Drieëntwintigste week. Zaterdag
18. Vol van genade
-Het hart van onze Moeder de heilige Maria was door de
Heilige Geest overstelpt met genade. -Maria's volheid van genade, een geweldig
geschenk voor ons. Dankbaarheid jegens God voor dit voorrecht voor Maria. -Het
allertrouwst beantwoorden aan alle genade door Maria.
18.1 Er bestaat geen goede boom die zieke
vruchten voortbrengt en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt.
Iedere boom immers wordt gekend aan zijn vruchten; men plukt geen vijgen van
dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik. Een goed mens brengt het
goede te voorschijn uit de schat van goedheid in zijn hart; maar een slechte
brengt het slechte te voorschijn uit zijn schat van slechtheid; want zijn mond
spreekt waar zijn hart van overloopt.1
Door deze dubbele vergelijking -van de boom die goede of
slechte vruchten voortbrengt en van de man die vanuit de diepte van zijn hart
spreekt- leert Jezus ons dat heiligheid niet geveinsd of door iets vervangen
kan worden: een mens geeft eenvoudigweg wat in hem is, niet meer en niet
minder. De heilige Beda werkt dat beeld verder uit: «De schat van een ziel is
hetzelfde als de wortel van een boom. Iemand met een schat van geduld en liefde
in zijn ziel brengt prachtige vruchten voort: hij bemint zijn naaste en bezit
andere kwaliteiten die Jezus aanbeveelt; hij bemint zijn vijanden, doet goed
aan wie hem haten, zegent hen die hem vervloeken en bidt voor wie hem
belastert. Maar wie een bron van kwaad in zijn ziel heeft, doet precies het
tegenovergestelde; hij haat zijn vrienden, spreekt kwaad over wie hem bemint en
doet alle andere dingen die door de Heer veroordeeld zijn.»2
Het hart van onze heilige Moeder was door de Heilige Geest
overstelpt met genade. Met uitzondering van het leven van Christus heeft geen
enkel leven zulke zoete vrucht voortgebracht als het leven van Maria, en dit
zal ook nooit meer gebeuren. Door haar komt alle genade tot ons en blijft ze
tot ons komen. Bovenal komt Jezus zelf tot ons, de gezegende vrucht van haar
allerzuiverste schoot. Van haar lippen zijn de grootste, God meest welgevallige
en tederste lofprijzingen voor de Heer gevloeid. Van haar hebben wij allen de
beste raad gekregen: Doe wat Hij u
zeggen zal.3 Een raad die zij stil
in de intimiteit van ons hart herhaalt.
In Nazareth ontving de Maagd Maria van de engel de boodschap
waardoor zij leerde wat Gods wil omtrent haar van alle eeuwigheid was: dat zij
de Moeder zou zijn van zijn Zoon, de Verlosser van het menselijk geslacht.
«Want de boodschapper groet Maria als 'vol van genade'; hij noemt haar zo alsof
het haar echte naam was. Hij noemt haar niet bij haar eigen aardse naam, Mirjam
-voor ons Maria-, maar bij deze nieuwe naam: 'vol van genade'. Wat betekent
deze naam? Waarom richt de aartsengel zich op deze manier tot de Maagd van
Nazareth?
»Als we lezen dat de boodschapper zich tot Maria richt met
'vol van genade', stelt de context van het evangelie, dat openbaringen en oude
beloften mengt, ons in staat te begrijpen dat onder alle 'geestelijke
zegeningen in Christus' dit een bijzondere 'zegening' is. In het mysterie van
Christus is zij zelfs 'voor de schepping van de wereld aanwezig' als degene die
de Vader 'gekozen heeft' tot Moeder van zijn Zoon in de Menswording. En, wat
meer is, samen met de Vader heeft de Zoon haar gekozen, door haar voor eeuwig
aan de Geest van heiligheid toe te vertrouwen.»4
De waardigheid van Maria vloeit voort uit de oorspronkelijke
genade die ze ontving, die haar voorbereidde om de Moeder van God te worden.
Dit plaatst haar in een van de heiligen en engelen onderscheiden orde. Zoals
het Tweede Vaticaans Concilie zegt, is Maria de «Moeder van de Zoon van God; en
daarom is ze ook de beminde dochter van de Vader en de tempel van de Heilige
Geest. Vanwege deze gift van verheven genade gaat zij alle schepselen, zowel in
de hemel als op aarde, ver te boven.»5
«De volle goedheid, volle lieflijkheid, volle majesteit,
volle schoonheid, volle bevalligheid sieren onze Moeder. -Schiet je gemoed niet
vol, nu jij zo'n Moeder hebt? »6
18.2 De
heilige Thomas verklaart, dat de goedheid van één genade groter is dan de
natuurlijke goedheid van het hele universum.7 De
kleinste hoeveelheid -om het zo te zeggen- heiligmakende genade in de ziel van
een kind na het doopsel is meer waard dan de natuurlijke goede dingen van het
hele universum, meer dan de hele geschapen natuur, inclusief de engelen. Genade
is een deelname aan Gods innerlijk leven, die groter is dan alle wonderen. Hoe
zou Maria's ziel zijn, als God haar omvat heeft met alle mogelijke schittering
en met zijn oneindige liefde?
God schiep behagen in Maria in de eeuwigheid van zijn wezen.
«Van alle eeuwigheid, in een voortdurende aanwezigheid, schept God behagen in
de gedachtenis van zijn Moeder, Dochter en Bruid. Het is geen toeval of gril
dat de Kerk in haar liturgie die Schriftwoorden, waarvan de directe betekenis
betrekking heeft op de Ongeschapen Wijsheid, toepaste op Maria.8 Zo lezen we in het boek der Spreuken: Van eeuwigheid ben ik gevormd, vanaf het
begin, voordat de aarde ontstond. Toen er nog geen oceaan was, was ik al ontvangen,
toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water. Voordat de bergen waren
neergezet, eerder dan de heuvelen was ik ontvangen. Hij had de aarde nog niet
gemaakt en de velden, zelfs niet de elementen van de wereld. Toen Hij de hemel
op zijn plaats zette, was ik erbij, toen Hij over de oceaan een boog trok, toen
Hij daarboven het machtige wolkengewelf zette, toen Hij de geweldige bronnen
van de oceaan maakte, toen Hij de zee haar grens gaf, zodat het water zijn
gebod niet overtrad, toen Hij de grondvesten der aarde bouwde. Ik was bij Hem
als uitvoerster, ik was zijn vreugde, dag in dag uit mij verheugend voor zijn
aanschijn, altijd door, mij verheugend over zijn aardrijk en mijn vreugde
vindend bij de mensen. Welnu, zonen, luistert naar mij: gelukkig degenen die
zich aan mijn wegen houden!9
Maria is de troon van Gods genade, op een zeer diepe wijze.
Op haar kunnen we deze woorden uit de Brief aan de Hebreeën toepassen: Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot
de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige
hulp.10 De troon is een symbool
van het gezag dat toekomt aan Christus, die Koning is van levenden en doden.
Maar de troon is een troon van genade en barmhartigheid.11 En we kunnen hem volgens oude liturgische teksten12 op Maria toepassen. Door haar komt alle genade tot
ons. Maria's bescherming is «als een geestelijke rivier die bijna tweeduizend
jaar lang over alle mensen gestroomd heeft.»13
Ze is een boom die vrucht blijft dragen, een boom die God met zoveel liefde
wilde planten. Het is de onmetelijke schat Maria, waar haar kinderen voortdurend
van mogen genieten. Hoe zou men beter goddelijke genade kunnen verkrijgen dan
door zijn toevlucht te nemen tot de Moeder van God, die ook onze Moeder is?
De volheid van genade waarmee God haar ziel wilde vullen, is
ook een geweldige gave voor ons. Laten we God danken, omdat Hij ons zijn Moeder
als de onze gegeven heeft, omdat Hij haar zo intens mooi gemaakt heeft in haar
hele wezen. En de beste manier om Hem te danken is haar veel lief te hebben,
gedurende elke dag met haar om te gaan, haar te leren navolgen in haar liefde
voor haar Zoon -en in haar volledige beschikbaarheid voor alles wat betrekking
heeft op God.
We zeggen tot haar: «Gegroet, vol van genade»... en we worden
bekoord door zoveel grootheid en zoveel schoonheid, net zoals de aartsengel
Gabriël moet zijn geweest, toen hij voor haar verscheen: «Uw naam, Moeder van
God, uw naam! U bent al mijn liefde!»14
18.3 Maria
had de volheid van genade die op elk moment met haar overeenstemde, en elke dag
groeide deze genade en werd zij groter, want de bovennatuurlijke gaven
vermeerderen het vermogen om meer genade te ontvangen. Hoe meer we God
beminnen, des te meer wordt onze ziel in staat gesteld Hem dieper lief te
hebben en meer genade te ontvangen. Door te beminnen verkrijgen we nieuwe
krachten om te beminnen; wie meer liefheeft, heeft een groter verlangen lief te
hebben en een groter vermogen om lief te hebben. Genade roept meer genade op,
en een volheid van genade roept om een nog grotere volheid.
Maria's ziel ontving bij het eerste moment van haar schepping
een geweldige schat aan genade. Op dat moment werden de woorden die de engel op
de dag van de Boodschap tot haar sprak, reeds vervuld: Gegroet, vol van genade.15 Vanaf het begin is Maria boven alle schepselen door
God bemind, want de Heer schiep enkel behagen in haar en vulde haar met
bovennatuurlijke genadegaven, «meer dan alle engelen en meer dan alle
heiligen».16 Veel heiligen en kerkleraren menen,
dat de oorspronkelijke genade in Maria groter was dan de uiteindelijke genade
van alle andere wezens. De heilige Thomas van Aquino zegt over Maria dat «haar
waardigheid in zekere zin oneindig is».17 Deze
genade werd Maria gegeven wegens haar goddelijk Moederschap.
Sterker nog, vanwege haar lichamelijk en geestelijk contact
met de heilige Mensheid van Christus -als zijn Moeder- is zij in staat
voortdurend en onvermoeibaar in genade te groeien. «Op een heel bijzondere en
uitzonderlijke wijze is Maria verenigd met Christus, en op deze manier wordt
zij eeuwig bemind in deze 'beminde Zoon', deze Zoon die een in wezen is met de
Vader, in wie alle 'glorie van genade' geconcentreerd is.»18 De vruchten van haar moederschap waren buitengewoon
groot, volgens het principe dat de heilige Thomas als volgt uitdrukt: hoe
dichter de ontvanger bij de bron is, des te meer deelt hij in haar
uitwerkingen.19 Geen enkel ander schepsel was
ooit zo dicht bij God. De voortdurende groei van de volheid van genade van onze
Moeder was heviger op bepaalde specifieke momenten van haar leven: bij de
Menswording, bij de Geboorte, aan het Kruis, met Pinksteren, toen Maria de
heilige eucharistie ontving...
Volheid van genade en volledige vrijheid gingen samen in
Maria, want iemand is vrijer naarmate hij heiliger is. Bijgevolg gaf zij zeer
trouw antwoord op deze gaven van God, en door dat antwoord verkreeg zij
overvloedige genade. Laten wij, die haar kinderen zijn en die haar hulp zo hard
nodig hebben, nu naar haar toegaan.
-1. Lc
6,43-49. -2. H. Beda, Commentaar op het evangelie van Lucas, 2,6.
-3. Joh 2,5. -4. Johannes Paulus ii, Enc.
Redemptoris Mater,
25 maart 1987, 8. -5. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen gentium, 53.
-6. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 491. -7. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q113, a9. -8. C. López Pardo, El Avemaría, Madrid 1975, bl. 24. -9. Spr 8,23-32. -10. Heb 4,16. -11. Vgl The Navarre Bible, in
loc. -12. Vgl. Introïtus,
Mis van 22 augustus, voor de wijziging door Paulus vi. -13. R.
Garrigou-Lagrange o.p., De
Moeder van De Verlosser. -14. H. Alphonsus
van Liguori, De
heerlijkheden van Maria. -15. Lc 1,28. -16. Vgl. Pius ix, Ineffabilis
Deus, 8 december 1854. -17. H. Thomas van
Aquino, o.c.,
1, q25, a6 ad4. -18. Johannes
Paulus ii, o.c., 8. -19. Vgl. H. Thomas van
Aquino, o.c.,
III, q7, a1.
|