Dinsdag in de Goede Week
Het Lijden van onze Heer
42. VOOR PILATUS: CHRISTUS
KONING
-Jezus wordt ter dood veroordeeld. -De Koning der Joden. Een
koninkrijk van heiligheid en genade.-De Heer wil koning zijn in onze zielen.
42.1 De Heer is, in boeien
geslagen, naar het paleis van de landvoogd Pontius Pilatus gevoerd. Zij hebben
haast om er een eind aan te maken. Jezus gaat, zwijgend, met die waardigheid
van Hem die zijn houding uitstraalt, zijn weg door een paar steegjes naar het
paleis van Pilatus.
«Het was al licht geworden. De inwoners van de stad waren
opgestaan en kwamen naar hun deuren en ramen om te kijken naar deze gevangene
die zo bekend was en om zijn heiligheid en daden zo bewonderd werd. De Heer
liep met geboeide handen. Het touw dat zijn handen samenbond was ook om zijn
hals geslagen. Dat was de straf voor mensen die hun vrijheid tegenover hun volk
misbruikt hadden. Hij moet het wel koud gehad hebben die morgen en moe geweest
zijn; het gelaat geschonden door slagen en bespuwingen; zijn haar waaraan hard
getrokken was, helemaal in de war; blauwe plekken op zijn wangen;
samengeklonterd en opgedroogd bloed. Zo verschijnt Hij in het openbaar. Zo gaat
de Heer door de straten. Verschrikt en verrast keken allen naar Hem. Het was
voor allen duidelijk dat de manier waarop zij Hem behandeld hadden, de richting
waarin Hij weggevoerd werd, alleen maar konden wijzen op een naderende
veroordeling.»1
Jezus werd na de rechtsgang voor het Sanhedrin overgedragen
aan de rechtsmacht van de keizer, want de Joodse rechters konden wel ter dood
veroordelen, maar het vonnis niet uitvoeren. Daarom gaan ze zo vroeg mogelijk
-bij het krieken van de dag- naar Romeinse autoriteiten teneinde, met alle
middelen, de dood van Jezus te bewerkstelligen. Ze willen de zaak met Hem
afgewerkt hebben vóór de feestdagen. Nu begint zich letterlijk te voltrekken
wat Hij eerder aangekondigd had: De Mensenzoon zal aan de heidenen worden
overgeleverd en bespot, mishandeld en bespuwd worden. Zij zullen Hem geselen en
ter dood brengen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.2
Zo ontstond er een heel vreemde situatie. Een paar dagen
geleden sprak Hij vrijuit in de tempel en met hoeveel majesteit: niemand
heeft ooit gesproken als deze man. Hij sprak als de man die toegejuicht
door het hele volk zijn intocht had gemaakt in Jeruzalem. En nu: gevangen,
mishandeld door de Joodse overheden. Hij had zoveel wonderen gedaan, was
gevolgd door een menigte leerlingen: Hij wordt behandeld als een boosdoener. De
mensen moeten verwonderd geweest zijn. In de stad zal wel over niets anders
gesproken zijn. Ze zullen iedereen er wel bij geroepen hebben om zo'n
verbazingwekkende gebeurtenis te zien: ze hebben Jezus van Nazaret
gearresteerd.
Ze voeren Jezus naar het binnenhof van het pretorium, het
paleis van Pilatus. Maar degenen die Hem beschuldigden gingen zelf het
pretorium niet binnen, want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich
daarom niet verontreinigen3, want de Joden werden volgens de wet onrein als zij het
huis van een vreemdeling betraden.
«O, onzalige blindheid
-roept de heilige Augustinus uit-. Ze denken onrein te worden in het
huis van een vreemdeling en zijn niet bang zich te verontreinigen met het
begaan van een misdaad.»4 Zo worden nogmaals de zeer sterke woorden vervuld die de
Heer bij een andere gelegenheid tot hen gesproken had: Wee gij, blinde
leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt.5
Pilatus kwam naar buiten, waar zij stonden.6 Jezus staat voor
Pilatus.7 Pilatus
kon vaststellen wat een vrede en rust de beschuldigde uitstraalde in
tegenstelling met de opwinding en het ongeduld van degenen die zijn dood
willen.
Pilatus nam Jezus mee naar binnen en vroeg Hem: Zijt Gij
de koning der Joden?8 Jezus antwoordde: Mijn koningschap is niet van deze
wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er
wel voor gestreden hebben, dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd. Mijn
koningschap is evenwel niet van hier.' Pilatus hernam: 'Gij zijt dus toch
koning?' Jezus antwoordde: 'Ja, koning ben Ik'.9 Dat zou de laatste verklaring van de
Heer worden tegenover de beschuldigingen die tegen Hem ingebracht waren. Daarna
zou Hij zwijgen zoals een lam dat ter slachting geleid wordt.10
De Heer is alleen. Zijn leerlingen horen zijn les nu niet. Nu
ze zoveel van Hem hadden kunnen leren, hebben ze Hem in de steek gelaten. Wij
willen Hem met zijn smart niet alleen laten en van Hem leren ons geduld niet te
verliezen bij de kleine tegenslagen van elke dag en ze aan Hem met liefde op
dragen.
42.2 Misschien denkend
dat hij zo de haat van de Joden zou kunnen bedaren, liet Pilatus Jezus
geselen.11 Dat
is het tweede droevige geheim van de rozenkrans: «Vastgebonden aan de
geselpaal. Overdekt met wonden. Je hoort de zweepslagen zijn vlees
openscheuren, zijn vlees zonder smet, dat lijdt voor jouw zondig vlees. -Meer
slagen. Meer wellust. Nog meer... Het is het toppunt van menselijke wreedheid.
Ten slotte uitgeput, maken ze Jezus los. -En ook het lichaam van Christus bezwijkt
onder de pijn en valt, als een worm, gebroken en half dood. Jij en ik zijn niet
in staat om te spreken. -Kijk naar Hem, kijk naar Hem... lang. Zul jij, na dit
alles, ooit nog kunnen opzien tegen boetedoening?»12
Vervolgens vlochten de
soldaten een kroon van doorntakken, zetten Hem die op het Hoofd en wierpen Hem
een purperen mantel om. Ze traden op Hem toe en zeiden: 'gegroet, koning der
Joden!' En zij sloegen Hem in het gezicht.13 Het is goed vandaag bij het beschouwen van Jezus,
die voor Pilatus zijn koningschap verklaart, ook het tafereel te overwegen
waaraan het derde droevige geheim van de rozenkrans herinnert: «De
doornenkroon, met hamerslagen op zijn hoofd gedrukt, maakt Hem tot spotkoning...
[...] En met slagen verwonden zij zijn hoofd. Zij geven Hem klappen in het
gezicht... en bespuwen Hem. [...] Jij en ik, hebben wij Hem niet opnieuw met
doornen gekroond, geslagen en bespuwd? Nooit meer, Jezus, nooit meer...»14
Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen: Ziehier, ik
breng Hem naar buiten om u te doen weten, dat ik volstrekt geen schuld in Hem
vind. Jezus kwam dus naar buiten, terwijl Hij nog de doornenkroon en de
purperen mantel droeg. Pilatus zei tot hen: Ziehier de mens'.15
Getooid met die groteske symbolen, verbergt Jezus achter een
tragisch uiterlijk de grootsheid van de Koning der koningen, maar laat er
tegelijk toch een glimp van zien. De hele schepping is afhankelijk van een
enkel gebaar van zijn handen. Als Hij er zo zwak uitziet, kan het niet anders
of het is om te bevestigen dat Hij die titel met recht voert. Zijn koninkrijk
is een koninkrijk van waarheid en leven, een rijk van heiligheid en genade,
een rijk van rechtvaardigheid, liefde en vrede.16 Bij het overwegen van deze scène uit
het lijden van Christus kunnen wij, christenen, nooit vergeten dat Hij een
Koning is met een hart van vlees als het onze.17 We mogen ook niet vergeten, dat er
velen zijn die Hem loochenen en verwerpen.
«Bij dit trieste schouwspel lijkt het mij passen de Heer
eerherstel te brengen. Bij het horen van die roep -wij willen niet dat deze man
koning over ons wordt (Lc 19,14)- die maar
niet ophoudt en die, meer dan het geluid van stemmen, het geluid van weinig
edele daden is, voel ik me gedwongen luid te roepen: oportet illum regnare
(vgl. 1 Kor 15,25), Hij behoort als koning
te heersen.»18
Velen weten niet, dat Christus de enige Redder is, Hij is het
die zin geeft aan menselijke gebeurtenissen, aan ons leven. Hij is de bron van
onze blijdschap, van de vervulling van de verlangens van alle harten, het echte
voorbeeld, broeder van allen, de onvervangbare Vriend, de enige die alle
vertrouwen waard is.
Laten we bij het beschouwen van de Koning met de doornenkroon
zeggen, dat Christus Koning is van ons leven, in onze harten, over onze werken,
van onze gedachten, woorden, over al wat van ons is.
42.3 Jezus Christus is
koning over alle wezens, want alles is door Hem geworden19, en in het
bijzonder over de mensen die gekocht zijn tegen een hoge prijs.20 Maria krijgt het
al te horen van de Engel: Gij zult [...] een zoon ter wereld brengen [...]. God
de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken [...] en aan zijn
koningschap zal nooit een einde komen'.21 Zijn Koninkrijk is echter niet als de
koninkrijken hier op aarde. Tijdens zijn openbaar leven zwichtte Hij nooit voor
de geestdrift van de menigten die buitensporig menselijk was en aangewakkerd
werd door wereldse verwachtingen: Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem
meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij
zich terug.22 Niettemin
aanvaardt Hij wel de messiaanse geloofsbelijdenis van Natanaël: 'Gij zijt de
Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël'.23 En wat meer is, de Heer verwijst naar
een oude profetie24 om
zijn woorden te bevestigen en te verdiepen: 'Gij zult de hemel open zien en
de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon'.25
Jezus bevestigt het feit dat Hij de Messias is en Zoon van
God.26 De
Joodse autoriteiten komen er, verblind door hun ongeloof, zelfs toe de Romeinse
keizer als de enige politieke macht te erkennen, waarmee ze het Koningschap van
Christus verwerpen en er een eind aan maken. Ondanks alles zal op het kruishout
voor eeuwig geschreven staan: Jezus de Nazoreeër, Koning der Joden.
Tot Pilatus had Hij gezegd, dat zijn rijk niet van deze
wereld was. Tot ons zegt Hij, dat zijn regering er een is van vrede,
rechtvaardigheid, liefde; God de Vader heeft de mensen ontrukt aan het
domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde
Zoon, in wie onze bevrijding verzekerd is.27
Nu zijn er echter ook velen die Hem verwerpen. In veel
milieus lijkt die kreet weer te klinken: wij willen niet dat deze man koning
over ons wordt. Het moet Jezus veel pijn gedaan hebben, toen Hij die
parabel uitlegde die de houding van veel mensen weerspiegelt: Zijn landgenoten
evenwel haatten hem en stuurden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij
willen niet, dat deze man koning over ons wordt.28 Wat een mysterie van
onrechtvaardigheid, zo groot is de zonde! Jezus verwerpen!
Het rijk van de zonde -waar zij ook maar verblijf houdt- is
een rijk van duisternis, verdriet, eenzaamheid, teleurstelling, leugen. Alle
menselijke tragedies en rampen op deze wereld en onze ellende vinden hun
oorsprong in deze woorden: Nolumus hunc regnare super nos, wij willen
niet dat deze man [Christus] koning over ons wordt. Wij gaan ons gebed nu
beëindigen door Hem te zeggen: «Hij is Koning van mijn hart. Koning van deze
intieme wereld binnenin mij, waar niemand kan binnendringen, waar de Heer en ik
de enigen zijn. Jezus is Koning hier in mijn hart. Gij weet het zeker, Heer.»29
-1. Luis de la
Palma, La Pasión del Señor, bl. 90. -2. Lc 18,32-33. -3. Joh
18,28. -4. H. Augustinus, In
Ioannis Evangelium, 114,2. -5. Mt 23,24. -6. Joh 18,29. -7.
Vgl. Mt 27,11. -8. Joh 18,33. -9. Joh 18,36-37. -10. Jes
53,7. -11. Joh 19,1. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, De Rozenkrans, tweede droevige geheim. -13. Joh
19,2-3. -14. H. Jozefmaria Escrivá,
De Rozenkrans, derde droevige geheim. -15. Joh 19,4-6. -16. Prefatie
van de Mis van Christus Koning. -17. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 179. -18. Ibidem,
179. -19. Joh 1,3. -20. Vgl 1 Kor 6,20. -21. Lc 1,31-33.
-22. Joh 6,15. -23. Joh 1,49. -24. Vgl. Dan 7,11. -25. Joh
1,51. -26. Kol 1,13-14. -27. Kol 1,13-14. -28. Lc 19,14.
-29. J. Leclercq, En suivant
l'année liturgique.
|