Derde week. Vrijdag.
23. vertrouwen op de genade
-De genade van God brengt altijd vruchten
voort, mits wij geen hindernissen opwerpen. -De vruchten van het beantwoorden
aan de genade. -Het vermijden van ontmoediging, vanwege gebreken die niet
verdwijnen en deugden die niet bereikt worden. Dikwijls weer opnieuw beginnen.
23.1 Het evangelie van de mis van vandaag1 toont ons een korte parabel die alleen
sint Marcus heeft overgeleverd. Hierin vertelt de Heer ons over het ontkiemen
van het zaad dat in de aarde is geplant. Eenmaal gezaaid, groeit het op, helemaal los van het feit of de
eigenaar van de akker slaapt of waakt, en zonder dat hij weet hoe die groei in zijn werk gaat. Zo gaat het ook met het zaad van de genade
dat in onze ziel valt; als we het geen hindernissen in de weg leggen, als we
het laten groeien, zal het wis en waarachtig vruchten voortbrengen, onafhankelijk van wie
zaait of begiet: dit hangt slechts af van
God die de groei geeft.2
Wij krijgen een groot vertrouwen in het
apostolaat door de veelvuldige overweging, dat «de leer, de boodschap die wij
moeten verspreiden, in zichzelf een eindeloze vruchtbaarheid heeft die niet van
ons komt, maar van Christus.»3 Ook in ons eigen innerlijk leven worden wij van hoop vervuld door de
wetenschap, dat de genade van God -als wij dat niet belemmeren- in stilte een
diepe verandering in onze ziel tot stand brengt, of we nu slapen of waken, te
allen tijde; dat de genade in ons innerlijk -misschien juist nu wel, tijdens
het gebed- het besluit opwekt om trouw te zijn, ons over te geven en beter aan
de genade te beantwoorden.
De Heer biedt ons voortdurend zijn genade aan
om ons te helpen trouw te zijn in het vervullen van onze kleine dagelijkse
plichten; daarin openbaart Hij ons zijn wil en daarin ligt onze heiliging. Wij
van onze kant moeten deze hulp aannemen, en vol edelmoedigheid en volgzaamheid
meewerken. In onze ziel geschiedt iets soortgelijks als in ons lichaam: de
longen moeten voortdurend zuurstof inademen om ons bloed te zuiveren. Wie niet
adem haalt, komt uiteindelijk door verstikking om. Wie de genade die God
onophoudelijk schenkt, niet volgzaam aanvaardt, sterft tenslotte aan
geestelijke verstikking.4
De genade volgzaam ontvangen betekent ons
inspannen om ten uitvoer te brengen wat de Heilige Geest ons in het diepst van
ons hart ingeeft: onze plichten perfect vervullen, in de eerste plaats alles
wat betrekking heeft op onze verplichtingen jegens God; ons vastberaden
inzetten om in de beoefening van een bepaalde deugd een concreet doel te
bereiken; met bovennatuurlijke elegantie en eenvoud een tegenslag dragen, hoe
lang deze ook mag duren en hoeveel moeite het ons ook moge kosten... God beroert
ons in ons binnenste: vaak herinnert Hij ons, bijvoorbeeld, aan de raad die wij
in de geestelijke leiding gekregen hebben. Hoe trouwer we aan die genaden zijn,
des te meer zullen we open staan voor nog meer genade, met des te meer gemak
zullen we goede daden kunnen verrichten en des te meer vreugde zal er in ons
leven zijn, want de vreugde is altijd zeer nauw verbonden met het beantwoorden
aan de genade.
23.2 Wij moeten de ingevingen van de Heilige Geest opvolgen als we het
genadeleven willen bewaren en bovennatuurlijke vruchten willen voortbrengen.
Zoals de Heer ons vertelt in de parabel die wij nu overwegen, bezit het zaad in
ons hart voldoende kracht om te ontkiemen, te groeien en vruchten voort te
brengen. We moeten er echter eerst voor zorgen, dat het zaad ons hart kan
bereiken, dat we het ruimte geven in ons binnenste, het opnemen, het niet
terzijde schuiven, want «de kansen die God ons geeft blijven niet wachten. Ze
komen en gaan. Het woord des levens wacht niet; als we het niet opnemen en ons eigen maken, zal de duivel ermee heen
gaan. De duivel is niet lui, hij heeft veeleer zijn ogen
altijd open en staat steeds klaar om toe te slaan en de gave waarvan gij geen
gebruik maakt weg te nemen.»5 We dienen hiertoe kleine
verstervingen te beleven, zoals het ordelijk opruimen van ons gereedschap; het
op de dag die daarvoor voorzien was, te gaan biechten; het met de nodige ijver gewetensonderzoek doen om ons bewust te worden waar we gefaald hebben,
en waar de Heer verlangt dat we de volgende dag de strijd aanbinden; het
beleven van de 'heldhaftige minuut' bij het opstaan; het ontwijken van of
minstens het zwijgen bij een gesprek waarin iemand bekritiseerd wordt die er
niet bij is... Het verzet tegen de genade veroorzaakt in de ziel hetzelfde effect
als «een hagelbui op een boom in bloei die overvloedige vruchten beloofde; de
bloesem wordt beschadigd en de vruchten komen niet tot rijping.»6 Ons innerlijk
leven verarmt en sterft af.
De Heilige Geest geeft ons talloze genaden om
de vrijwillige dagelijkse zonden te vermijden, evenals al die fouten die,
zonder echte zonden te zijn, God mishagen. Het zijn de heiligen geweest die met
de grootst mogelijke fijngevoeligheid deze bovennatuurlijke hulp benut hebben.
Wij ontvangen ook ontelbare genaden om de handelingen van ons dagelijks leven
te heiligen, door ze uit te voeren met inzet, op volmaakte wijze en met een
zuivere mening, om bovennatuurlijke en edele menselijke redenen. Als we van 's morgens tot 's avonds trouw
blijven aan de hulp die we ontvangen, dan zullen onze dagen eindigen vol
daden van liefde tot God en de naaste, zowel op de aangename momenten van het
leven als in die tijden dat we ons wellicht meer vermoeid, minder sterk en
minder bemoedigd voelen: alle momenten zijn geschikt om vrucht te geven. De ene
genade brengt de andere mee -aan wie
heeft, zal gegeven worden7, zo hebben we in het evangelie van gisteren gelezen-, en de ziel wordt
sterker in het goede, naarmate zij het goede doet, naarmate ze verder gaat.
Iedere dag is een groot geschenk van de Heer, dat wij dienen met liefde te
vullen door vreugdevol aan de genade te beantwoorden, daarbij rekening houdend
met de moeilijkheden en hindernissen, maar ook met de goddelijke prikkel om ze
te overwinnen en er een aanleiding tot heiligheid en apostolaat van te maken.
Alles is volkomen anders, als we het doen uit liefde en voor de Liefde.
23.3 «De mens strooit het zaad in de aarde, wanneer hij in zijn hart het
goede voornemen vormt [...]; en het zaad ontkiemt en groeit op, al weet hij niet
hoe; want al kan hij de groei niet waarnemen, de deugd gaat, eenmaal ontvangen,
op weg naar de volmaaktheid, en uit eigen kracht brengt de aarde vruchten
voort, omdat de ziel van de mens zich met de hulp van de genade spontaan
opricht om het goede te doen. Maar de aarde brengt eerst de groene halm voort,
dan de aar, en tenslotte het volgroeide graan.»8 Het innerlijk leven heeft tijd nodig; het
groeit en rijpt zoals het graan op de akker.
De trouw aan de genade die de Heer ons wil
geven openbaart zich ook in het vermijden van moedeloosheid over ons falen, en
van ongeduld als we zien dat het wellicht moeite blijft kosten om ons gebed tot
het eind toe met diepgang te doen, een gebrek uit de weg te ruimen of om wat
vaker aan God te denken tijdens het werk. De boer is geduldig: hij gaat het zaad
niet uitgraven of de akker in de steek laten, omdat hij de verhoopte vruchten
niet vindt op een tijdstip dat hij geschikt vond voor de oogst. Landbouwers
weten goed dat ze moeten werken en wachten, dat ze rekening moeten houden met
ijs en dagen met zon. Ze weten dat het zaad rijpt, zonder te weten hoe, en dat de oogsttijd
zal komen. «Normaal gesproken werkt de genade net als de natuur: stap voor
stap. Strikt genomen kunnen we niet op de werking van de genade vooruit lopen.
Maar we moeten wel, voor zover het binnen ons bereik ligt, de bodem
voorbereiden en we moeten meewerken wanneer God de genade verleent.
»Het is noodzakelijk dat we de zielen zover
krijgen dat ze heel hoog mikken: dat we ze naar het ideaal van Christus stuwen;
dat we ze de uiterste consequenties laten trekken, zonder hoe dan ook water in
de wijn te doen of dingen af te zwakken, maar ook zonder te vergeten dat
heiligheid niet in de eerste plaats met je eigen handen kan worden gemaakt.
Meestal neemt de genade de tijd en gaat niet met geweld te werk.
»Koester je heilige ongeduld, maar verlies je
geduld niet!»9, net zoals de landbouwer met een eeuwenoude wijsheid zijn geduld niet
verliest. Mogen we leren 'heel hoog te mikken' op het gebied van de heiligheid
en van het apostolaat, door het juiste moment af te wachten, zonder ooit
ontmoedigd te raken, door vaak opnieuw te beginnen met onze stoutmoedige
voornemens.
We moeten weten te wachten, maar ook strijden
met geduldige volharding, in de overtuiging dat de overwinning op een gebrek of
het verwerven van een deugd gewoonlijk niet afhankelijk zijn van sporadische en
heftige inspanningen, maar van een voortdurende nederige strijd, van volharding
in het steeds weer opnieuw proberen, daarbij rekenend op Gods barmhartigheid.
We mogen niet, uit ongeduld, ontrouw worden aan de genade die we ontvangen. Dat
ongeduld wortelt bijna altijd in trots. «We moeten geduld hebben met iedereen -zei
de heilige Franciscus van Sales- maar vooral met onszelf.»10
Niets is onherstelbaar voor wie op de Heer
hoopt; niets is volkomen verloren; er is altijd de mogelijkheid van vergiffenis
en van weer opnieuw beginnen: nederigheid, oprechtheid, berouw... en opnieuw
beginnen door met de Heer mee te werken, die erop gebrand is dat we de
hindernissen overwinnen. We ervaren een diepe vreugde, telkens als we opnieuw
beginnen. En tijdens ons leven op aarde zullen we dat vaak moeten doen, omdat
we altijd fouten zullen maken, omdat we steeds gebrekkig, zwak, zondig zullen
zijn. Laten we ook nederig en geduldig zijn. God houdt rekening met ons falen,
maar Hij verwacht ook vele kleine overwinningen in de loop van ons leven;
overwinningen die we zullen behalen telkens als we trouw zijn aan een ingeving,
een influistering van de Heilige Geest.
-1. Mc 4,26-32. -2. Vgl. 1 Kor 3,5-9. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 159. -4. Vgl. R.
Garrigou-Lagrange o.p., Het
zieleleven van den christen. -5. Kard. J.H. Newman, Sermon for Sexagesima
Sunday: Calls of Grace. -6. R.
Garrigou-Lagrange o.p., o.c. -7. Mc 4,25. -8. H. Gregorius de Grote, Homiliae in Ezechielem, 2,3. -9. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 668. -10. H. Franciscus van Sales, Brieven, 139.
|