Eerste week.
Maandag
2. VOORBEREIDING OM JEZUS TE ONTVANGEN
-De Vreugde van de advent. De vreugde van het
ontvangen van onze Heer in de communie. -Heer ik ben niet waardig... Voorbereiden
op de communie. De gesteldheden van de honderdman van Kafarnaüm. -Voorbereiding
van ziel en lichaam om de communie met vrucht te ontvangen. Het regelmatig
biechten.
2.1 Psalm
121 die in de Mis van vandaag gelezen wordt, was een hymne die de pelgrims
zongen als zij Jeruzalem naderden: Ik was verheugd toen men mij zei: Wij
gaan naar het huis van de Heer... Mijn voet staat binnen uw poorten, o Jeruzalem.1
Diezelfde vreugde hoort
bij de adventstijd, waarin iedere dag een volgende stap is op weg naar het
feest van de geboorte van onze Verlosser. Het is bovendien een beeld van het
geluk dat we voelen als we in de goede gesteldheid de communie ontvangen. Het
is onvermijdelijk, dat we ons naast die vreugde steeds onwaardiger zullen
voelen naarmate het moment nadert waarop wij de Heer zullen ontvangen. Als we
toch besluiten te communiceren, is dat omdat Hij onder de gedaanten van brood
en wijn aanwezig wil zijn juist om als voedsel te dienen en kracht te geven aan
de ondervoeden en zieken. Hij is er niet als beloning voor de sterken, maar als
geneesmiddel voor de zwakken. En wij zijn
allemaal zwak en tot op zekere hoogte ziek.
Elke voorbereiding, hoe
grondig ook, moet ons wel gering lijken en zeker niet toereikend om Jezus te
ontvangen. In zulke bewoordingen spoorde de heilige Johannes Chrysostomus zijn
gelovigen aan zich in de juiste gesteldheid te brengen om de communie waardig
te ontvangen: «Gij besteedt veel zorg aan de zaken van het lichaam, als het
feest nadert. Reeds dagen tevoren hangt gij uw schoonste gewaad gereed [...] en
gij verfraait en versiert u. Is het dan niet belachelijk, dat gij geen zorg
besteedt aan uw ziel, die gij vies en vuil, verteerd van honger laat
rondfladderen?»2 Als
we ons eens 'koeltjes' voelen of het ons aan vurigheid ontbreekt, behoren we
niet om die reden bij de communie weg te blijven. We zullen uit die situatie
zien te geraken door actes van geloof, hoop en liefde. En als het gaat om
lauwheid of routine, dan zijn we bij machte dit probleem op te lossen omdat wij
kunnen rekenen op de hulp van de genade. Laten we soms echter onvermijdelijke
fysieke vermoeidheid of zelfs uitputting nooit verwarren met een
betreurenswaardige geestelijke middelmatigheid of met een kwade gewoonte die
dag na dag zijn greep op de ziel versterkt. Lauwheid is het lot van hem die
zich niet voorbereidt, die niet doet wat binnen zijn mogelijkheden ligt om
afleiding te vermijden als Jezus in zijn hart komt. Het is lauwheid te communie
te gaan met andere dingen in fantasie en gedachten. Lauwheid is geen belang
hechten aan het sacrament dat ontvangen wordt.
Het waardig ontvangen van
het Lichaam van de Heer zal voor ons altijd een gelegenheid zijn in liefde te
ontbranden. «Er zullen er zijn die zeggen: dat is nu precies de reden waarom ik
niet vaker dan een enkele keer te communie ga, mijn liefde is verkild [...]. En
omdat je het koud hebt, blijf je liever zo ver mogelijk van het vuur?
»Juist als je denkt, dat
je hart omkomt van koude, moet je vaker dan een enkele keer tot dat sacrament
naderen, elke keer als je echt verlangt naar het voedsel van Christus' liefde.
Ga te communie -zegt de heilige Bonaventura- ook als je niets voelt. Vertrouw
het allemaal toe aan Gods barmhartigheid, want hoe zieker iemand is, hoe meer
hij de geneesheer nodig heeft.»3
Als wij denken aan de Heer
die op ons wacht, zullen wij vol vreugde in de diepste intimiteit van onze ziel
kunnen zingen: Wat een vreugde toen men mij zei: Wij gaan naar het huis van
de Heer! De Heer verheugt zich ook wanneer Hij ziet, dat wij de moeite doen
in de juiste gesteldheid te geraken om Hem te ontvangen. Laten wij ons eens
bezinnen over de middelen die wij gebruiken bij de voorbereiding op de heilige
Mis en over de waarde die wij aan die voorbereiding hechten. Vermijden we elke
afleiding, gaan we de routine uit de weg? Is onze dankzegging intens en
liefderijk? Wonen we de heilige Mis zo bij, dat we de hele dag met Christus
verenigd zullen blijven?
2.2 Het
evangelie van de mis4
levert
ons de woorden van een heiden over, een honderdman uit het Romeinse leger. Deze
woorden maken al eeuwenlang onderdeel uit van de misliturgie. Zij dienen als
onmiddellijke voorbereiding van de christenen van alle tijden op de communie. Domine,
non sum dignus, Heer, ik ben niet waardig.
De Joodse leiders van de
stad vroegen Jezus het verdriet van deze heiden te verzachten door een van zijn
dienaren, aan wie hij erg gehecht was en die op sterven lag, te genezen.5 De reden dat zij
deze gunst voor hem vroegen, was dat hij voor hen een synagoge had laten
bouwen. Toen Jezus bij het huis kwam, sprak
de honderdman de woorden die in elke Mis herdacht worden: Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder
mijn dak, maar spreek slechts één woord en mijn knecht zal gezond worden. Een enkel woord van Christus geneest, zuivert,
voedt en vervult van hoop.
De honderdman is een zeer
nederig, edelmoedig, met anderen begaan mens. Hij heeft een zeer verheven
opvatting over Jezus. Als heiden durft hij zich niet rechtstreeks tot de Heer
te wenden. Hij stuurt anderen, die hij waardiger acht, om voor hem bij de Heer
te pleiten. «Nederigheid -zegt de heilige Augustinus daarover- was de deur
waardoor de Heer in het bezit trad van wat reeds het zijne was.»6 Het geloof, de
nederigheid en de fijngevoeligheid komen samen in de ziel van deze man. Daarom
houdt de Kerk ons zijn voorbeeld voor en spreekt dezelfde woorden als
voorbereiding op het ontvangen van Jezus, als Hij tot ons komt in de heilige
communie: Heer, ik ben niet waardig...
De Kerk spoort ons aan
niet alleen deze woorden te herhalen, maar ook deze gesteldheden van de
honderdman -geloof, nederigheid, fijngevoeligheid- na te volgen. «Wij willen
Jezus zeggen, dat wij zijn onverdiende en unieke komst, die overal ter wereld
telkens opnieuw plaatsheeft naar ons, naar ieder van ons, aannemen. En we zeggen Hem ook, dat wij ons verbaasd en
onwaardig voelen tegenover een dergelijke goedheid, maar dat we er wel gelukkig
mee zijn; gelukkig om wat ons en de wereld gegeven wordt. Wij willen Hem ook
zeggen dat wij tegenover een zo groot wonder niet onverschillig of ongelovig
zijn, maar dat we er juist in ons hart een vreugderijke geestdrift door krijgen
die de echte gelovigen eigenlijk nooit zou mogen ontbreken.»7
Het is mooi te zien hoe
die honderdman uit Kafarnaüm op twee manieren verbonden blijft met het
sacrament van de eucharistie: door de woorden van de priester en de gelovigen
in de Mis voor de communie; en door de gebeurtenis in de synagoge die hij had
laten bouwen, waar Christus voor de eerste keer zei, dat wij ons met zijn
Lichaam zouden moeten voeden om in leven te blijven. Dit is het brood dat
uit de hemel is neergedaald -zegt Jezus- het is niet zoals bij de
vaderen die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal
leven in eeuwigheid. Als nader detail voegt Johannes eraan toe: Dit zei
Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm.8
2.3 Onze
voorbereiding op het ontvangen van de Heer in de communie is er allereerst op
gericht Hem in staat van genade te ontvangen. Het zou een grove belediging en
een heiligschennis
zijn Hem in staat van doodzonde te nuttigen.
Wij moeten nooit te communie gaan als we in ernstige twijfel verkeren over de
vraag of we niet in staat van doodzonde verkeren. Wie dus op onwaardige wijze het brood
eet of de beker van de Heer
drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed van de Heer. Daarom zegt Sint Paulus verder: Wij moeten onszelf
onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de beker drinken. Wie eet en drinkt
zonder het lichaam te onderkennen,
eet en drinkt zijn eigen vonnis.9
«Wie te communie wil gaan,
herinnere men [...] aan het gebod: De mens onderzoeke zichzelf (1 Kor
11,28). Volgens het kerkelijk gebruik moet het doel van dit onderzoek zijn, dat
niemand met een doodzonde op zijn geweten zonder voorafgaande sacramentele
biecht de heilige eucharistie ontvangt, ook al voelt hij over zijn zonden een
groot berouw.»10 «Het
deelhebben in de weldaden van de eucharistie hangt bovendien af van de staat
van de innerlijke gesteldheid, want de sacramenten van de nieuwe wet brengen,
terwijl ze tegelijkertijd ex opere operato -uit eigen kracht- werkzaam
zijn, een groter gevolg teweeg naarmate de gesteldheden waarin ze ontvangen
worden, volmaakter zijn.»11 Vandaar het belang van een zorgvuldige voorbereiding naar
ziel en lichaam; van het verlangen naar zuiverheid, naar een fijngevoelige
omgang met dit heilig sacrament, naar het ontvangen van het sacrament met de
grootst mogelijke ingetogenheid.
De strijd om zich
gedurende de dag in aanwezigheid van God te beseffen is een voortreffelijke
voorbereiding, zo ook de strijd om onze dagelijkse plichten zo goed mogelijk te
vervullen, met daarbij het verlangen om fouten die we mochten begaan prompt
weer goed te maken bij de Heer. We zouden ook moeten proberen de dagen te
vullen met dankzeggingen en met geestelijke communies. Zo zullen we stapje voor
stapje goede gewoontes aanleren waardoor in werk en ontspanning, in het
gezinsleven en daarbuiten en daarmee in al ons doen en laten, ons hart op God
gericht zal zijn.
Als uitwendig blijk van
onze innerlijke gesteldheid blijven we de voorgeschreven tijd voor het
communiceren nuchter, kleden ons op gepaste wijze en geven door gepast gedrag
uiting aan ons ontzag en onze eerbied.
Denken we bij het einde
van onze overweging er nog eens over na hoe Maria het kind Jezus ontving na de
boodschap van de engel. Vragen wij haar, hoewel wij ons onwaardig en
onbetekenend voelen, dat zij ons leert de communie te ontvangen met die
zuiverheid, nederigheid en toewijding waarmee zij Hem ontving in haar gezegende
schoot, met de geest en de vurigheid van de heiligen.
-1. Ps
121,1-2. -2. H. Johannes Chrysostomus,
Homilie 6 (PG 48,276). -3. H.
Alfonsus van Liguori, Jesus, mijne liefde, of Oefening der liefde tot
Jesus, 2. -4. Mt 8,5-13. -5. Vgl. Lc 7,1-10. -6. H. Augustinus, Sermo 6. -7. Paulus vi, Homilie, 25 mei
1967. -8. Joh 6,58-59. -9. 1 Kor 11,27-29. -10. Paulus vi, Instr. Eucharisticum
Mysterium, 35. -11. H. Pius x,
Decr. Sacra Tridentina Synodus, 20.12.1905.
|