Vierde week. Maandag
23. VERLANGEN NAAR HEILIGHEID
-De heiligheid nastreven: de eerste noodzakelijke stap om de
weg tot aan het eind te kunnen afleggen. -Verburgerlijking en lauwheid stompen
het verlangen naar heiligheid af. -Rekening houden met de genade van God en met
de tijd.
23.1 Zoals een hert smacht naar de stromende wateren,
zo smacht mijn hart naar U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende
God: wanneer mag ik opgaan en zijn aanschijn aanschouwen? 1 Dit bidden we in
de Mis van vandaag. Het hert, dat zijn dorst probeert te lessen aan het
stromende water, is het beeld waarvan de psalmist zich bedient om het verlangen
naar God te beschrijven, dat in het hart van een rechtschapen mens genesteld
is: dorsten naar God, snakken naar God. Dat doet de mens die iets anders dan de
successen van deze wereld zoekt om zijn menselijke verwachtingen te bevredigen.
Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten
koste gaat van zijn eigen leven? 2 Die vraag van Christus vergroot op radicale wijze
de horizon van ons leven. Een leven met God als uiteindelijk doel: Mijn hart
smacht naar U, o God! De heiligen waren mannen en vrouwen, die tijdens hun
leven -ondanks hun gebreken- een groot verlangen naar God hadden. Ieder van ons
zou zich kunnen afvragen: Voel ik echt behoefte aan heiligheid? Sterker nog: is
dit mijn enig verlangen? Ons antwoord zou bijna zeker 'ja' zijn. Laten we er
dan echter voor zorgen dat het niet als een vaag ideaal blijft, los van ons
dagelijkse doen en laten, want 'heiligheid' zou verstaan kunnen worden als «een
onbereikbaar ideaal, een gemeenplaats van de ascetiek en geen concreet doel,
geen levende werkelijkheid.»3 Wij willen deze werkelijkheid vorm geven met de genade van
de Heer.
Zo smacht mijn hart naar U, o God. Begin nu in je ziel
het verlangen te koesteren heilig te worden, door tot de Heer te zeggen: 'ik
wil heilig zijn'. Of zeg, als je je een keer slap en zwak voelt, tenminste: 'ik
wil het verlangen hebben heilig te worden'. Om de twijfel te laten verdwijnen,
om heiligheid geen loze kreet te laten zijn, richten we onze blik op Christus,
«de goddelijke leraar en het toonbeeld van alle volmaaktheid. Hij heeft aan al
zijn leerlingen zonder uitzondering, van iedere staat of stand, de heiligheid
voorgehouden van het leven waarvan Hij de Schepper en de voleinding is: Weest
dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is (Mt 5,48).»4
Hij is de Schepper. Als dat niet zo geweest was, zou deze
mogelijkheid om naar de heiligheid te streven ons nooit gegeven zijn. Jezus
heeft die mogelijkheid echter als een bevel uitgesproken: weest volmaakt!
Daarom ook is het niet vreemd, dat de Kerk deze woorden met alle nadruk tot
haar kinderen richt: «alle gelovigen dus zijn geroepen en gehouden tot het
nastreven van de heiligheid en van de volmaaktheid in hun eigen levensstaat.»5
Daar vloeit uit voort, dat ons verlangen naar heiligheid
duidelijk moet zijn. In de Heilige Schrift wordt de profeet Daniël genoemd: vir
desideriorum, een man van verlangen.6 Was het maar zo, dat elke mens die
welsprekende titel verdiende! Om blijvend te verlangen heilig te worden, moeten
we een gedurfde stap zetten. We moeten vastbesloten zijn de weg naar de
heiligheid in te slaan en daarin te volharden: «... ook al zou die me vermoeien,
onbegaanbaar zijn, ook al zou die mijn krachten verbruiken, mijn einde hier
zijn... »7
«Laat je ziel door verlangens worden verteerd... Door het
verlangen om lief te hebben, het verlangen om jezelf te vergeten, het verlangen
naar heiligheid, naar de hemel... Laat je niet weerhouden door de vraag of je ze
ooit werkelijkheid zult zien worden - zoals je door een zogenaamd 'verstandig'
raadsman misschien zal worden voorgehouden: verlang steeds vuriger, want de
Heilige Geest zegt dat Hij behagen schept in mensen met verlangens.
»Het moeten doelgerichte verlangens zijn, die je in praktijk
brengt bij het verrichten van je dagelijkse taak.»8 Daartoe is vereist, dat we onderzoeken
of ons verlangen naar heiligheid oprecht en werkzaam is; sterker nog, of we het
-in de geest van die woorden van het Tweede Vaticaanse Concilie- als een plicht
beschouwen te doen wat aan Gods verlangens beantwoordt. Bij dat onderzoek
zullen we misschien op zwakheid of lusteloosheid in de innerlijke strijd
stuiten. «Je zegt me: ja, ik wil. Goed, maar wil je zoals een vrek zijn geld
wil, zoals een moeder haar kind liefheeft, zoals een eerzuchtige naar eer
verlangt, zoals een ongelukkige wellusteling naar zijn bevrediging verlangt?
Nee? -Dan wil je niet echt.»9
Het beste voedsel voor onze verlangens is de deugd van hoop.
Alleen hij die hoop heeft iets te bereiken, kan het nastreven. Als je denkt dat
iets onmogelijk is en jouw kracht te boven gaat, zul je het ook niet echt
verlangen: maar de bovennatuurlijke hoop heeft
haar fundament in God.
23.2 De bekering van de honderdman Cornelius,
waarnaar in de eerste lezing uit de Mis wordt verwezen, laat zien dat God
niemand uitsluit. De heilige Petrus doet aan de anderen verslag van wat er
gebeurd is: de Heilige Geest kwam op hen neer, zoals in het begin ook op ons.10
De kracht van de Heilige Geest kent geen hindernissen of
grenzen. In ons leven net zomin als in dat van Cornelius, die niet tot het
Joodse volk behoorde. Enerzijds moeten we verlangen heilig te worden,
anderzijds moeten we weten dat, als de Heer het huis niet wil bouwen,
zwoegen de bouwers daaraan vergeefs.11 Nederigheid zal ons er eens en voor al
toe brengen te rekenen op de genade van God. Daarbij zal onze inspanning zich
voegen deugden te verwerven en voortdurend te beoefenen. Voeg daarbij dan nog
onze apostolische ijver, want het is niet mogelijk aan persoonlijke heiligheid
te denken waarin anderen geen plaats hebben, waarin naastenliefde geen rol
speelt, want dat is een contradictio in terminis. En ten slotte is daar ook ons
verlangen met Christus aan het kruis te zijn, dat wil zeggen, boetvaardig te
zijn; als het gevraagd wordt, het offer noch in het kleine, noch in het grote
uit de weg te gaan.
Wees gewaarschuwd niet met
God te loven en te bieden, Hem niet te naderen zonder alles achter te
laten, niet te trachten de liefde tot God te verruilen voor wat Hem niet
behaagt. Wees erop bedacht je verlangens naar heiligheid voortdurend te voeden
in het gebed door God te vragen, dat we alle dagen zullen weten te strijden,
dat we in het gewetensonderzoek de punten weten te ontdekken waar onze liefde
is uitgeblust. Onze verlangens naar heiligheid kunnen vorm krijgen in het
fijngevoelig volbrengen van onze oefeningen van godsvrucht zonder deze
achterwege te laten of om een of andere reden uit te stellen, zonder rekening
te houden met onze gemoedsgesteldheden of sentimenten, «want een ziel die God
waarlijk liefheeft, wordt niet moe al het mogelijke te doen om Gods Zoon, haar
Beminde, te ontmoeten. Zelfs als zij alles gedaan heeft, is zij niet tevreden
en denkt zij nog dat zij niets gedaan heeft.»12
Nederigheid is de deugd die ons ertoe brengt ons niet zonder reden tevreden te voelen om wat we gedaan
hebben, en niet te blijven steken in fantasieën. Nederigheid zal ons
altijd laten zien wat we nog meer kunnen doen om onze verlangens om te zetten
in daden van liefde en zo te verhinderen dat de realiteit van onze zonden,
beledigingen en nalatigheden onze verwachtingen de grond in boort. Nederigheid
kortwiekt onze verlangens niet, integendeel: zij doet ons inzien dat wij onze toevlucht moeten nemen tot God om onze
verlangens waar te maken. Met de goddelijke genade zullen we al het mogelijke
doen om in deugden te groeien, door hindernissen te slechten, gelegenheden tot
zonde te vermijden en bekoringen moedig te weerstaan.
23.3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende
God. Is die dorst verenigbaar met de ervaring van onze gebreken en
zondigheid? Ja: heiligen zijn -afgezien van Maria- geen mensen die nooit
gezondigd hebben, maar mensen die steeds weer opgekrabbeld zijn. De strijd om
heiligheid opgeven, omdat we zien dat we vol gebreken zijn, is verborgen
hoogmoed en een openlijke lafheid die uiteindelijk ons vurig verlangen naar God
zal verstikken. «Het is eigen aan de laffe ziel die niet over voldoende deugd
beschikt om op de beloften van de Heer te vertrouwen, ontmoedigd te raken bij
de moeilijkheden en daaaronder te bezwijken.»13
Zich van God verwijderen, de strijd opgeven omdat we gebreken
hebben of omdat er tegenstand is, is een grove vergissing. Het is een heel
subtiele en zeer gevaarlijke verleiding die ons kan brengen tot uitingen van
'valse nederigheid' -van hoogmoed-, zoals kleinmoedigheid en gebrek aan geestkracht en moed om mislukkingen te
aanvaarden of grote zaken aan te pakken. Misschien is het nodig dat we geen illusies koesteren, want in één dag heilig
worden is niet mogelijk, tenzij God een wonder zou willen doen. Maar dat
hoeft Hij niet, want Hij geeft ons -langs gewone wegen- al voortdurend en
telkens meer de benodigde genade.
Het verlangen heilig te worden is -als het echt is- de bewuste en welbesloten wil die ons de vereiste
middelen zal doen gebruiken om de heiligheid te verwerven. Zonder
verlangens valt er niets te doen, men hoeft dan nergens aan te beginnen. «We
zullen dan geduld moeten hebben en niet moeten proberen alle slechte gewoonten,
die we aangewend hebben door de geringe zorg die we aan ons geestelijk leven
besteed hebben, in één enkele dag te overwinnen.»14
God beidt zijn tijd en heeft geduld met ieder van ons. Als we
de moed verliezen bij het zien van de traagheid van onze geestelijke
vooruitgang, moeten we eraan denken dat het 't ergste is het goede achterwege
te laten, te bezwijken voor moeilijkheden en ontmoedigd te raken over onze
zonden. God kan ons juist het licht verschaffen om ons geweten te zuiveren en
om met meer bezieling de strijd aan te binden op nieuwe fronten. En daarbij
bedenken we, dat heiligen zich altijd beschouwd hebben als grote zondaars.
Daarom zorgden zij ervoor dichter bij God te komen door gebed en versterving,
vol vertrouwen in de goddelijke barmhartigheid: «Laten we met geduld hopen dat
we ons zullen verbeteren in plaats van ons er zorgen over te maken, dat we in
het verleden zo weinig gedaan hebben. Laten we er ijverig voor zorgen in de
toekomst ons best te doen.»15
Zoals een hert smacht naar de stromende wateren, zo smacht
mijn hart naar U, o God! Houd het verlangen naar God levend. Steek elke dag
de haard van je geloof, van je hoop, aan met het vuur van je liefde tot God,
opdat Hij je deugden vurig maakt en je ellende verbrandt; opdat we onze dorst
naar heiligheid zullen kunnen laven aan het water dat opborrelt ten eeuwigen
leven.16
-1. Tussenzang uit de Mis, Ps 42(41),2-3.
-2. Mt 16,26. -3. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs komt, 96. -4 Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
Gentium, 40. -5. Ibidem, 42. -6. Dan 9,23. -7. H. Theresia van Avila, De weg der
volmaaktheid, 21,2. -8. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 628. -9. Idem, De Weg, 316. -10. Hnd 11,15. -11. Ps
127(126),1. -12. H. Johannes van het
Kruis, Geestelijk hooglied, 3,1. -13 H. Basilius, Preek over de blijdschap. -14. J. Tissot,
L'art de profiter de nos
fautes. -15. Ibidem.
-16. Vgl. Joh 4,14.
|