Drieeëndertigste zondag door het jaar (A)
37. voor god rendement opbrengen
-Beheerders van de ontvangen gaven. -Het
leven, een God welgevallige dienst. -De tijd goed benutten.
37.1 De liturgie van de Kerk blijft ons in
deze laatste weken van het kerkelijk jaar aansporen de eeuwige waarheden te
overwegen. Waarheden die van groot voordeel voor onze ziel moeten zijn. Wij
lezen in de tweede lezing van de Mis1, dat de
ontmoeting met de Heer zal komen als
een dief in de nacht, onverwacht. Ook al zijn wij
erop voorbereid, de dood blijft altijd een verrassing.
Het leven op aarde is, zoals de Heer ons in het
evangelie onderricht2, een tijd om het erfgoed
van de Heer te beheren en aldus de hemel te verdienen. Een man riep bij zijn vertrek naar het buitenland
zijn dienaars bij zich om hun zijn bezit toe te vertrouwen. Aan de een gaf hij
vijf talenten, aan de ander twee, aan een derde een, ieder naar zijn
bekwaamheid. Daarna vertrok hij. Hij kende zijn
dienaars zeer goed en daarom gaf hij niet ieder evenveel van zijn erfgoed. Het zou
onrechtvaardig geweest zijn allen dezelfde last op de schouders te leggen. Hij
verdeelde zijn bezit naar ieders bekwaamheid. Niettemin kreeg zelfs degene die
maar een talent ontving heel veel toevertrouwd. Na enige tijd keerde de heer
van zijn reis terug en vroeg zijn dienaars om afrekening met hem te houden. Zij
die de gelegenheid hadden gehad om met vijf of twee talenten te werken, konden
hem het dubbele overhandigen; zij hadden de tijd benut om met de goederen van
hun heer te handelen, terwijl deze op komst was. Toen viel hun het grote geluk
ten deel de vreugde van de eigenaar te zien en zij kregen recht op een onverwachte
lofprijzing en beloning: Uitstekend,
goede en trouwe dienaar -zei hij tot ieder van hen-
over weinig waart ge trouw, over veel
zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.
De betekenis van de gelijkenis is duidelijk. De
dienaars zijn wij; de talenten zijn de capaciteiten die God aan ieder van ons
heeft geschonken (verstand, vermogen om lief te hebben, om anderen gelukkig te
maken, de tijdelijke goederen...); de tijdsduur van de reis die de heer maakte is
het leven; zijn onverwachte terugkeer de dood; de afrekening het oordeel; aan
het gastmaal gaan aanzitten de hemel. Wij zijn geen eigenaars -zoals de Heer
onophoudelijk in heel het evangelie herhaalt- maar beheerders van enige
goederen, over het beheer waarvan we rekenschap moeten afleggen. Vandaag mogen
wij voor het aanschijn van de Heer onderzoeken of wij werkelijk een geest van beheerders bezitten en
niet een van absolute eigenaars, die naar eigen goeddunken kunnen beschikken
over hetgeen zij hebben en bezitten.
Wij kunnen ons afvragen op welke wijze wij ons
lichaam en onze zintuigen gebruiken, onze ziel en haar krachten. Dienen zij
werkelijk om God eer te bewijzen? Laten we overdenken of we weldoen met de
verkregen talenten: met de materiële goederen, ons arbeidsvermogen, de
vriendschap... De Heer wil dat zijn bezit goed wordt beheerd. Hetgeen Hij
verwacht, staat in verhouding tot wat wij hebben ontvangen. Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden
geëist, en wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.3
Kom, goede en trouwe
dienaar..., over weinig waart ge trouw, zegt de Heer
tot hem die vijf talenten had ontvangen. Het «vele» -vijf talenten- dat hij had
ontvangen, wordt hier door God als «weinig»
beschouwd. Binnentreden in de vreugde van uw heer, dat is het vele. Geen oog heeft ze gezien, geen oor heeft ze gehoord, geen mens kan
het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben.4 Het is de moeite waard hier trouw te
zijn, terwijl wij op de komst wachten van de Heer, die niet lang zal duren,
door deze korte tijd op verantwoorde wijze te benutten. Welk een vreugde,
waneer wij met volle handen voor Hem verschijnen! Zie, Heer, -zo zullen we Hem
zeggen- ik heb getracht het leven in uw bezit door te brengen. Ik heb geen
ander doel gehad dan uw heerlijkheid.
37.2 Hij die één talent had gekregen, ging een gat in de grond graven en het
geld van zijn heer verbergen. Toen deze hem om
rekenschap vroeg, probeerde de dienaar zich te verontschuldigen en viel hij uit
tegen degene die hem heel zijn bezit had gegeven: Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt, die oogst waar gij
niet gezaaid hebt en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid. Daarom was ik
bang en ben uw talent in de grond gaan verbergen. Hier hebt ge uw eigendom
terug. Deze laatste dienaar «toont aan hoe de mens
zich gedraagt, wanneer hij niet actief trouw blijft met betrekking tot God. De
vrees heeft de overhand, eigendunk, de bevestiging van het egoïsme dat het
eigen gedrag tracht te rechtvaardigen door de onrechtvaardige verlangens van de
eigenaar, die oogst waar hij niet heeft gezaaid.»5
Slechte en luie knecht, noemt de heer hem, als hij zijn verontschuldigingen hoort. Hij heeft
een wezenlijke waarheid vergeten: dat «de mens geschapen is om God in dit leven
te kennen, te beminnen en te dienen, om Hem daarna in het andere leven te zien
en te mogen genieten.» Wanneer men God kent, is het makkelijk Hem lief te
hebben en te beminnen; «wanneer men liefheeft, kost het geen moeite en is het
geen vernedering om te dienen: het is een genoegen. Iemand die liefheeft, zal
het dienen van het voorwerp van zijn liefde nooit als een degradatie of
onwaardigheid beschouwen; hij voelt zich nooit vernederd door de beminde
diensten te verlenen. Welnu, de derde knecht kende zijn meester of had minstens
net zoveel redenen om hem te kennen als die twee andere dienaren. Maar het is
duidelijk dat hij hem niet liefhad. En als men niet liefheeft, dan kost dienen
veel moeite.»6 Hij veracht hem en durft hem
bovendien een hard mens te noemen die wil oogsten waar hij niet eens heeft gezaaid.
Deze knecht diende zijn heer niet, als gevolg
van zijn gebrek aan liefde. Het tegenovergestelde van luiheid is juist de
ijver, in het Latijn «diligentia», dat afstamt van het Latijnse werkwoord
«diligere» dat «beminnen, kiezen na een aandachtig onderzoek» betekent. Liefde
geeft vleugels om de beminde persoon te dienen. Luiheid, de vrucht van afkeer
of onverschilligheid, leidt tot een grotere onverschilligheid. De Heer
veroordeelt in deze parabel degenen die niet de gaven ontwikkelen die Hij hun
heeft gegeven en ze voor hun eigen dienst benutten in plaats van God en hun
broeders, de mensen, te dienen. Laten wij vandaag nagaan hoe wij de tijd
benutten, die immers een belangrijk deel is van het erfdeel dat we ontvangen
hebben; of wij zorgen voor stiptheid en orde in ons doen en laten, of we ons
trachten uit te sloven in het werk door de uren goed te vullen; of wij de
vereiste aandacht schenken aan onze familieplichten; of we ons vermogen tot
vriendschap en waardering voor de ander in praktijk brengen om een vruchtbaar
apostolaat te vervullen; of wij het Koninkrijk van Christus trachten te verbreiden
in de zielen en de maatschappij door de talenten die we gekregen hebben.
37.3 Ons leven is maar kort. Daarom moeten
we het tot het laatste ogenblik benutten om te winnen in liefde, in
dienstbaarheid aan God. Herhaaldelijk waarschuwt de Heilige Schrift ons voor de
korte duur van ons bestaan hier op aarde. Het wordt vergeleken met rook7, met een schaduw8,
met het voorbijtrekken van een wolk9, met het
niets.10 Wat zou het erg zijn als we tijd
verliezen of verbeuzelen, alsof die geen waarde zou hebben! «Wat een vreselijk
leven, dat als enige bezigheid heeft het doden van de tijd, die een schat van
God is [...]. Wat een ellende als je geen voordeel trekt, geen echte winst maakt
met alle vermogens, groot of klein, die God aan de mens geeft opdat deze zich
ten dienste stelt van de mensen, de samenleving!
»Als de christen zich in zijn egoïsme
terugtrekt, zich verstopt en zijn belangstelling verliest, kortom als hij
alleen maar zijn tijd doodt, dan loopt hij het risico 'zijn hemel te doden'.»11
De tijd benutten is het ten uitvoer brengen van
wat God van ons op dit moment wil. Soms zal een namiddag benutten betekenen,
dat wij die «verliezen» aan het bed van een
zieke of door een tijdje een vriend te helpen bij het voorbereiden op
een examen de dag daarna. We hebben die
middag dan wellicht verloren voor onze eigen plannen, heel vaak voor ons
egoïsme, maar wij hebben hem gewonnen voor die mensen die hulp of troost
behoefden, en we hebben hem gewonnen voor het eeuwige leven. Als we de tijd
willen benutten, zullen we volledig het moment van nu beleven, door ons hoofd
en hart te leggen in wat we doen, al lijkt dat menselijk gezien van weinig
betekenis, zonder ons uitzonderlijk druk te
maken over het verleden, zonder ons al te zeer te verontrusten over de
toekomst. De Heer wil dat wij het ogenblik van nu beleven en heiligen, door met
verantwoordelijkheidsgevoel de plicht te vervullen die behoort bij het moment
dat we beleven en door ons vrij te houden van nutteloze zorgen over de toekomst,
die misschien wel nooit komen; en als ze komen ... dan zal God onze Vader ons wel
de bovennatuurlijke genade schenken om ze te overwinnen en de menselijke genade
om ze met zwier te dragen. Hij zelf heeft ons gezegd: Maakt u niet bezorgd voor de dag van morgen, want
de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen
leed.12 Door het
heden volkomen te beleven zullen we slagvaardiger zijn en gevrijwaard tegen
veel nutteloze angsten. De heilige Teresia vertelt hoe zij bij aankomst in
Salamanca, vergezeld van een andere zuster, zuster Maria van het Sacrament, om
daar een nieuw klooster te stichten, in een bouwvallig huis terecht kwam
waaruit enkele uren eerder enige studenten waren geëvacueerd. De reizigsters
gingen het huis binnen; het was al avond en zij waren uitgeput en verkleumd van
de kou. In de stad luidden de doodsklokken, want het was de vooravond van
Allerzielen. In de duisternis, die alleen maar werd doorbroken door een
flakkerende petroleumlamp, tekenden zich op de muren onheilspellende schaduwen
af. Niettemin legden zij zich spoedig ter ruste op een paar bundels stro die ze
hadden meegebracht. Eenmaal op die geïmproviseerde bedden gelegen, zei Maria
van het Sacrament, uiterst angstig, tot de heilige: «Moeder, ik lig er net aan
te denken aan wat u hier alleen zou doen, als ik nu kwam te sterven?»
«Als dat werkelijk zou gebeuren, leek het me
een harde zaak,» verklaarde de heilige jaren later; «het deed me er een beetje
over nadenken en bezorgde me zelfs angst, want ik word altijd zwak bij het zien
van dode lichamen, ook als ik niet alleen ben. En omdat het luiden van de
klokken hem daarbij hielp -want het was, zoals ik al heb gezegd, de avond voor
Allerzielen- had de duivel een goed begin om ons onze gedachten te doen
verliezen in kinderachtigheden. -Zuster -zei ik haar- als dat zou gebeuren, zal
ik wel bedenken wat ik dan moet doen; laat me nu slapen.»13
Wanneer we ons zorgen maken over toekomstige
dingen die ons van de vrede en de tijd beroven en waaraan we op dit moment toch
niets kunnen doen, dan doen we er vaak goed aan, zoals de heilige, te zeggen:
«Als dat zou gebeuren, als dat geschiedt, dan zie ik wel wat ik zal doen.» Dan
rekenen we op Gods genade om te heiligen hetgeen Hij beschikt of toelaat.
Wanneer een leven
zijn einde heeft bereikt, kunnen we niet alleen denken aan een kaars die al is opgebrand,
maar ook aan een tapijt dat zojuist geweven is. Een tapijt dat wij aan
de achterkant zien, waar men alleen maar een onbestemde figuur en enige losse
draden kunnen waarnemen. God onze Vader zal
het van de goede kant bekijken, Hij zal glimlachen en verheugd zijn bij
het zien van een volmaakt werkstuk, het resultaat van het goed benutten van de
tijd, dag na dag, uur na uur, minuut na minuut.
-1. 1 Tes 5,1-6. -2. Mt 25,14-30. -3. Lc 12,48. -4. 1 Kor 2,9. -5. Johannes Paulus ii, Homilie, 18 november 1984.
-6. F. Suárez, Después, bl. 144. -7. Vgl. Wijsh 2,2. -8.Vgl. Ps 143,4. -9. Vgl. Job 14,2;37,2; Jak 1,10. -10. Vgl. Ps 38,6. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 46. -12. Mt 6,34. -13. M. Auclair, Het leven van de heilige Teresia van Avila, Utrecht-Antwerpen 19512.
|