Zevende week. Maandag
55. vragen om MEER GELOOF
-Het geloof is een gave van God. -Noodzaak van
de juiste gesteldheden om te geloven. -Geloof en gebed. Om geloof vragen.
55.1 Jezus kwam op een plaats waar zijn leerlingen op Hem wachtten. Daar
trof Hij ook een vader, die zijn zieke zoon had meegebracht, en verder een
groep schriftgeleerden en een grote menigte. Toen zij Jezus zagen naderen,
werden zij vervuld van blijdschap en gingen Hem tegemoet: ze waren verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te
begroeten.1 Zo moeten wij ook onze toevlucht nemen
tot het gebed en het tabernakel. Zij hadden Hem allen gemist. De vader van de
jongen treedt uit de menigte die Hem omgeeft naar voren: Meester, -zei hij- ik heb mijn zoon naar U toe gebracht omdat hij in
de macht is van een stomme geest [...] Nu heb ik uw leerlingen gevraagd hem uit
te drijven, maar die hadden er de kracht niet toe.
De leerlingen die in naam van de Heer al
sommige andere wonderen verricht hadden, wilden hem wel genezen maar waren er
niet in geslaagd. Jezus verklaarde hun later, binnenskamers, wat er mis was,
zodat zij het wonder niet hadden kunnen bewerkstelligen. De vader had een
gebrekkig geloof. Hij bezat een soort geloof, want hij was op zoek gegaan naar
hulp voor de genezing, maar hij had geen volledig geloof, dat grenzeloze vertrouwen,
dat Jezus vroeg en nog steeds vraagt. En de Heer zet hem aan, wat Hij altijd
doet, om nog een stap te zetten. In het begin wendt deze man zich nederig, maar
aarzelend tot Jezus. Als Gij iets kunt
doen, heb dan medelijden en help ons. En Jezus «die
altijd geloof vraagt, is hem -omdat Hij de twijfels van die man kent- voor: Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft (Mc 9,22).»2 Wat een geweldige akte van geloof. Die zouden wij heel vaak moeten
herhalen: Jezus, ik geloof, maar verleen een grotere sterkte aan mijn geloof.
Leer mij mijn geloof vergezeld te doen gaan van daden, leer mij mijn zonden te
betreuren, te vertrouwen op uw macht en uw barmhartigheid.
Het geloof is een gave van God. God alleen kan
het meer en meer instorten in de ziel. Hij opent het hart van de gelovige opdat
deze het bovennatuurlijk licht ontvangt en daarom moeten wij erom smeken. Tegelijkertijd
echter zijn enige innerlijke gesteldheden noodzakelijk: nederigheid,
zuiverheid, openheid-, liefde die elke keer de weg openlegt voor meer
zekerheid.
Als bij een of andere gelegenheid ons geloof
wankelt, en ons apostolaat, bij moeilijkheden of als het geloof van onze
vrienden, broers en zussen, kinderen... onzeker wordt, moeten wij die goede vader
navolgen. Allereerst om meer geloof vragen, want die deugd is een gave.
Tegelijkertijd echter hangt het groeien in geloof af van onszelf. Het openen
van de ogen -luidt het commentaar van de heilige Johannes Chrysostomus- is een
zaak van God, aandachtig luisteren is onze eigen zaak. Het is een zowel
goddelijk als menselijk werk.3 Wij moeten deze man navolgen in zijn nederigheid: hij heeft geen eigen
verdiensten om aan te bieden, daarom neemt hij zijn toevlucht tot de barmhartigheid van de Heer: heb medelijden met ons, help ons.
Dat is de zekere weg die elk verzoek moet
volgen: toevlucht nemen tot het goddelijk medelijden en de goddelijke
barmhartigheid. Wat ons betreft geven nederigheid, zuiverheid van ziel en
openheid van hart voor de waarheid, de mogelijkheid deze gaven te ontvangen,
die Jezus nooit weigert aan zielen die hem niets in de weg leggen om zijn
genade te schenken. Als het zaad van de genade niet in ons gedijt, is dat
alleen te wijten aan de grond, die niet voorbewerkt is. Heer, vermeerder mijn geloof! Laten wij dat in de intimiteit van ons gebed vragen. Laat niet toe,
dat mijn vertrouwen in U ooit wankelt.
55.2 Wat zagen de mensen in Jezus als ze Hem destijds op wegen en in dorpen
tegenkwamen? Zij zagen wat hun innerlijke gesteldheden hun lieten zien. Als zij
Jezus eens hadden kunnen zien door de ogen van zijn Moeder! Wat iets groots
zouden zij hebben aanschouwd! En hoeveel starheid en kortzichtigheid zouden zij
hebben opgemerkt bij de farizeeën die verstrikt zaten in de regeltjes en de
letter van de wet! Zelfs in de wonderen zouden zij vast en zeker de Messias
niet kunnen herkennen. Velen van hen bleven blind voor het Licht van de wereld.
Hun kennis van de Heilige Schrift hielp hen niet om in Jezus de vervulling te
zien van alles wat voorzegd was over de beloofde komst van de Messias. Veel van
Jezus' tijdgenoten weigerden in Hem te geloven, omdat zij niet oprecht waren,
omdat hun werken niet gedreven werden door het verlangen God te behagen, omdat
zij God niet liefhadden en omdat zij valse bedoelingen hadden bij alles wat zij
deden. Mijn leer is niet van Mij, maar
van Hem die Mij gezonden heeft. Als iemand bereid is zijn wil te doen, zal hij
van deze leer weten of zij uit God voorkomt of dat Ik haar uit Mijzelf verkondig.4 Zij zochten niet
de eer van God, maar die van zichzelf.5 Zelfs wonderen kunnen niet aanvullen wat
er aan de noodzakelijke gesteldheid ontbreekt. De diepliggende reden voor het
afwijzen van de zo lang verwachte en zo tot in detail aangekondigde Messias was
hierin gelegen, dat zij niet alleen in hun hart God niet bezaten als Vader,
maar, erger nog, dat zij de duivel als vader hadden, omdat noch hun werken,
noch hun gevoelens, noch hun bedoelingen goed waren.6
«God laat Zich zien aan hen die in staat zijn
Hem te zien, omdat zij de ogen van hun geest geopend hebben. Allen hebben
immers ogen, maar die van sommigen zijn gehuld in duisternis en kunnen het
licht van de zon niet zien. Maar het zonlicht houdt niet op te schijnen omdat
de blinden het niet zien, nee, die duisternis moet veeleer toegeschreven worden
aan hun eigen onvermogen om te zien.»7 Zo moeten wij ook zorgen onze zonden en
tekortkomingen regelmatig te biechten, want dit sacrament zuivert ons en geeft
ons de geschiktheid de Heer hier op aarde al duidelijker te zien.
In het apostolaat moeten wij er rekening mee
houden, dat een grote hinderpaal voor velen om het geloof te aanvaarden, hun
roeping te onderkennen of een evenwichtig christelijk leven te leiden, vaak
gelegen is in persoonlijke zonden waarover zij geen berouw hebben getoond, in
ongeordende genegenheden of in niet beantwoorden aan de genade. «De mens,
overgeleverd aan zijn hartstochten, of geïnspireerd door zijn vooroordelen en
kwade wil, kan niet alleen voorbijgaan aan de evidentie, die niet te miskennen
is, van uitwendige tekenen, maar biedt ook weerstand aan de hogere
influisteringen die God instort in zijn ziel, en verwerpt die.»8 Als het verlangen
te geloven en in alles, koste wat kost, de wil van God te doen ontbreekt, zal
hij wat evident is eenvoudig niet aanvaarden. Daarom zal hij, die opgesloten leeft in zijn
eigen egoïsme, die niet het goede zoekt maar alleen zijn gemak en plezier, veel
problemen hebben met betrekking tot geloven of het begrijpen van een nobel
ideaal. En als het gaat om iemand die al positief gereageerd heeft op een
roeping tot overgave aan God, zal hij geconfronteerd worden met een groeiende
weerstand tegen de concrete eisen van zijn roeping.
De oprechte, goed voorbereide biecht dient zich
aan als het middel bij uitstek om de weg van het geloof te vinden, de
innerlijke helderheid die nodig is om te zien wat God vraagt. Wanneer een mens
zo zijn hart loutert en zuivert, bereidt hij de akker om het zaad van het
geloof en de edelmoedigheid te laten wortelen, groeien en vrucht te doen
dragen. Wij bereiden de zielen een enorm goed, als wij ze helpen zich tot het
sacrament van de vergeving te wenden. En de ervaring heeft geleerd dat veel
problemen en twijfels opgelost worden met een goede biecht. Dan ziet de ziel helder
dat zij is gezuiverd en dat haar innerlijke gesteltenis opeens veel beter is.
55.3 Het feit, dat zij er niet in geslaagd waren de bezeten jongen te
genezen, lag als een last op het gemoed van de leerlingen, want toen zij alleen
met Hem waren in de beslotenheid van het huis, vroegen zij Hem: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? En de Heer gaf hun een, ook voor ons in het apostolaat, zeer nuttig
antwoord. Hij zei hun: Dit soort [duivels] kan door niets
anders uitgedreven worden dan door bidden.
Alleen met gebed zullen wij de hindernissen
overwinnen, die onze vooruitgang blokkeren en zullen wij zelf de verleidingen
weerstaan en zullen wij veel vrienden helpen naar Christus te gaan. In zijn
commentaar op deze passage uit het evangelie verklaart de heilige Beda, dat Hij
bij het instrueren van zijn apostelen over het uitdrijven van deze uiterst
kwaadaardige duivel, ons allen aangeeft hoe wij moeten leven en hoe het gebed
het middel is om alle, ook de grootste, verleidingen te weerstaan. Maar gebed bestaat niet alleen uit de woorden
waarmee wij de goddelijke barmhartigheid inroepen, maar ook uit wat wij de
Heer, met oprecht geloof, als geschenk aanbieden.9 Al ons werk, alles wat wij doen, moet
zijn als een smeekbede vol vruchten.
Laten wij ons gebed vergezeld doen gaan van
goede werken, van een goed verricht stuk arbeid, van een poging dat te beteren
wat wij in onze vriend graag verbeterd zouden zien. Die houding jegens God
opent eveneens de weg tot een vermeerdering van het geloof in de ziel. «Alleen
het gebed, de intimiteit van het rechtstreeks en persoonlijk tweegesprek met de
Heer, opent het hart en het verstand (Hnd 16,14), alleen in het gebed kan de
man van geloof dieper doordringen in het begrijpen van de wil van God met
betrekking tot zijn eigen leven»10, en tot alles wat daar verband mee houdt.
Laten wij regelmatig vragen, dat Hij ons geloof
vermeerdert; wanneer bij het apostolaat resultaat op zich laat wachten, bij
tekortkomingen van onszelf, of van mensen om ons heen, die niet overwonnen
worden, als wij zien wat God verlangt van onze schaarse krachten. «Heer,
vermeerder mijn geloof.» Zo baden de apostelen, toen zij, hoewel zij Christus
zelf konden zien en horen, hun vertrouwen voelden wankelen. Jezus helpt altijd.
In de loop van vandaag en van alle dagen zullen wij de noodzaak voelen te
zeggen: Heer, laat mij niet alleen met mijn krachten, daarmee kan ik niets. De
smeekbede van die goede vader moet ons vandaag inspireren ons te wenden tot
Jezus en Hem om een groter geloof te vragen: «Laten we nu aan het einde van
deze overweging dezelfde woorden tot Hem richten. Heer, ik geloof! Ik heb
geleerd in U te geloven en ik heb besloten U van nabij te volgen. Telkens
opnieuw heb ik in de loop van mijn leven uw barmhartigheid ingeroepen. En toch
heb ik telkens opnieuw gedacht, dat U niet zoveel wonderen in de harten van uw
kinderen zoudt kunnen bewerkstelligen. Heer, ik geloof! Maar help mij geloven,
meer geloven, beter geloven! Bidden we tot slot tot de heilige Maria, Moeder
van God en onze Moeder, toonbeeld van geloof: Zalig wie geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege
de Heer gezegd is (Lc 1,45).»11
-1. Mc 9,13-28. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 204. -3.
Vgl. H. Johannes Chrysostomus, Commentaar op de Handelingen van de apostelen, 35. -4. Joh 7,16-17. -5.
Vgl. Joh 5,41-44. -6. Vgl. Joh 8,42-44. -7. Pius xii, Enc. Humani generis, 12 augustus 1950. -8. H. Theophilus van Antiochië, Liber
I ad Autolycum, 2,7. -9. H. Beda de
Eerbiedwaardige, Commentaar op het Matteüsevangelie. -10. A. del Portillo, Escritos sobre el sacerdocio, bl. 92-93. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, o.c., 204.
|