Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Zevende week. Maandag

55. vragen om MEER GELOOF

-Het geloof is een gave van God. -Noodzaak van de juiste gesteldheden om te geloven. -Geloof en gebed. Om geloof vragen.

55.1 Jezus kwam op een plaats waar zijn leerlingen op Hem wachtten. Daar trof Hij ook een vader, die zijn zieke zoon had meegebracht, en verder een groep schriftgeleerden en een grote menigte. Toen zij Jezus zagen naderen, werden zij vervuld van blijdschap en gingen Hem tegemoet: ze waren verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te begroeten.1 Zo moeten wij ook onze toevlucht nemen tot het gebed en het tabernakel. Zij hadden Hem allen gemist. De vader van de jongen treedt uit de menigte die Hem omgeeft naar voren: Meester, -zei hij- ik heb mijn zoon naar U toe gebracht omdat hij in de macht is van een stomme geest [...] Nu heb ik uw leerlingen gevraagd hem uit te drijven, maar die hadden er de kracht niet toe.

De leerlingen die in naam van de Heer al sommige andere wonderen verricht hadden, wilden hem wel genezen maar waren er niet in geslaagd. Jezus verklaarde hun later, binnenskamers, wat er mis was, zodat zij het wonder niet hadden kunnen bewerkstelligen. De vader had een gebrekkig geloof. Hij bezat een soort geloof, want hij was op zoek gegaan naar hulp voor de genezing, maar hij had geen volledig geloof, dat grenzeloze vertrouwen, dat Jezus vroeg en nog steeds vraagt. En de Heer zet hem aan, wat Hij altijd doet, om nog een stap te zetten. In het begin wendt deze man zich nederig, maar aarzelend tot Jezus. Als Gij iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons. En Jezus «die altijd geloof vraagt, is hem -omdat Hij de twijfels van die man kent- voor: Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft (Mc 9,22).»2 Wat een geweldige akte van geloof. Die zouden wij heel vaak moeten herhalen: Jezus, ik geloof, maar verleen een grotere sterkte aan mijn geloof. Leer mij mijn geloof vergezeld te doen gaan van daden, leer mij mijn zonden te betreuren, te vertrouwen op uw macht en uw barmhartigheid.

Het geloof is een gave van God. God alleen kan het meer en meer instorten in de ziel. Hij opent het hart van de gelovige opdat deze het bovennatuurlijk licht ontvangt en daarom moeten wij erom smeken. Tegelijkertijd echter zijn enige innerlijke gesteldheden noodzakelijk: nederigheid, zuiverheid, openheid-, liefde die elke keer de weg openlegt voor meer zekerheid.

Als bij een of andere gelegenheid ons geloof wankelt, en ons apostolaat, bij moeilijkheden of als het geloof van onze vrienden, broers en zussen, kinderen... onzeker wordt, moeten wij die goede vader navolgen. Allereerst om meer geloof vragen, want die deugd is een gave. Tegelijkertijd echter hangt het groeien in geloof af van onszelf. Het openen van de ogen -luidt het commentaar van de heilige Johannes Chrysostomus- is een zaak van God, aandachtig luisteren is onze eigen zaak. Het is een zowel goddelijk als menselijk werk.3 Wij moeten deze man navolgen in zijn nederigheid: hij heeft geen eigen verdiensten om aan te bieden, daarom neemt hij zijn toevlucht tot de barmhartigheid van de Heer: heb medelijden met ons, help ons.

Dat is de zekere weg die elk verzoek moet volgen: toevlucht nemen tot het goddelijk medelijden en de goddelijke barmhartigheid. Wat ons betreft geven nederigheid, zuiverheid van ziel en openheid van hart voor de waarheid, de mogelijkheid deze gaven te ontvangen, die Jezus nooit weigert aan zielen die hem niets in de weg leggen om zijn genade te schenken. Als het zaad van de genade niet in ons gedijt, is dat alleen te wijten aan de grond, die niet voorbewerkt is. Heer, vermeerder mijn geloof! Laten wij dat in de intimiteit van ons gebed vragen. Laat niet toe, dat mijn vertrouwen in U ooit wankelt.

55.2 Wat zagen de mensen in Jezus als ze Hem destijds op wegen en in dorpen tegenkwamen? Zij zagen wat hun innerlijke gesteldheden hun lieten zien. Als zij Jezus eens hadden kunnen zien door de ogen van zijn Moeder! Wat iets groots zouden zij hebben aanschouwd! En hoeveel starheid en kortzichtigheid zouden zij hebben opgemerkt bij de farizeeën die verstrikt zaten in  de regeltjes en de letter van de wet! Zelfs in de wonderen zouden zij vast en zeker de Messias niet kunnen herkennen. Velen van hen bleven blind voor het Licht van de wereld. Hun kennis van de Heilige Schrift hielp hen niet om in Jezus de vervulling te zien van alles wat voorzegd was over de beloofde komst van de Messias. Veel van Jezus' tijdgenoten weigerden in Hem te geloven, omdat zij niet oprecht waren, omdat hun werken niet gedreven werden door het verlangen God te behagen, omdat zij God niet liefhadden en omdat zij valse bedoelingen hadden bij alles wat zij deden. Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft. Als iemand bereid is zijn wil te doen, zal hij van deze leer weten of zij uit God voorkomt of dat Ik haar uit Mijzelf verkondig.4 Zij zochten niet de eer van God, maar die van zichzelf.5 Zelfs wonderen kunnen niet aanvullen wat er aan de noodzakelijke gesteldheid ontbreekt. De diepliggende reden voor het afwijzen van de zo lang verwachte en zo tot in detail aangekondigde Messias was hierin gelegen, dat zij niet alleen in hun hart God niet bezaten als Vader, maar, erger nog, dat zij de duivel als vader hadden, omdat noch hun werken, noch hun gevoelens, noch hun bedoelingen goed waren.6

«God laat Zich zien aan hen die in staat zijn Hem te zien, omdat zij de ogen van hun geest geopend hebben. Allen hebben immers ogen, maar die van sommigen zijn gehuld in duisternis en kunnen het licht van de zon niet zien. Maar het zonlicht houdt niet op te schijnen omdat de blinden het niet zien, nee, die duisternis moet veeleer toegeschreven worden aan hun eigen onvermogen om te zien.»7 Zo moeten wij ook zorgen onze zonden en tekortkomingen regelmatig te biechten, want dit sacrament zuivert ons en geeft ons de geschiktheid de Heer hier op aarde al duidelijker te zien.

In het apostolaat moeten wij er rekening mee houden, dat een grote hinderpaal voor velen om het geloof te aanvaarden, hun roeping te onderkennen of een evenwichtig christelijk leven te leiden, vaak gelegen is in persoonlijke zonden waarover zij geen berouw hebben getoond, in ongeordende genegenheden of in niet beantwoorden aan de genade. «De mens, overgeleverd aan zijn hartstochten, of geïnspireerd door zijn vooroordelen en kwade wil, kan niet alleen voorbijgaan aan de evidentie, die niet te miskennen is, van uitwendige tekenen, maar biedt ook weerstand aan de hogere influisteringen die God instort in zijn ziel, en verwerpt die.»8 Als het verlangen te geloven en in alles, koste wat kost, de wil van God te doen ontbreekt, zal hij wat evident is eenvoudig niet aanvaarden. Daarom zal hij, die opgesloten leeft in zijn eigen egoïsme, die niet het goede zoekt maar alleen zijn gemak en plezier, veel problemen hebben met betrekking tot geloven of het begrijpen van een nobel ideaal. En als het gaat om iemand die al positief gereageerd heeft op een roeping tot overgave aan God, zal hij geconfronteerd worden met een groeiende weerstand tegen de concrete eisen van zijn roeping.

De oprechte, goed voorbereide biecht dient zich aan als het middel bij uitstek om de weg van het geloof te vinden, de innerlijke helderheid die nodig is om te zien wat God vraagt. Wanneer een mens zo zijn hart loutert en zuivert, bereidt hij de akker om het zaad van het geloof en de edelmoedigheid te laten wortelen, groeien en vrucht te doen dragen. Wij bereiden de zielen een enorm goed, als wij ze helpen zich tot het sacrament van de vergeving te wenden. En de ervaring heeft geleerd dat veel problemen en twijfels opgelost worden met een goede biecht. Dan ziet de ziel helder dat zij is gezuiverd en dat haar innerlijke gesteltenis opeens veel beter is.

55.3 Het feit, dat zij er niet in geslaagd waren de bezeten jongen te genezen, lag als een last op het gemoed van de leerlingen, want toen zij alleen met Hem waren in de beslotenheid van het huis, vroegen zij Hem: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? En de Heer gaf hun een, ook voor ons in het apostolaat, zeer nuttig antwoord. Hij zei hun: Dit soort [duivels] kan door niets anders uitgedreven worden dan door bidden.

Alleen met gebed zullen wij de hindernissen overwinnen, die onze vooruitgang blokkeren en zullen wij zelf de verleidingen weerstaan en zullen wij veel vrienden helpen naar Christus te gaan. In zijn commentaar op deze passage uit het evangelie verklaart de heilige Beda, dat Hij bij het instrueren van zijn apostelen over het uitdrijven van deze uiterst kwaadaardige duivel, ons allen aangeeft hoe wij moeten leven en hoe het gebed het middel is om alle, ook de grootste, verleidingen te weerstaan. Maar gebed bestaat niet alleen uit de woorden waarmee wij de goddelijke barmhartigheid inroepen, maar ook uit wat wij de Heer, met oprecht geloof, als geschenk aanbieden.9 Al ons werk, alles wat wij doen, moet zijn als een smeekbede vol vruchten.

Laten wij ons gebed vergezeld doen gaan van goede werken, van een goed verricht stuk arbeid, van een poging dat te beteren wat wij in onze vriend graag verbeterd zouden zien. Die houding jegens God opent eveneens de weg tot een vermeerdering van het geloof in de ziel. «Alleen het gebed, de intimiteit van het rechtstreeks en persoonlijk tweegesprek met de Heer, opent het hart en het verstand (Hnd 16,14), alleen in het gebed kan de man van geloof dieper doordringen in het begrijpen van de wil van God met betrekking tot zijn eigen leven»10, en tot alles wat daar verband mee houdt.

Laten wij regelmatig vragen, dat Hij ons geloof vermeerdert; wanneer bij het apostolaat resultaat op zich laat wachten, bij tekortkomingen van onszelf, of van mensen om ons heen, die niet overwonnen worden, als wij zien wat God verlangt van onze schaarse krachten. «Heer, vermeerder mijn geloof.» Zo baden de apostelen, toen zij, hoewel zij Christus zelf konden zien en horen, hun vertrouwen voelden wankelen. Jezus helpt altijd. In de loop van vandaag en van alle dagen zullen wij de noodzaak voelen te zeggen: Heer, laat mij niet alleen met mijn krachten, daarmee kan ik niets. De smeekbede van die goede vader moet ons vandaag inspireren ons te wenden tot Jezus en Hem om een groter geloof te vragen: «Laten we nu aan het einde van deze overweging dezelfde woorden tot Hem richten. Heer, ik geloof! Ik heb geleerd in U te geloven en ik heb besloten U van nabij te volgen. Telkens opnieuw heb ik in de loop van mijn leven uw barmhartigheid ingeroepen. En toch heb ik telkens opnieuw gedacht, dat U niet zoveel wonderen in de harten van uw kinderen zoudt kunnen bewerkstelligen. Heer, ik geloof! Maar help mij geloven, meer geloven, beter geloven! Bidden we tot slot tot de heilige Maria, Moeder van God en onze Moeder, toonbeeld van geloof: Zalig wie geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is (Lc 1,45).»11

-1. Mc 9,13-28. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 204. -3. Vgl. H. Johannes Chrysostomus, Commentaar op de Handelingen van de apostelen, 35. -4. Joh 7,16-17. -5. Vgl. Joh 5,41-44. -6. Vgl. Joh 8,42-44. -7. Pius xii, Enc. Humani generis, 12 augustus 1950. -8. H. Theophilus van Antiochië, Liber I ad Autolycum, 2,7. -9. H. Beda de Eerbiedwaardige, Commentaar op het Matteüsevangelie. -10. A. del Portillo, Escritos sobre el sacerdocio, bl. 92-93. -11. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 204.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 07 feb 2012