Dertigste zondag door het jaar (A)
10. voor blijdschap Geschapen
-De Heer wil
blijmoedige leerlingen. Voorwaarde voor het geluk is «niet een gemakkelijk
leventje, maar een verliefd hart». -Het eerste gebod en de blijdschap. -Blijdschap
verschaffen aan degenen die God in onze nabijheid heeft geplaatst.
10.1 De intredezang van de heilige Mis1
nodigt ons uit tot blijdschap en wijst ons de weg om deze te vinden: Gij die de Heer zoekt, verblijdt u van harte; keert
u tot de Heer en zijn macht, zoekt met volharding zijn aanschijn. We zijn door God en voor God geschapen en alleen in Hem kunnen we het
geluk vinden waarnaar onze natuur streeft. En als we God niet zoeken, dan
kunnen wij onmogelijk voldaan zijn. Soms willen we tot het geluk komen via de
verkeerde wegen die ons egoïsme voorstelt, met verwaarlozing van de zaken van
God en de naaste. Dat zal ons nooit gelukkiger
maken... Maar de Heer heeft ons geschapen voor de blijdschap. Hij wil dat wij
blijmoediger zijn naarmate Hij ons dichter bij zich roept. Het Oude
Testament kondigde al aan: Vrees niet,
gij akkerland, jubel en verblijd u, want
Jahwe heeft een machtig werk verricht [...]. En gij, kinderen van Sion,
jubelt en verblijdt u om Jahwe, uw God, want Hij geeft u de leraar om gerechtigheid
te brengen en laat de regen op u neerdalen, herfstregen en voorjaarsregen,
zoals voorheen.2
Voor christenen is blijdschap een
levensvoorwaarde. Wanneer de ziel vol vreugde is, krijgt zij vleugels om naar
God te vliegen en zichzelf te overtreffen in dienstbetoon aan de ander. Een blijmoedig
hart staat dichter bij God, is bereid grote ondernemingen te volbrengen en is
een aansporing voor de anderen. Droefheid kan onze beste voornemens tot
heiligheid en apostolaat verlammen en bedroeft de anderen om ons heen. Daarom
zei de heilige Paulus keer op keer tot de eerste christenen: Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens:
verheugt u! 3 Bovendien was de blijdschap, te midden van de hevige tegenslagen die
zij te verduren hadden, hun sterkte en het beste middel om anderen tot het
geloof te brengen.
Naast de gegronde
en onvermijdelijke droefheid die veroorzaakt wordt door bijvoorbeeld het
verlies van een geliefde, het zien van onrechtvaardigheid of wreedheid, enz.,
is er een droefheid die ontstaat uit egoïsme en doordat we ons geluk teveel in
het aardse zoeken. De heilige Thomas leert dat dit soort
droefheid, die veroorzaakt wordt door ongeordende eigenliefde, ook veel ander
kwaad veroorzaakt.4 Het is als een zieke wortel
die alleen maar bittere vruchten voortbrengt. Maar zelfs in neerslachtigheid
die gegrond is schuilt een gevaar: als we ons overgeven aan onze treurigheid,
als we ons verdriet koesteren zonder dat we doen wat we kunnen doen, zullen we
meer moeite hebben om het goede te doen. «Droefheid leidt tot toorn en
prikkelbaarheid; aldus merken we dat we, als we bedroefd zijn, gemakkelijk
kwaad worden en om het minste of geringste in woede ontsteken; meer nog, het
maakt de mens achterdochtig en kwaadaardig, en soms vertroebelt het ons denken
zozeer, dat het lijkt of we ons verstand kwijt zijn en we niet meer onszelf
zijn.»5 Een neerslachtige ziel vervalt
gemakkelijk in zonde en raakt krachteloos voor het goede; het is een zekere weg
naar nederlaag. Zoals een mot de
kleding aantast en een worm het hout, zo vernielt droefheid het hart van de
mens.6
Als we ooit merken, dat deze kwaadaardige
ziekte onze ziel belaagt of er misschien al in doorgedrongen is, laten we dan
ons hart onderzoeken. «Laetetur cor
quaerentium Dominum. -Laat het hart van degenen die de Heer zoeken, zich verheugen. Hier heb je licht om de oorzaken van je droefheid te kunnen
onderzoeken.»7
We zullen een rustige vreugde diep in onze ziel
vinden -zelfs te midden van lijden, armoede, ziekte...- wanneer wij daadwerkelijk
de blik op de Heer gericht houden en edelmoedig zijn in hetgeen Hij van ons vraagt. Zoals de heilige Paulus zullen we
altijd kunnen zeggen: dit
vervult mij met troost en doet mij overvloeien van blijdschap bij al mijn
wederwaardigheden.8
Als wij werkelijk de Heer in ons leven zoeken, dan zal niets ons de vrede en
vreugde kunnen ontnemen. Lijden zal de ziel zuiveren en zelfs pijn zal
veranderen in vreugde.
10.2 Laetetur cor
quaerentium Dominum... -Laat het hart van degenen die de Heer zoeken, zich
verheugen.
Het evangelie van de Mis van deze zondag9 nodigt ons uit tot blijdschap, want het is een
oproep tot liefde. Het gebod van de liefde is tegelijkertijd het gebod van de
blijdschap, want de blijdschap «verschilt niet van de liefde, maar is in
bepaald opzicht het handelen en de uitwerking ervan.»10
Vandaar dat de blijdschap en het goede humeur dat wij proberen te hebben in de
vervulling van onze plicht, in de omgang met anderen, in de wijze waarop we
lijden en tegenslagen dragen, een teken is van onze verbondenheid met God.
Toen de Farizeeën naar Jezus toe kwamen om Hem
te vragen wat het voornaamste gebod van de wet was, antwoordde Jezus hun: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw
hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Het tweede, daarmee gelijkwaardig:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Wat wij
moeten doen is: ons tot God wenden met al wat wij hebben en zijn, onze naaste
dienen, ons voor Hem openstellen en onszelf vergeten, wegvluchten van onze
bezorgdheid om een nog gemakkelijker leventje te kunnen leiden, onze ijdelheid
en trots terzijde zetten, de blik naar buiten richten..., beminnen.
«Wat nodig is om het geluk te vinden, is niet
een makkelijk leventje maar wel een verliefd hart.»11 Veel mensen
denken dat zij gelukkiger zullen zijn als zij meer bezitten, als zij meer
bewonderd worden... en zij vergeten dan dat wij alleen maar 'een verliefd hart'
nodig hebben. En geen enkele liefde kan ons hart, dat door God geschapen is om
de volheid in de eeuwige goederen te bereiken, vullen zonder de 'Liefde met een
hoofdletter'. De andere vormen van zuivere liefde -een andere liefde is er niet-krijgen
hun ware betekenis als we de Heer boven alles zoeken. Daarentegen zal noch de
egoïst, noch de afgunstige, noch degene die zijn ziel op aardse goederen richt
de vreugde genieten die Jezus de zijnen heeft beloofd12,
omdat hij niet weet lief te hebben in de meest diepe en edele betekenis van het
woord. «Maar deze kracht bezit de liefde, als zij volmaakt is: dat wij onze
eigen voldoening vergeten om voldoening te schenken aan wie wij beminnen. En
het is werkelijk zo dat de zwaarste lasten zoet voor ons worden zodra we inzien
dat we God tevreden stellen.»13 Alle
moeilijkheden en tegenslagen komen uit Gods hand.
10.3 Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn toevlucht, mijn burcht [...] mijn schild, mijn behoud
en bescherming14, zo bidden wij tot de Heer met de woorden van de tussenzang.
In Hem vinden wij de zekerheid en alles wat wij
nodig hebben, ook de vreugde en de vrede in elke omstandigheid van ons leven.
Daarom mogen we nooit nalaten iedere dag persoonlijk, intiem met Hem om te
gaan. Dat zal ons tot groot heil zijn.
De vreugde en vrede die wij uit die
onuitputtelijke bron die Christus is, drinken, moeten wij brengen naar degenen
die God het dichtst in onze nabijheid heeft geplaatst: naar onze gezinnen, die
geen enkel moment somber mogen zijn en evenmin door onbegrip en egoïsme in
spanningen mogen leven, maar «vol licht en blij»15
moeten zijn, zoals het huisgezin waarin Jezus met Maria en Jozef leefde.
Wanneer we in het gewone spraakgebruik zeggen: 'dat huis lijkt wel een hel',
dan denken we meteen aan een gezin zonder liefde, zonder blijdschap, zonder
Christus. Een christelijk gezin dient blij te zijn, omdat daar de Heer de
eerste plaats inneemt en omdat zijn leerling willen zijn onder andere betekent,
dat we die menselijke en bovennatuurlijke deugden beleven, waarmee blijdschap
zo nauw verbonden is: edelmoedigheid, hartelijkheid, een geest van
offervaardigheid, sympathie, inzet om het leven aangenamer te maken voor de
mensen in onze nabijheid...
Wij moeten deze serene blijdschap, die het
resultaat is van onze dagelijkse omgang met
Jezus, meebrengen naar onze werkplek brengen, op straat, naar onze
klanten, naar iemand die ons de weg vraagt in een hem onbekende stad... Veel mensen zijn somber en onrustig en moeten
vooral de vreugde kunnen zien die de Heer ons heeft nagelaten om ook zelf op
weg te kunnen gaan. Hoeveel mensen hebben
niet het pad dat naar God leidt gevonden door middel van de christelijke
blijdschap, die tot leven kwam door een collega op het werk, door een vriend...!
Deze christelijke vreugde is ook nodig om de
eigen verplichtingen te vervullen. En hoe
verhevener die zijn, des te meer moet
ook onze vreugde zich verheffen.16 Hoe groter
onze verantwoordelijkheid is -ouders,
priesters, leraren...- des te groter is ook de plicht om deze vreugde te
bezitten, om ze op anderen over te brengen. Het aanschijn van de Heer moest
stralen van vreugde, en zijn vrede toonde zich zelfs in zijn lijden en dood.
Ook in die ogenblikken wilde Hij ons een voorbeeld geven, opdat wij Hem zouden
navolgen, als ons levenspad steil bergopwaarts loopt.
Wanneer wij onze toevlucht nemen tot onze
moeder Maria -Causa nostrae laetitiae,
Oorzaak van onze blijdschap-, zullen wij
gemakkelijk de weg naar de vrede en de ware vreugde vinden als we die weg een
keer kwijt zijn. Dan zullen we aanstonds begrijpen dat het pad dat naar de
blijdschap leidt, hetzelfde is als het pad dat naar God leidt.
-1. Introïtus, Ps 104,3-4. -2. Joel 2,21-23. -3. Fil 4,4. -4. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, q28, a4. -5. H. Gregorius
Magnus, Moralia, 1,31,31. -6. Spr 25,20 [Vulgaat]. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 666. -8. 2 Kor 7,4. -9. Mt 22,34-40. -10. H. Thomas van Aquino, o.c., II-II, q28, a3. -11.
H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor 795. -12. Vgl. Joh 16,22. -13. H. Theresia van Avila, Kloosterstichtingen,
5,10. -14. Tussenzang, Ps 17,2-4; 47;51. -15. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 22. -16. Vgl. P.A. Reggio, Vergeet de vreugde niet.
|