Vijfentwintigste week. Donderdag
34. verlangen de Heer te zien
-Het zuiveren van onze blik om Jezus te aanschouwen te
midden van onze dagelijkse bezigheden. -De allerheiligste mensheid van onze
Heer, bron van liefde en sterkte. -Jezus wacht op ons in het tabernakel.
34.1 De
heilige Lucas verhaalt in het evangelie van de Mis van vandaag dat koning Herodes
Antipas de Heer wilde zien. Hij
wilde Hem daarom te zien krijgen.1
Er was zoveel nieuws dat de viervorst bereikt had, dat het zijn grillige
nieuwsgierigheid had opgewekt.
Overal vinden wij in de evangeliën veel mensen die Jezus
wilden zien. De Wijzen bijvoorbeeld maakten hiertoe een lange reis. Zij gingen
Jeruzalem binnen en vroegen de mensen: Waar is de pasgeboren koning der Joden?2 De Wijzen spraken hun bedoelingen heel open uit: Want wij hebben zijn ster in het oosten
gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen. Eindelijk
vonden de Wijzen Jezus in de armen van Maria, zijn moeder. Jaren later verhaalt
de heilige Johannes hoe zekere Grieken vroegen om Hem te zien. Zij benaderden
Filippus met hun verzoek en zeiden: Heer, wij zouden Jezus graag spreken.3 Maria ging bij een andere gelegenheid in gezelschap
van enige verwanten van Nazareth naar Kafarnaüm in de hoop haar Zoon te zien.
Er waren zoveel mensen in het huis, dat men Hem liet weten: Uw moeder en uw broeders staan buiten en
willen U spreken.4 Wij kunnen ons
voorstellen hoe graag Maria bij haar Zoon wilde zijn.
Ook wij delen dat verlangen om Jezus te zien, Hem te
aanschouwen, Hem persoonlijk te kennen. Dit is inderdaad ons sterkste verlangen
en onze sterkste hoop. Men kan niets vergelijken met de vreugde die het geeft
in zijn gezelschap te zijn. Op Goede Vrijdag liet Herodes Antipas Jezus vlak
voor zich staan, maar hij wist zijn geluk niet naar waarde te schatten. Slechts
enige maanden eerder had Herodes geluisterd naar de woorden van zijn gevangene,
Johannes de Doper. De voorloper van Jezus sprak over niets anders dan over de
komst van de Messias. Zoals wij allen weten, besteedde Herodes geen aandacht
aan de Doper, maar liet hem in een opwelling terechtstellen. Herodes gaf blijk
van dezelfde blinde halsstarrigheid, als Jezus bij de Farizeeën had
aangetroffen: Zo wordt in hen de
profetie van Jesaja vervuld die aldus luidt: met uw oren zult gij luisteren en
toch niet verstaan, met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. Want verhard
is het hart van dit volk, met hun oren luisteren ze slecht en hun ogen doen zij
dicht.5
Het waren de apostelen die het onmetelijke geluk hadden om
bijna drie jaar in het gezelschap van de Messias te zijn. Gelukkig úw ogen, omdat zij zien, en úw oren, omdat zij
horen!6 Eeuwen tevoren aanschouwde
Mozes het brandende braambos als symbool van de levende God.7 Na zijn worsteling met die geheimzinnige man in de
woestijn, verklaarde Jakob: want
ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht.8 En ook Gideon zou later iets dergelijks zeggen: ik heb oog in oog gestaan met de engel
van Jahwe.9 Maar deze
verschijningen waren vaag en onnauwkeurig vergeleken met de ervaring God als
persoon te zien. Want voorwaar, Ik
zeg u: vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien wat gij ziet,
maar zij hebben het niet gezien; en te horen, wat gij hoort, maar zij hebben
het niet gehoord.10 De Heer
begunstigde de eerste martelaar, de heilige Stefanus, met deze aanschouwing: ik zie de hemel open en de Mensenzoon
staande aan Gods rechterhand.11
Jezus is aanwezig in ons dagelijkse leven, maar wij moeten
onze blik zuiveren om Hem te kunnen aanschouwen. Ons leven moet altijd gericht
zijn op dit hoogste doel. Laten wij dagelijks vele malen met de woorden van de
psalmist tot Hem zeggen: Vultum
tuum Domine requiram...uw aanschijn Heer, wil ik zoeken...12
34.2 Wie zoekt, vindt.13 De heilige Maagd en Jozef zochten Jezus drie dagen
lang, en vonden Hem tenslotte.14 Ook Zacheüs
wilde de Heer zien. Omdat deze man oprecht de moeite nam, voorzag de Heer zijn
verzoek en ging zijn huis binnen.15 De menigte
trok rond op zoek naar de Heer en zij hadden het geluk om in zijn gezelschap te
zijn.16 Niemand die Jezus met een oprecht hart
zocht werd misleid of gefrustreerd in zijn of haar zoeken. Tijdens het lijden
van de Heer wilde Herodes Antipas de Heer zien om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen.
Dit verklaart waarom hij Jezus niet werkelijk vond. Herodes toonde zich zeer verheugd toen hij Jezus te zien
kreeg. De verhalen over Hem hadden hem sinds geruime tijd daarnaar doen
verlangen en hij hoopte Hem nu een of ander wonder te zien verrichten. Hij
stelde Hem allerlei vragen, maar Jezus gaf in het geheel geen antwoord.17 Liefde heeft niets te zeggen tot een persoon die
geheel in beslag genomen is door lichtzinnigheid en corruptie. Jezus is klaar
om ons te ontmoeten als wij klaar zijn om zijn grenzeloze liefde te
beantwoorden.
Wij zien Jezus aanwezig in onze tabernakels. Hij is ons nabij
in het boetesacrament. Hij is aanwezig bij ons pogen om los te raken van de
dingen van deze wereld, zelfs van de dingen die in zichzelf geoorloofd zijn.
Wij moeten opletten, dat de middelen ons niet van het doel afleiden. De heilige
Augustinus leert ons: «Liefde voor de schaduwen eindigt met het zwakker worden
van de ogen van de ziel. De ogen zijn niet meer in staat Gods gelaat te zien.
Daardoor komt het dat men, hoe meer men toegeeft aan zijn zwakheid, meer en
meer afglijdt in de duisternis.»18
Vultum tuum, Domine, requiram... Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken... Het
overdenken van de allerheiligste mensheid van de Heer is een onuitputtelijke
bron van liefde en kracht te midden van de moeilijkheden van het leven. Telkens
weer moeten wij onze kennis opfrissen met deze taferelen uit het evangelie. Wij
moeten zonder haast nadenken over deze Jezus van Betanië, van Jeruzalem, van
Kafarnaüm bij wie iedereen welkom was... Misschien is Hij op dit ogenblik maar op
een paar meter bij ons vandaan in het tabernakel.
Beelden of afbeeldingen van Christus kunnen ons helpen een
levendige herinnering te hebben aan zijn aanwezigheid. De heiligen hebben dat
altijd zo ondervonden. De heilige Teresia
van Avila schrijft: «Het gebeurde op zekere dag, toen ik de gebedsruimte
binnenging, dat ik een beeld zag dat men daar had neergezet... Het stelde
Christus voor die heel erg gewond was; het was zo stichtend, dat het zien ervan
alleen al mij onmiddellijk ontroerde: zo duidelijk maakte het mij hoezeer Hij
voor ons geleden had. Zo scherp voelde ik het kwaad dat ik gedaan had, terugkeren, het kwaad waardoor ik deze wonden
veroorzaakt had, dat ik dacht dat mijn hart zou breken. Ik ging op de
grond ernaast liggen, mijn tranen stroomden overvloedig, en ik smeekte Hem mij
eens en vooral sterk te maken, zodat ik Hem nooit meer zou kwetsen.»19 Deze liefde, die in zekere zin nodig is om de zintuigen
om te vormen, is een enorme weldaad voor de ziel. Wat is natuurlijker dan zich
een beeld te vormen van een dierbare. De heilige Teresia zelf riep uit: «Beklagenswaardig
zijn zij, die door eigen schuld, deze zegen verloren hebben; het is
overduidelijk dat zij de Heer niet liefhebben, want als zij van Hem zouden houden,
zouden zij blij zijn, zijn afbeelding te zien, precies zoals mensen het fijn
vinden wanneer zij het portret zien van iemand van wie zij houden.»20
34.3 Jesu, quem velatum nunc aspicio...21 Jezus,
die ik nu in het verborgene aanschouw, / ik smeek U, moge toch gebeuren waarnaar
ik zo hevig verlang: / dat ik, U ziende met onthuld gelaat, gelukkig mag zijn
vanwege uw heerlijkheid, bidden en zingen wij in het Adoro te devote.
Eens zullen wij, met de hulp van Gods genade, Christus zien
in al zijn glorie en majesteit. Hij zal ons in zijn Koninkrijk ontvangen. Wij
zullen Hem herkennen als de Vriend die ons nooit heeft teleurgesteld. Hij is
het met Wie wij moeten omgaan en Die wij tot in het kleinste moeten dienen. Met
beide benen op de grond midden in de wereld, doende met de wereldse bezigheden,
waarvan ieder zijn deel voor zijn rekening moet nemen, de wereld beminnend als
de plaats waar wij heilig moeten worden, kunnen wij met de heilige Augustinus
zeggen: «Ik heb dit geweldige verlangen om het aanschijn van God te zien. Ik
voel dit als een dorst tijdens mijn tocht. Maar mijn dorst zal gelest worden
wanneer ik eindelijk aankom.»22 Ons hart zal
eerst in volheid kloppen in het huis van God.
Gelukkig hebben wij Jezus nu al bij ons in het tabernakel. Na
de woorden van de priester bij de consecratie is de Heer volledig aanwezig in
de eucharistie: met zijn Lichaam, Geest en Godheid. Zijn heilige Mensheid is
verborgen onder de eucharistische gedaanten van brood en wijn. Zijn Lichaam en
Bloed, in verheerlijkte staat, zijn bijzonder toegankelijk voor ons onder de
gedaanten van brood en wijn, het meest gewone voedsel. Wij maken het meest
gebruik van deze toegankelijkheid op het ogenblik van de communie, maar ook
wanneer wij een bezoek brengen aan het Allerheiligste. Laten wij met groot
verlangen Jezus gaan zien, het voorbeeld volgend van Zacheüs, de blinden, de
melaatsen en al die menigten die hun vertrouwen op Hem stelden. Beter nog, wij
moeten Jezus zoeken met dezelfde vurige ijver als Maria en Jozef hadden in
Jeruzalem, toen zij Hem overal zochten. Er zullen tijden zijn waarin onze nood
of ons gebrek aan geloof het moeilijk zullen maken het beminnelijke gelaat van
Jezus te onderscheiden. Juist dan moeten wij Onze Lieve Vrouw om een zuiver
hart, om een helder inzicht vragen. Laten wij lering trekken uit het gedrag van
de apostelen in de dagen die volgden op de verrijzenis. Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen
Hem vragen: 'Wie zijt Gij?'23 Wat
moet het voor hun een vreugde geweest zijn te ontdekken dat Jezus leeft, hun
Jezus van Nazareth, na de tragiek van het kruis! Het is even wonderbaarlijk te
ontdekken dat Jezus leeft in het tabernakel waar Hij verlangend op ons wacht.
-1. Lc
9,7-9. -2. Mt 2,2.
-3. Joh 12,21. -4. Lc 8,20. -5. Mt 13,14-15. -6. Mt 13,16. -7. Vgl. Ez 3,2. -8. Gn 32,31. -9. Re 6,22. -10. Mt 13,17. -11. Hnd 7,56. -12. Ps 27,8. -13. Mt 7,8. -14. Vgl. Lc 2,48. -15. Lc 19,1 e.v. -16. Vgl. Lc 6,9 e.v. -17. Lc 23,8-9. -18. H. Augustinus, De libero arbitrio, I, 16,43. -19. H. Teresia van Ávila, Leven, 9,1. -20. Ibidem, 9,7. -21. Hymne Adoro te devote. -22. H. Augustinus, Commentaren op de psalmen, 41,5. -23. Joh 21,12.
|