijzingspunt voor onszelf, want als we onze houding tegenover de anderen
onderzoeken, kunnen we aanstonds vaststellen tot in welke graad wij met God
verenigd zijn.
Verbreken en vernietigen is karakteristiek voor
ergernis; liefde daarentegen verbindt, verenigt en geneest, en zij zelf vergemakkelijkt de weg die naar de Heer
voert. Het goede voorbeeld zal steeds een daadkrachtige manier zijn om
het kwaad te weerstaan dat velen, wellicht onbewust, in het leven zaaien. Zij
bereidt tegelijkertijd het terrein voor een vruchtbaar apostolaat. «Laten we
nooit uit het oog verliezen, dat de Heer zijn daadkracht heeft beloofd aan
vriendelijke gezichten, aan minzame en hartelijke omgangsvormen, aan het
duidelijke en overtuigende woord dat zonder te kwetsen leiding en vorming
biedt: beati mites quoniam ipsi possidebunt
terram, zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het
land bezitten. We mogen nooit vergeten, dat wij mensen zijn die met andere mensen van doen hebben, zelfs wanneer we de zielen
goed willen doen. Wij zijn geen engelen. En daarom zijn ons voorkomen,
onze glimlach, onze omgangsvormen de elementen die de daadkracht van ons
apostolaat bepalen.»17
Als de ergernis de zielen van God dreigt te
scheiden, zal de meest fijnzinnige liefde ons ertoe aanzetten hen tot Hem te
brengen, ervoor te zorgen, dat velen de poort van de hemel vinden. De heilige
Teresia zei dat «God meer waardering heeft voor een ziel die wij door onze
ijver en ons gebed, door middel van zijn erbarming, weten te winnen dan voor
alle diensten die wij Hem kunnen bewijzen.»18
Laten we nooit onverschillig blijven tegenover het kwaad. Tegenover deze morele
ziekte moeten onze verlangens naar herstel en genoegdoening voor de Heer
toenemen en dienen wij onze apostolaatsijver opnieuw te bevestigen. Hoe groter
het kwaad, des te groter moeten onze verlangens zijn om het goede te zaaien.
Laten we ook altijd tot de Heer bidden voor degenen die de oorzaak ervan zijn,
dat anderen zich van het goede afkeren en voor de zielen die schade kunnen
oplopen van die woorden, van dat artikel, van dat televisieprogramma... De Heer
zal ons gebed horen en de heilige Maria zal bijzondere genade voor ons verkrijgen.
Wanneer wij aan het einde van het leven voor Hem komen te staan, zullen die
daden van herstel en genoegdoening een groot deel uitmaken van de schat die wij hier op aarde verdiend hebben.
-1. Lc 17,1-3. -2. Vgl. Mt 18,1-6. -3, H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q43, a1. -4. Katechismus van de H.
Pius X, 418. -5. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 4 maart 1979, 10. -6. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 80. -7. 1 Kor 8,9. -8. Vgl. Mt 15,12-14. -9. Vgl. 1 Pe 2,8. -10. Vgl. Lc 2,34. -11. Vgl. Mt 17,21. -12. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 275. -13. H. Johannes van Avila, Sermón 55, para la Infraoctava del Corpus. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 455. -15. Hnd 10,38. -16. Vgl. Joh 13,35. -17. S. Canals, Ascética meditada, bl.
76. -18. H. Teresia van Avila, Stichtingen, 1,7.
|