Drieëntwintigste week. Woensdag
15. Vrede in tegenspoed
-Bij Christus verkeert verdriet in vreugde. -Tegenstand van
'de goeden'. -Vruchten van onbegrip.
15.1 Bij
verschillende gelegenheden verkondigt de Heer, dat iemand die Hem echt van
nabij wil volgen, te maken zal krijgen met de daden van hen die zich vijanden
van God zullen tonen en ook van hen die, ofschoon ze christen zijn, niet in
overeenstemming met hun geloof leven. Op zijn weg naar de heiligheid zal de
christen soms een vijandig klimaat ontmoeten en Jezus aarzelde niet, dat met
het harde woord «vervolging»1 aan te duiden. In
de laatste van de zaligheden die door Lucas bijeengebracht zijn in het
evangelie van vandaag2, zegt Jezus ons: Zalig zijt gij wanneer omwille van de
Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten en u beschimpen en uw
naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. En we
moeten niet denken, dat deze vervolging, in de diverse manieren waarop ze zich
kan voordoen, iets uitzonderlijks is dat zich in bijzondere tijden of slechts
op bepaalde plaatsen voordoet: De
leerling staat niet boven zijn meester en de dienaar niet boven zijn heer. [...]
Als men het hoofd van het huisgezin al Beëlzebub durft noemen, hoeveel te meer
dan zijn huisgenoten.3 En de
heilige Paulus waarschuwde Timoteüs zo: Allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen
vervolgd worden.4
Maar vervolging betekent niet ongenade, maar zegening,
vreugde en geluk, want het is een teken van authenticiteit in het volgen van
Christus, een duidelijke aanwijzing dat zowel persoon als werken de goede kant
op gaan. Als God soms toestaat, dat wij de pijn van openlijke vervolging,
laster en smaad voelen, of van iets meer verborgens, bijvoorbeeld het gebruik
van ironie die de christelijke waarden belachelijk maakt, of van de druk van
een omgeving die probeert hen die christelijke maatstaven durven te handhaven,
te intimideren door hen te doen dalen in de algemene achting, dan moeten we
weten dat dit een omstandigheid is die God toelaat opdat wij goede resultaten
kunnen bereiken, aangezien, zoals een martelaar zei toen hij naar zijn
terechtstelling gebracht werd, «hoe harder de strijd, des te groter de
beloning»5 is. We moeten de Heer danken voor het
vertrouwen dat Hij in ons gehad heeft, dat Hij ons in staat geacht heeft iets
te lijden, hoe klein ook, om zijnentwil. We zullen, weliswaar op grote afstand,
de apostelen volgen die, nadat ze publiekelijk gegeseld waren voor het prediken
van de Blijde Boodschap, verheugd uit het Sanhedrin kwamen, omdat ze waardig bevonden waren smaad te
lijden omwille van de Naam Jezus.6
Hun apostolaat verslapte niet, maar ze predikten Jezus met meer vuur en
blijdschap. Ook wij moeten onze stem verheffen in dergelijke omstandigheden;
ons gebed moet dan intenser zijn en onze zorg om de zielen zelfs groter. Het is
goed de woorden van de Heer te herhalen: Als die dag komt, springt dan op van blijdschap, want groot
is uw loon in de hemel.
Bij Christus verkeert verdriet in vreugde. «Het is beter voor
mij, Heer, tegenspoed te lijden zolang U bij mij bent, dan te regeren zonder U,
vrolijk te worden zonder U, prat te gaan op mezelf zonder U. Het is beter voor
mij, Heer, U te omarmen in tegenspoed, U bij mij te hebben in de vuurhaard, dan
zonder U te zijn, al was het in de hemel zelf. Wat zou de hemel voor mij
betekenen zonder U, en wat geeft het kwaad van de aarde als U er bent?»7
15.2 De
Heer waarschuwt ons ook in het evangelie van vandaag: Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken, want hun
voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten. Geloof, dat
authentiek is, «maakt korte metten met buitensporige egoïstische belangen, om
geen ergernis te veroorzaken».8 Het is moeilijk,
misschien onmogelijk, een goed christen te zijn en niet in conflict te raken
met een burgerlijke en comfortabele sfeer die vaak heidens is. We moeten
voortdurend vragen om vrede in de Kerk en voor de christenen van elk land, maar
we moeten niet verrast zijn of bang worden, als er verzet komt vanuit onze omgeving
tegen het onderricht van Christus dat we willen verspreiden, een verzet in de
vorm van laster, smaad enzovooort. De Heer zal ons helpen overvloedige vrucht
te oogsten in deze situaties.
Toen de heilige Paulus in Rome aankwam, zeiden de aldaar
wonende joden, wijzend op de beginnende Kerk: van die sekte is ons bekend dat ze overal tegenspraak ondervindt.9 Tegen het eind van twintig eeuwen zien we, zowel in
de recente geschiedenis als op het huidige moment, hoe in verschillende landen
duizenden goede christenen, priesters en leken, het martelaarschap hebben
ondergaan omwille van hun geloof of gemarginaliseerd of gediscrimineerd zijn
vanwege hun geloof, of uit openbare ambten
of onderwijsposities geweerd werden vanwege hun katholicisme, of op
moeilijkheden stuitten als ze hun kinderen een christelijke opvoeding wilden
geven. In andere gedaante is het dezelfde onderdrukkende sfeer die religie ziet
als archaïsch, terwijl 'moderniteit' en 'vooruitgang' opgevat worden als een
bevrijding van 'beperkende' religieuze ideeën.
Het is moeilijk smaad of vervolging -openlijk of heimelijk-
te begrijpen in een omgeving waarin je zoveel hoort over tolerantie, begrip,
vriendschap en vrede. Maar de aanvallen zijn moeilijker te begrijpen als ze
afkomstig zijn van goede mensen; wanneer christenen, op welke wijze dan ook,
andere christenen vervolgen, of een broer zijn broer. De Heer bereidde de
zijnen voor op de onvermijdelijke tijden waarin degenen die hun apostolisch
werk zouden belasteren, smaden of ondermijnen, geen heidenen of vijanden van
Christus zouden zijn maar broeders in het geloof, die zouden denken dat ze met
deze handelingen God een dienst bewijzen10. Deze
'tegenstand van de goeden', een uitdrukking die de stichter van het Opus Dei
gebruikte om een verschijnsel te beschrijven dat hij zo pijnlijk in zijn eigen
leven ondervond, is een beproeving die God soms toelaat. Het is bijzonder pijnlijk
voor de christenen die het ondervinden. De motieven van de lasteraars zijn
gewoonlijk te wijten aan menselijke hartstochten die een zuiver oordeel in de
weg staan en de zuiverheid van bedoeling compliceren van mensen die hetzelfde
geloof belijden als zij die ze aanvallen, en die deel uitmaken van hetzelfde
Volk van God. Bij tijd en wijle komt er naijver bij, in plaats van ijver om de
zielen, overhaaste aantijgingen die uit afgunst lijken voort te komen en het
mogelijk maken het goed dat door anderen gedaan wordt, als kwaad te beschouwen.
Het kan ook een soort blind dogmatisme zijn dat weigert voor anderen het recht
te erkennen om op een andere manier aan te kijken tegen zaken die God aan de
vrije beoordeling van de mensen heeft overgelaten. De 'tegenstand van de
goeden' blijkt altijd in antipathie jegens bepaalde broeders in het geloof, in
een meer of minder verhulde tegenstand tegen hun werk en kritiek die even
vernietigend is als slecht gedocumenteerd.11
In elk geval moet de plaats van de christen die boven alles
trouw wil zijn aan Christus, er een zijn waar hij kan vergeven, verbeteren en
handelen met oprechtheid van intentie, steeds met het oog op Christus. «
Verwacht voor je inspanning niet het applaus van de mensen. -Sterker nog,
verwacht, soms, in geen geval, dat andere mensen en instellingen die ook voor
Christus werken, je begrijpen. -Zoek alleen de eer van God. Bemin allen, maar
maak je geen zorgen, als anderen je niet begrijpen.»12
15.3 We moeten ruim
profiteren van tegenstand. «Er barstte een gewelddadige vervolging uit.
En die ene priester bad: Jezus, moge elke heiligschennende brand mijn vuur van
Liefde en Eerherstel doen vermeerderen.»13 Niet
alleen mogen moeilijkheden ons nooit onze vrede doen verliezen of een reden
voor ontmoediging zijn, maar ze moeten ons juist helpen onze ziel te verrijken,
overwinningen te behalen in innerlijke rijpheid, in sterkte, in naastenliefde,
in een geest van herstel en verbetering en in begrip.
Nu en in de moeilijke momenten die zich regelmatig in ons
leven voordoen, zullen de geduldige en bedaarde woorden die Petrus aan de
vroege christenen schreef toen die smaad en vervolging leden, ons veel goed
doen. Hoeveel beter is het, zo God
het wil, te lijden voor het goede dat men doet dan straf te ondergaan voor
misdrijven.14
De Heer zal gebruik maken van onze uren van verdriet om goeds
voor andere mensen teweeg te brengen. «Soms werkt Hij door middel van wonderen,
soms door straf, soms ook door de gelukkige gebeurtenissen van deze wereld, en
tenslotte, in bepaalde gevallen, door tegenspoed».15
In elke situatie zullen we altijd redenen hebben om gelukkig
en optimistisch te zijn, met het optimisme dat voortkomt uit geloof en
vertrouwvol gebed. «Het christendom heeft zo vaak verkeerd in wat op dat moment
een levensgevaarlijke toestand leek, dat wij nu niet meer bang gemaakt kunnen
worden door nog zo'n beproeving. De manieren waarmee de Voorzienigheid zijn
uitverkorenen vrijkoopt en verlost, zijn niet te bevroeden. Soms wordt onze
vijand een vriend; soms wordt hij beroofd van zijn mogelijkheid om kwaad te
doen, die hem voordien geducht maakte; soms vernietigt hij zichzelf, of
veroorzaakt hij, zonder het te willen, gunstige effecten en verdwijnt hij
eenvoudig zonder een spoor achter te laten. In het algemeen hoeft de Kerk niets
anders te doen dan met vrede en vertrouwen haar taken te vervullen, rustig te
blijven en de verlossing door God af te wachten.»16
De momenten waarin we tegenstand en moeilijkheden ontmoeten
zijn, zonder ze te overdrijven, bijzonder gunstig om een hele serie deugden te
beoefenen: we moeten bidden voor hen die ons kwaad doen, opdat ze ophouden God
te beledigen; we kunnen ernaar streven God eerherstel te geven, om zelfs meer
apostolisch te zijn, en om met bijzondere naastenliefde die zwakkere broeders
in het geloof te beschermen die wegens hun leeftijd, hun gebrek aan vorming of
de bijzondere toestand waarin ze zich bevinden, een grotere schade aan hun ziel
zouden kunnen ondervinden.
De heilige Maagd, onze Moeder, die ons op ieder moment helpt,
zal ons vooral in moeilijke tijden verhoren. «Wend je tot de Maagd -Moeder,
Dochter, Bruid van God, onze Moeder- en vraag haar, dat zij van de
allerheiligste Drieëenheid voor jou meer genade verkrijgt: de genade van geloof, van hoop, van liefde, van
berouw, opdat, wanneer er in het leven een sterke droge wind dreigt op
te steken die in staat is die bloemen van de ziel te verzengen, deze niet die
van jou verzengt..., noch die van je broeders en zusters.»17
-1. Vgl. J.
Orlandis, Las ocho bienaventuranzas,
bl. 141. -2. Lc
6,20-26. -3. Mt
10,24-25. -4. 2 Tim
3,12. -5. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de heilige Polycarpus van
Smyrna. -6. Hnd
5,41. -7. H. Bernardus, Preek 17. -8. G. Chevrot, Las
ocho bienaventuranzas.-9. Hnd 28,22. -10. Vgl. Joh 16,2. -11. J. Orlandis, o.c.,
bl. 150. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 255. -13. Ibidem, 1026. -14. 1 Pe 3,17. -15. H. Gregorius de Grote, Preken over de evangeliën, 36. -16. Kard. J.H. Newman, Toespraak in Biglietto, 12 mei 1879. -17. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 227.
|