14 augustus
15. VIGILIE VAN MARIA TENHEMELOPNEMING
-Onze Lieve Vrouw, Ark van het Nieuwe
Verbond. -De hoop op de hemel. -Het loont trouw te zijn.
15.1 Groots
is het wat er van U gezegd wordt, Maria! Heden zijt Gij verheven boven de koren
van de engelen en deelt Gij voor eeuwig in de overwinning van Christus.1
De eerste lezing van de mis2
herinnert ons aan de episode van het Oude Testament, die vertelt van het
overbrengen van de Ark van het Verbond naar zijn definitieve plaats. David riep
heel Israël bijeen, gelastte de priesters zich voor het overbrengen te
reinigen, benoemde zangers en muzikanten om de processie de grootst mogelijke
luister bij te zetten. Te midden van een onstuitbare vreugde werd de Ark
overgebracht en midden op het tabernakel geplaatst, dat daartoe in de stad van
David in gereedheid was gebracht. Hij vond zijn rustplaats op de berg Sion, die
God zelf had uitgekozen als zijn eeuwigdurende woonplaats.3
De Ark was het teken van Gods aanwezigheid te midden van zijn
volk; binnenin werd zijn Woord bewaard, samengevat in de Tafelen
der Wet.4 Deze passage wordt vandaag
gelezen, omdat Maria de Ark van het Nieuwe Verbond
is, in wier schoot negen maanden lang5 de Zoon
van God woonde, het Woord, Gods mensgeworden Woord, en zij door haar hemelvaart
haar definitieve woonplaats vond in de schoot van de Allerheiligste
Drieëenheid. Daar «gedragen te midden
van toejuichingen van vreugde en lofprijzing, werd zij tot bij God geleid, op
een troon van heerlijkheid gezet, boven alle heiligen en engelen van de hemel.»6
De Ark van het Oude Testament was van kostbare materialen
vervaardigd, van binnen met goud bekleed; in het geval van Maria, vervulde God
haar met onvergelijkelijke gaven, en haar uiterlijke schoonheid was de
weerspiegeling van deze volheid van genade waarmee zij versierd was.7 Zo beantwoordde zij aan de nieuwe woonplaats van God
in de wereld.
Laten we vandaag niet vergeten, dat de Ark voor de joden een
bevoorrechte plaats was, waar God hun gebeden aanhoorde: Mijn
naam zal daar wonen, zo lezen we in het Boek der Koningen.8 Maria, Ark van het Nieuwe
Verbond, is eveneens de bevoorrechte plaats waar God onze smeekbeden
aanhoort. Met het voordeel, dat zij haar stem bij de onze voegt. Onze toevlucht
tot onze Lieve Vrouw nemen is niet alleen het beste middel om door God verhoord
te worden, maar zij zelf spreekt vanuit de hemel voor ons ten beste en maakt
onze smeekbeden recht, wanneer die niet helemaal juist gericht zijn: «ten hemel
opgenomen [...] gaat zij voort ons de gaven van het eeuwige heil te bezorgen»9, bevestigt andermaal het Tweede Vaticaans Concilie.
«Onze Moeder is met ziel en lichaam in de hemel opgenomen.
Zeg haar vaak dat wij, haar kinderen, niet van haar gescheiden willen zijn... Zij
zal naar je luisteren!»10 Onze Moeder, Gij die
met ziel en lichaam zo dicht bij God de Vader, God de Zoon, God de Heilige
Geest staat, houd ons altijd aan uw hand... Laat me niet los... Laat hen niet
los, mijn Moeder. Welk een grote zekerheid geeft ons toch op elk moment de
devotie tot de allerheiligste Maagd! Zij zal ons altijd aanhoren, in welke
omstandigheid we ook verkeren.
15.2 Toen Jeruzalem door de
Babylonische legers werd verwoest, nam de profeet Jeremia de Ark met zich mee,
zoals een oude joodse traditie vertelt, en verborg hem op een geheime plaats.
Daarna hebben we nooit meer iets van de Ark vernomen. Alleen de heilige
Johannes zegt ons, dat hij hem heeft gezien in de hemel, zoals een van de
lezingen van de heilige mis van morgen vertelt, met een duidelijke verwijzing
naar het allerheiligste Lichaam van onze Heer: Toen ging de
tempel van God in de hemel open, en de Ark van zijn Verbond werd zichtbaar in
zijn tempel.11 «Niemand kan ons met
zekerheid zeggen wanneer en waar, noch op welke wijze de Maagd de aarde
verliet. Maar wij weten wel waar zij is. Toen Elia ten hemel werd gevoerd,
vroegen de zonen van de profeten van Jericho aan Elisa of zij hem konden gaan
zoeken. 'Het is mogelijk -zo zeiden ze tot hem- dat de geest van de Heer hem
naar de top van een heuvel heeft gevoerd of hem in een kloof van de valleien
heeft neergelegd'. Elisa gaf tandenknarsend toe, en toen zij van hun
vruchteloze zoektocht terugkeerden, ontving hij hen met deze woorden: Ik had u toch gezegd dat het geen zin had? (2 Kon
2,16-18). Hetzelfde geschiedt met het lichaam van de heilige Maagd. Nergens
onder de christenen zult ge daarover zelfs maar een gerucht vernemen. Er zijn
zovele kerken overal ter wereld die geestdriftig beweren de relikwieën te
bezitten van deze of gene heilige... Wie kan ons zeggen of de heilige Johannes
de Doper in Amiens of in Rome rust? Maar nooit iets over Onze Lieve Vrouw. En
als iemand van u nog erop zou vertrouwen zulk een onschatbare kostbaarheid te
vinden, dan heeft de Heilige Vader onlangs gelast de zoektocht te beëindigen.
Wij weten waar haar lichaam is: in de hemel. Natuurlijk wisten wij dat al
eerder.»12
Paus Pius xii
bepaalde op 1 november 1950 als geloofsdogma dat «de onbevlekte Moeder van God,
Maria altijd Maagd, nadat haar levensloop op aarde vervuld was, met ziel en
lichaam in de hemelse heerlijkheid is opgenomen.»13
Maar reeds vanaf het begin van het geloof waren de christenen ervan overtuigd,
dat de heilige Maria het bederf van het graf niet had ondergaan, maar dat zij
met ziel en lichaam ten hemel was opgenomen. Zoals een oude kerkvader schreef,
«was het passend, dat zij die bij het baren haar maagdelijkheid had bewaard,
haar lichaam na de dood zonder enig bederf zou bewaren. Het was passend, dat
zij die in haar schoot de kind geworden Schepper had gedragen, in het huis van
God zou wonen. Het was passend, dat zij die haar Zoon aan het kruis had gezien
en zo in haar hart de smart had gekregen die haar bij het baren bespaard was
gebleven, Hem zou aanschouwen, gezeten aan de rechterhand van de Vader. Het was
passend, dat de Moeder van God zou bezitten wat haar Zoon toekwam en dat zij
door alle schepselen als Moeder en Dienstmaagd van God zou worden geëerd.»14
De hemelvaart van Onze Lieve Vrouw vervult ons van vreugde en
bemoedigt ons op de weg die wij nog moeten afleggen om in de hemel te komen.
Zij geeft ons moed en kracht om de heiligheid te verkrijgen waartoe wij door
roeping zijn opgeroepen. Daarom moeten we strijden om goede kinderen van God te
zijn, «dat we de ziel rein proberen te houden, door veelvuldig het sacrament
van de biecht en de eucharistie te ontvangen. Aldus zal ook voor ons het ogenblik
komen, waarop we ten hemel zullen opstijgen. Niet op dezelfde wijze als de
allerheiligste maagd Maria, omdat onze lichamen vanwege de zonde wel het bederf
van het graf zullen kennen. Als wij niettemin in Gods genade sterven, zullen
onze zielen naar de hemel gaan, wellicht eerst via het vagevuur om daar het
bruidskleed te krijgen dat onmisbaar is om binnen te treden in het
bruiloftsmaal van het eeuwige leven, de noodzakelijke zuivering om waardig te
zijn God te zien, zoals Hij is (1 Joh 3,2). Daarna,
bij de algemene verrijzenis van de doden, zullen ook onze lichamen verrijzen en
zich met onze zielen verenigen, verheerlijkt, om het eeuwige loon te
ontvangen.»15 Dan zullen wij bij Jezus en zijn
allerheiligste Moeder zijn, in een vreugde zonder einde.
15.3 Wanneer we dit gelukzalige
einde van het leven van de Maagd bezien, dan begrijpen we de vreugde om elke
dag trouw te zijn. Wij beseffen dat «het de moeite waard is te strijden, 'ja' tegen
de Heer te zeggen; het is de moeite waard -in deze heidense omgeving waarin we
leven, en waarin wij vanuit goddelijke roeping onszelf en de anderen moeten
heiligen-, het is de moeite waard vastberaden alles te verwerpen wat ons van
God kan scheiden, en bevestigend te antwoorden op alles wat ons tot Hem brengt.
De Heer zal ons helpen, want Hij vraagt geen onmogelijke dingen. Als Hij ons
opdraagt heilig te zijn, ondanks onze onmiskenbare ellende en de moeilijkheden
in onze omgeving, dan is dat, omdat Hij ons zijn genade verleent. Daarom: possumus!, we kunnen het! (Mc 10,39). Wij kúnnen heilig
zijn, ondanks onze ellende en zonden, omdat God goed en almachtig is, omdat wij
als moeder Gods eigen Moeder hebben, tegen wie Jezus geen 'nee' kan zeggen.
»Laten wij ons dan vervullen van hoop, van vertrouwen: ondanks
onze nietigheid kúnnen wij heilig zijn!, als wij dag na dag strijden, als wij
onze ziel reinigen in het sacrament van boetvaardigheid, als wij veelvuldig het
levend brood ontvangen dat uit de hemel is neergedaald (vgl. Joh 6,41), het
Lichaam en Bloed, de Ziel en de Godheid van onze Heer Jezus Christus, werkelijk
tegenwoordig in de heilige eucharistie. En wanneer het ogenblik komt waarop wij
onze ziel aan God teruggeven, dan zullen we geen angst voor de dood koesteren.
De dood zal voor ons een verhuizing betekenen. Hij komt wanneer God het wil,
maar het zal een bevrijding zijn, het begin van het Leven met een hoofdletter. Vita mutatur, non tollitur: Het leven wordt veranderd,
maar het wordt ons niet ontnomen (Prefatie I voor de overledenen).Wij zullen op
een nieuwe wijze beginnen te leven, hecht verenigd met de allerheiligste Maagd
om eeuwig de Allerheiligste Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest te
aanbidden. Dat is het loon dat voor ons bereid is.»16
Intussen helpt onze Moeder ons vanuit de hemel elke dag, in al onze tegenspoed
en moeilijkheden. Laten wij altijd tot haar onze toevlucht nemen, heel
bijzonder op haar grote feestdagen.
-1. Introïtus van de vigiliemis.
-2. Eerste lezing. 1 Kron 15,3-4. 1516;
16,1-2. -3. Ps 131,14. -4. Dt
10,15. -5. Vgl. C. Pozo, María en
la Escritura y en la fe de la Iglesia, BAC, 3e
ed., Madrid 1985, bl. 160. -6. H. Amadeus van
Lausanne, Homilie 7. -7.Vgl. Paulus vi, Toespraak
17-V-1975. -8. 1 Kon 8,29. -9. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 62. -10. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 898. -11. Apok 11,119. -12. R.A. Knox, Tiempos y fiestas del año litúrgico, Rialp, Madrid 1964,
bl. 243. -13. Pius xii, Apost. const. Munificentissimus Deus, 1-XI-1950. -14. H. Johannes van Damascus, Homilie
II bij het Ontslapen van de heilige Maagd Maria, 14. -15. A. del Portillo, Homilie in
Torreciudad, 15-VIII-1989, in Romana, n. 9.
-16. Ibidem.