Twintigste week. Maandag
49. Vreugde en edelmoedigheid
-De rijke jongeman. De vreugde van het geven. -Christus komt
voorbij en wenkt. -Droefheid veroorzaakt veel pijn voor de ziel. Vreugde zoeken
in de daad van het geven.
49.1 Nadat Hij de kinderen gezegend had, verliet Christus die plaats en
begaf zich weer op weg, toen er een jongeman kwam aanlopen die voor hem
neerknielde en zei: Goede
Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?1 Jezus keek naar
die jongeman met grote hoop. De leerlingen hielden stil om deze ontmoeting
langs de weg te observeren. Het tafereel dat geschilderd wordt in het evangelie
van vandaag is van bijzondere schoonheid.2
Misschien had de rijke jongeman bij een andere gelegenheid al naar Jezus
geluisterd. Wellicht was dit de eerste keer dat hij rechtstreeks tot Hem durfde
te spreken. In zijn hart droeg hij een verlangen om zich te geven, om meer lief
te hebben... misschien was hij ongelukkig met zijn leven. Wanneer de Heer hem
vertelt dat hij de geboden moet onderhouden, zegt de jongeman dat hij ze
gehoorzaamd heeft en vraagt dan: Quid adhuc mihi deest? -Waarin schiet ik nog te kort? Dit is de vraag die zoveel mannen en vrouwen zichzelf gesteld hebben,
omdat ze inzagen dat er in hun leven iets ontbrak.
Jezus, die attent is op de kleinste beweging van de ziel,
wordt bewogen bij de aanblik van dit zuivere en rusteloze hart. Op dat moment
keek Hij naar de jongeman en hield van hem, volgens sint Marcus.3 De kalme blik van Jezus, die doordringende en
onvergetelijke oogopslag, is op zichzelf niets minder dan een uitnodiging.
Christus nodigt de jongeman uit Hem te volgen door al zijn bezittingen achter
te laten. Met andere woorden, Hij nodigt hem uit zijn hart leeg te maken om het
te vullen met de dingen van God, om de liefde voor materiële zaken te
verwisselen voor de liefde van Christus, om materieel arm te worden maar
geestelijk rijk.4
Maar de jongeman was niet edelmoedig. Hij koos ervoor zijn
rijkdommen te behouden, waar hij nog een aantal jaren van zou kunnen genieten,
maar hij verloor de gelegenheid om Christus te hebben, die hij voor altijd zou
hebben gehad. De rijke jongeman verwachtte dit antwoord van de Meester niet.
Gods plannen komen gewoonlijk niet overeen met onze plannen, die op grote
schaal gefabriceerd worden door onze verbeelding. Gods plannen zijn gemaakt
voor alle eeuwigheid. Het zijn de beste plannen die we ons zouden kunnen
voorstellen, ofschoon ze ons af en toe van streek kunnen maken.
Toen de jongeman deze woorden van Jezus hoorde ging hij ontdaan heen, omdat hij
vele goederen bezat. Alle aanwezigen zagen hoe hij wegliep van de
meest liefhebbende uitnodiging van de Heer. Het is zeker mogelijk dat de
jongeman enige tijd later verontschuldigingen zou vinden voor zijn gebrek aan
edelmoedigheid. Dit zou hem misschien een zekere mate van rust teruggeven, maar
nooit de vrede van de ziel die vrucht is van zelfopoffering. Misschien dacht
hij dat hij te jong was, dat hij meer tijd nodig had om de zaak te bezien...
Wat een ramp! Wat een gemiste kans! Wanneer iemand zo'n ontmoeting met Jezus
gehad heeft, zal hij òfwel Hem volgen, òf verloren gaan. Iedere ontmoeting is
cruciaal. Jezus laat nooit iemand onverschillig. De keuze is de ene weg of de
andere.
Als iemand de liefhebbende blik van de Heer heeft ontvangen,
wordt dat nooit vergeten. Het wordt onmogelijk verder te leven als tevoren.
Vreugde is de vrucht van de edelmoedigheid, van het volledig beantwoorden aan
de oproepen die Christus aan ieder van ons doet tijdens ons leven. Het leven
wordt vol vreugde en vrede als gevolg van ons volledig verlaten op de wil van
God, dat elke dag beproefd zal worden.
49.2 «De jongeman wijst het voorstel af en het evangelie zegt ons dat hij
bedroefd heenging -abiit
tristis- (Mt 19,22). [...] Hij verloor
de vreugde omdat hij weigerde zijn vrijheid te geven.»5
Als hij zijn vrijheid niet gebruikte om Christus te volgen, onze ware
bestemming, wat voor nut had zijn vrijheid dan voor hem?
Droefheid schiet wortel in het hart als een schadelijk
onkruid als wij afstand nemen van Christus, als we zijn roep negeren, als wij
te kort schieten in edelmoedigheid. Deze geestelijke ziekte «is een gebrek,
veroorzaakt door een ziekelijke eigenliefde.»6
We kunnen ook bedroefd worden vanwege een slechte gezondheid, uitputting of
pijn. Maar deze ziekte van het hart heeft zijn oorsprong in trots, in egoïsme:
achter die afkeer om dergelijke gebreken te verdragen kan een tikje ijdelheid
verscholen liggen; achter die psychische pijn kan een weigering om de wil van
God te aanvaarden verborgen liggen; in die moedeloosheid, omdat we de ene fout
na de andere maken, kan meer verdriet voor onszelf zijn dan verdriet omdat we
Christus beledigd hebben... «Als God mij vergeven heeft, als zijn meest
genadevolle liefde mij omringt, hoe kan ik dan bedroefd blijven? Als iemand
zijn smart voedt met bezorgdheid om zijn schuld vanwege begane zonden, moet hij
weten dat hij zichzelf slechts voor de gek houdt.»7
Onze gebreken en zonden moeten een aanleiding zijn voor echt berouw en een
vernieuwing van vreugdevolle liefde.
De Heer ontmoet ons vaak op de wegen van ons leven. Soms
vraagt Hij veel van ons, om ons meer te geven. Op andere momenten vraagt Hij
kleine dingen, zoals de vervulling van een plicht, trouw aan ons levensplan,
versterving van de verbeelding, bijzonderheden van zuivere naastenliefde... Het
kan gebeuren dat de Heer ons pad kruist om ons uit te nodigen Hem nader te
volgen, zonder onze plaats in de wereld te verlaten maar met een
onvoorwaardelijke overgave van ons hart. «Men zou zich moeten weten over te
geven, weten te branden voor Gods aanschijn, als het licht dat op de kandelaar
wordt gezet om te schijnen voor de mensen die in duisternis wandelen; als
devotie-lichtjes die naast het altaar branden, en ten koste van zichzelf licht
geven tot ze opgebrand zijn.»8 Dit vraagt Hij
van iedereen, van ieder in de plaats en stand waartoe hij geroepen is, in de
bijzondere en specifieke roeping die hij of zij gekregen heeft van God. Roeping
is het belangrijkste aspect van ons leven. Als ze eenmaal bekend is, moet onze
roeping al onze energie in beslag nemen, met de hulp van de goddelijke genade,
tot het einde van onze dagen.
49.3 Hij ging ontdaan heen. Meer weten we niet van die jongeman. Zijn verhaal eindigt met een
teleurstelling. Wie weet? Hij zou een van de Twaalf kunnen zijn geweest. Maar
hij wilde zijn instemming niet geven, en Jezus respecteerde zijn vrijheid. De
jongeman wist niet hoe hij zijn vrijheid moest gebruiken. De heilige Basilius
kritiseert hem met deze woorden: «De verkoper is niet bedroefd dat hij de
goederen die hij heeft, moet ruilen op markten om de koopwaar die hij wil te
verkrijgen; maar jij wordt bedroefd wanneer je de kans op eeuwig leven verruilt
voor een handvol geld.»9 Hij gaf er de voorkeur
aan zijn geld, zijn rijkdom te behouden, in plaats van de onvergankelijke gave,
aangeboden door Christus, te kiezen.
Droefheid doet de ziel een heleboel pijn. Zoals een mot in kleren, of een
worm in hout, zo knaagt de droefheid aan het menselijk hart10, en maakt ze hem vatbaar voor het kwaad. We moeten
onmiddellijk reageren zodra er droefheid over onze ziel komt: Zoek afleiding voor uw zorgen en
troost uw hart en jaag de droefheid ver van u weg. Want door droefheid zijn
velen te gronde gegaan en zij dient tot niets.11 Van deze toestand kunnen alleen maar nare gevolgen
verwacht worden.
Omdat ons leven erop gericht is Christus te volgen, is het
logisch dat we altijd vol vreugde zouden moeten zijn. Dat is de enige ware
vreugde in de wereld, een grenzeloze vreugde, een vreugde zonder einde. Ze is
verenigbaar met lijden, met ziekte, met gebrek... «Christelijke vreugde sluit
droefheid uit en bestrijdt haar definitief. Afgunst, moedeloosheid,
neerslachtigheid zijn er allemaal onverenigbaar mee. Een van de vruchten van de
christelijke vreugde is de onderdrukking van deze pijnen, die zo gevaarlijk
zijn voor het geestelijke leven.»12
Een bedroefde ziel is overgeleverd aan vele beproevingen.
Hoeveel zonden hadden hun oorsprong in droefheid? Hoeveel nobele idealen zijn
vanwege haar niet tenietgedaan! Als we ooit de droefheid aan ons voelen
trekken, moeten we de oorzaak ervan onderzoeken met oprechtheid in ons gebed.
We zullen vaak vinden dat we te kort schieten in edelmoedigheid jegens God of
jegens anderen. «Laetetur
cor quaerentium Dominum. Laat het hart van degenen die de Heer
zoeken, zich verheugen. -Hier heb je licht om de oorzaken van je droefheid te
kunnen onderzoeken.»13 We kunnen onze vreugde
altijd vergroten als we serieus de schreden van de Heer volgen in ons gebed, in
onze inspanning om de aanwezigheid van God te handhaven. We moeten ook onze
edelmoedigheid jegens anderen onderzoeken -edelmoedigheid door belangstelling
te hebben voor hun gezondheid en voornemens, door die kleine maar voortdurende
offers te doen vanwege hen...
Als we ons ooit droevig van hart voelen, moeten we ons
afvragen: op welk gebied ben ik niet edelmoedig jegens God? Hoe kan ik
edelmoediger zijn jegens andere mensen? Maak ik mij te veel zorgen over mezelf
en mijn eigen zaken, mijn gezondheid, mijn toekomst?... We moeten onmiddellijk
zowel de oorzaak als de remedie ervoor vinden. Ondertussen moeten we proberen
onze vriendschap met de Heer te verbeteren en onze edelmoedigheid tegenover
anderen te vergroten, al is het maar in kleine dingen van dienstbaarheid. We
moeten onze harten openstellen voor onze geestelijke leider, die onze heilige
ambities echt begrijpt en waardeert.
Vol van de vreugde die Christus ons geeft, kunnen wij veel
goed doen in de wereld om ons heen. Een van de beste vormen van naastenliefde
is deze vreugde aan anderen over te brengen. Velen kunnen God vinden in de
praktische uitdrukkingen van dit aantrekkelijke en diepe gevoel. Heilige Maria,
Oorzaak van onze blijdschap, bid voor ons. Verkrijg voor ons de genade Christus
steeds nader te volgen. Verwerf voor ons de genade dat we ons nooit van Hem
zullen afwenden, zelfs niet in de kleine dingen van ons dagelijks leven.
-1. Mc
10,17. -2. Mt
19,16-22. -3. Mc
10,21. -4. Vgl. M.J. Indart, Jezus in zijn wereld.
-5. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 24. -6. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II,
q28, a4, ad 1. -7. C. López Pardo, Sobre la vida y la muerte.
-8. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 44. -9. H. Basilius, in Catena Aurea, vol VI, 313. -10. Spr 25,20 [Vulg.]. -11. Sir 30,23. -12. J.M. Perrin, L'Evangile de la joie. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 666.
|