Meditaties over de
Heilige Eucharistie (5)
46. VOEDSEL VOOR DE ZWAKKEN
-De heilige eucharistie, gedachtenis van het
Lijden. -Het levend Brood. -Levensonderhoud voor onderweg. Groot verlangen om
de communie te ontvangen. Elke routine vermijden.
46.1 O
memoriale mortis Domini! Panis vivus... O gedachtenisteken van de dood des Heren!
Levend Brood dat leven aan ons mensen schenkt, geef aan mijn ziel van U te
leven en immer uw zoetheid te proeven.1
Vanaf het begin van de Kerk hebben de
christenen als een schat de woorden bewaard
die de Heer uitsprak bij het Laatste Avondmaal en waardoor brood en wijn
voor de eerste maal werden veranderd in zijn heilig Lichaam en Bloed. Enkele
jaren na die gedenkwaardige avond, tijdens welke de heilige eucharistie werd
ingesteld, herinnerde de heilige Paulus de eerste christenen van Korinthe aan
hetgeen hij hun reeds had onderwezen. Hij zelf zegt dat hij deze leer van de
Heer heeft ontvangen, dat wil zeggen, van een traditie die zorgvuldig werd
bewaard en die tot Jezus zelf terugging. De apostel zegt aldus: Zelf heb ik immers van de Heer de
overlevering ontvangen die ik u op mijn
beurt heb doorgegeven (dat
is de Traditie van de Kerk: 'ontvangen' en 'doorgeven'): dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij
werd overgeleverd, brood nam, en na gedankt te hebben, het brak en zeide: Dit
is mijn lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis. Zo ook na de maaltijd de
beker, met de woorden: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet
dit, elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis.2 Dit zijn substantieel dezelfde woorden die elke
priester herhaalt, wanneer hij Christus op het altaar tegenwoordig stelt.
Doet dit
tot mijn gedachtenis. De heilige mis, de onbloedige
hernieuwing van het offer van Calvarië, is een gastmaal waarin Christus zelf zich als voedsel geeft én een
herinnering -een gedachtenisteken- dat werkelijkheid wordt op ieder altaar
waarop het eucharistisch mysterie hernieuwd wordt.3
Het woord 'gedachtenis' verschilt in betekenis van de subjectieve herinnering
aan een feit of gebeurtenis die wij tegenwoordig stellen door ze ons weer voor
de geest te halen. De Heer draagt de apostelen en de Kerk niet op eenvoudigweg
die gebeurtenis die zij meemaken zich te 'herinneren', maar ze 'tot
werkelijkheid te maken'. Het woord 'gedachtenis' ontleent zijn betekenis aan een Hebreeuws begrip dat gebruikt werd om het
wezen van het paasfeest aan te duiden, als herinnering of
gedachtenisteken van de uittocht uit Egypte en van het pact of verbond dat God
had gesloten met zijn volk. Met de paasritus
herinnerden de Israëlieten niet alleen aan een gebeurtenis uit het
verleden, maar zij waren zich ervan bewust, dat zij deze tot werkelijkheid
maakten en tot nieuw leven brachten om er aldus in te delen, alle geslachten
door. In de paasscène werd het verbond dat God met hen op de Sinaï had
gesloten, werkelijkheid. Wanneer Jezus dan tot de zijnen zegt: Doet dit tot mijn gedachtenis,
gaat het derhalve niet om een loutere herinnering aan het paasmaal van die
avond, maar om het hernieuwen van zijn eigen paasoffer op Calvarië, dat reeds
als voorproef tegenwoordig is in dat Laatste Avondmaal. De heilige Thomas leert
dat «Christus dit sacrament heeft ingesteld als het eeuwige gedachtenisteken van zijn lijden, als de
vervulling van de oude voorafbeeldingen en als het wonderbaarste van
zijn werken; en Hij liet het de zijnen na
als bijzondere troost in de droefheid om zijn afwezigheid.»4
De heilige mis is het gedachtenisteken van de
dood van de Heer, waarin werkelijk het paasmaal plaatsvindt, «waarbij Christus
genuttigd, het hart met genade vervuld en ons een onderpand van de toekomstige
heerlijkheid wordt gegeven.»5
In onze overweging van de heilige eucharistie
verenigen wij ons met het gebed dat de liturgie ons aanbiedt: Heer Jezus Christus, in dit wonderbaar
sacrament hebt Gij ons de gedachtenis nagelaten van uw lijden en sterven. Wij
bidden U: laat ons de heilige geheimen van uw Lichaam en Bloed met zo grote
eerbied vieren dat wij de genade van uw verlossing voortdurend in ons ervaren.6
46.2 Brood uit
de hemel gaf Gij hun7, zo had de psalmist geschreven, met in gedachte dat wonder, wit als
rijp, dat de Israëlieten op een dag in de woestijn aantroffen, toen de voedselvoorraad
bijna uitgeput was. Maar, zoals de Heer in de synagoge van Kafarnaüm verklaart,
dat was niet het ware Brood uit de hemel. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was
niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door mijn
Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven
aan de wereld. Zij zeiden tot Hem: Heer, geef ons altijd dat brood.8
De echte werkelijkheid is in de hemel; hier
treffen wij veel dingen aan die wij voor definitief houden, maar die in
werkelijkheid voorbijgaande kopieën zijn met betrekking tot de dingen die ons
te wachten staan. Wanneer Jezus bijvoorbeeld tot de Samaritaanse vrouw over
'levend water' spreekt, bedoelt Hij geen fris of stromend water, zoals de vrouw
aanvankelijk veronderstelt; Hij wil ons aanduiden, dat wij niet weten wat
'water' werkelijk betekent, totdat we rechtstreeks die werkelijkheid zullen
ervaren van de genade, waarvan het water alleen maar een bleke afbeelding is.9
Hetzelfde gebeurt met het 'brood', dat eeuwen
lang het basisvoedsel en vaak ook het enige voedsel is geweest voor het
levensonderhoud van vele volkeren. Het brood dat tot voedsel dient en het manna
dat de Israëlieten dagelijks in de woestijn opraapten, zijn vale tekenen en
beelden, opdat wij zouden kunnen begrijpen wat de eucharistie moet voorstellen:
levend Brood dat ons, mensen, in ons bestaan het leven schenkt. Allen die Jezus
aanhoren weten, dat het manna dat hun voorvaderen iedere ochtend verzamelden10 het symbool was van de Messiaanse goederen; daarom
vroegen zij Jezus bij die gelegenheid om een soortgelijk wonder. Maar zij
konden niet vermoeden, dat het manna de voorafbeelding was van de onuitsprekelijke gave van de eucharistie, het brood dat uit de hemel neerdaalt en leven
geeft aan de wereld.11 «Dàt brood
daalde uit de hemel neer, maar dìt is boven de hemel; Dát brood is bederfelijk,
maar dìt is niet alleen vrij van elk bederf, maar verleent onbedorvenheid aan
allen die het met eerbied eten [...]. Dàt brood was de schaduw, dìt is de
werkelijkheid.»12
Dit wonderbare sacrament is ongetwijfeld de
grootste liefdesdaad van Jezus, die zich
niet meer overlevert aan de mensheid in haar geheel, maar aan ieder mens
afzonderlijk. De communie is altijd uniek en onherhaalbaar; elke communie is
een wonder van liefde; die van vandaag verschilt steeds van die van gisteren;
nooit herhaalt zich op dezelfde wijze Jezus' zachtmoedigheid jegens ons, en
evenmin kan zich de liefde herhalen die onophoudelijk vernieuwd wordt, zonder routine,
wanneer wij tot het eucharistisch gastmaal naderen.
Ecce
panis angelorum... Zie het brood dat engelen eten, wordt de spijs van aardse
pelgrims; waarlijk brood der kinderen is het, dat men niet voor de honden werpt13, zo zingt de
liturgie. Dag na dag, jaar na jaar is het ons onmisbare
voedsel. De profeet Jesaja maakte een reis door de woestijn: veertig
dagen lang en op de kracht die hij kreeg uit één maaltijd die hem door de engel
van de Heer was gezonden.14 En aan de christenen
die op plaatsen wonen waar het hun onmogelijk is de communie te ontvangen,
verleent de Heer de noodzakelijke genaden, maar gewoonlijk is het de heilige
eucharistie die elke dag onze zwakheid zal herstellen op onze tocht op deze
aarde, waar wij ons als pelgrims bevinden.
46.3 Levend
Brood dat leven aan ons, mensen, schenkt, geef aan mijn ziel van U te leven en
immer uw zoetheid te proeven.15
Jezus Christus,
die zich aan ons geeft in de eucharistie, is ons absoluut
onmisbare voedsel. Zonder Hem vervallen wij weldra in uiterste zwakheid. «Het
stoffelijke voedsel verandert eerst in hem die het eet en herstelt bijgevolg
zijn verzwakking en vergroot zijn levenskrachten. Het geestelijk voedsel
verandert daarentegen in zichzelf degene die het eet, en aldus is het effect,
eigen aan dit sacrament, de verandering van de mens in Christus, opdat niet hij
leeft, maar Christus in hem; en daardoor heeft
het een dubbel effect: het herstellen van de geestelijke verzwakking,
veroorzaakt door de zonden en gebreken, en het vermeerderen van de krachten der
deugden.»16
Hij sterkt ons om voort te gaan, want elke dag
leggen we een stukje weg af dat ons tot de hemel doet naderen. Aan het einde
van het leven dient God ons in de volheid van de liefde te ontmoeten. Maar «het
voedsel voor de tocht is juist voor de tocht bestemd en ge zult de spieren
flink gespannen moeten houden om het te kunnen genieten. Niets blijkt flauwer van smaak te zijn dan het voedsel
voor een uitstapje dat u vanwege het slechte weer thuis hebt moeten opeten. Houdt
uw lendenen omgord, zegt onze Heer; wij moeten bona fide-pelgrims zijn, als wij het passende voedsel
in de heilige eucharistie willen vinden.»17
Ons verlangen om ons dagelijks te beteren -iedere dag een stukje dichter bij de
Heer te zijn- is de beste voorbereiding op de communie. De «honger naar God», het verlangen naar heiligheid zetten ons aan
tot een zorgvuldig omgaan met Jezus, tot een levend verlangen naar het
moment waarop wij tot Hem mogen naderen om Hem te ontvangen; we zullen dan de
uren aftellen... en de minuten die ons nog
scheiden van het ogenblik waarop wij Hem in ons hart mogen hebben. Wij
zullen onze toevlucht nemen tot onze engelbewaarder, opdat hij ons helpt ons
goed voor te bereiden, om dank te zeggen. Wij zullen het betreuren dat de tijd waarin Jezus na de communie
in onze ziel verblijft zo snel voorbijgaat. En in de loop van de dag
zullen we met weemoed terugdenken aan die momenten, waarop wij Jezus zó
dichtbij hadden, dat wij ons met Hem vereenzelvigden en wij zullen ongeduldig
wachten op de nieuwe kans om Hem te ontvangen. Laten we nooit toestaan, dat er routine, nalatigheid of haast
binnensluipen op die momenten die de grootste van het mensenleven zijn!
Het is goed dankbaar te zijn, en wij moeten
Jezus dankzeggen voor «het wonderbare feit dat Hij zichzelf aan ons overgeeft.
Laat het mens geworden Woord in ons binnenste komen!... Laat Hij die hemel en
aarde geschapen heeft zich insluiten in onze nietigheid!... De maagd Maria werd
onbevlekt ontvangen om in haar schoot Christus te herbergen. Als de dankzegging
in verhouding moet staan tot het verschil tussen gave en verdiensten, zouden we
dan niet heel onze dag moeten veranderen in een voortdurende eucharistie? Ga
niet uit de tempel weg, als u pas het heilig Sacrament hebt ontvangen. Is wat
op u wacht dan zo belangrijk, dat u nog geen tien minuten aan de Heer kunt
wijden om Hem dank te zeggen? Laten we niet krenterig zijn. Liefde wordt met
liefde betaald.»18 Laten we nooit gehaast zijn,
als we Jezus dankzeggen na de communie! Niets is belangrijker dan die minuten
met Hem te smaken!
-1. Hymne Adoro te
devote [Ned. vert. vgl. Laus Deo, bl. 103]. -2. 1 Kor 11,23-25. -3. Vgl. Vaticanum ii, Sacrosanctum
Concilium, 47. -4. H. Thomas van Aquino, Preek voor het feest van Sacramentsdag. -5. Vaticanum ii, loc. cit. -6. Gebed van de mis van Sacramentsdag. -7. Ps 77,24; 104,40. -8. Joh 6,32-34. -9. Vgl. R.A. Knox, Sermones pastorales, Rialp, Madrid 1963, bl. 432 vv. -10. Vgl. Ex 16,13 vv. -11. Vgl. Joh 6,33. -12. H. Ambrosius, Tractaat over de mysteries, 48. -13. Sequentie Lauda, Sion, Salvatorem [Ned. vert. vgl. Laus Deo, p. 103]. -14. Vgl. 1 Kon 19,6. -15. Sequentie Lauda, Sion, Salvatorem [Ned. vert. vgl. Laus Deo, p. 103]. -16. H. Thomas van Aquino, In Sententiarum libros IV, d12 q2 a11. -17. R.A. Knox,
o.c., bl. 469. -18. H. Jozefmaria Escrivá, Amar a la
Iglesia, bl. 78-79.