Tweede week. Zaterdag
15. Vreugde
-Deze is gebaseerd op het goddelijk kindschap.
-Kruis en vreugde. Oorzaken van droefheid. Geneesmiddelen tegen de droefheid. -Het
apostolaat van de vreugde
15.1 Toen de wereld uit Gods scheppende hand ontstond, was alles vervuld
van goedheid. Die goedheid bereikte haar hoogtepunt in de schepping van de
mens.1
Maar met de zonde kwam het kwaad in de wereld, en dat wortelde zich als onkruid
in de menselijke natuur. De ware vreugde, die altijd verenigd is met het goede,
kwam in haar volheid op aarde op de dag, dat Onze Lieve Vrouw haar instemming
gaf en de Zoon van God vlees aannam in haar schoot. Zij bezat reeds een diepe
vreugde, omdat zij zonder erfzonde ontvangen was en omdat haar vereniging met
God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest volkomen was. Door haar
liefdevolle antwoord op Gods plannen werd zij oorzaak, in de volle betekenis
van het woord, van de nieuwe vreugde van de wereld, want door haar kwam Jezus
Christus tot ons, de volledige vreugde van de Vader, van de engelen en van de mensen; in Hem heeft God heel
zijn welbehagen gesteld.2 De opdracht van Maria is, toen en nu, ons Jezus, haar Zoon, te geven.
Om die reden noemen wij Onze Lieve Vrouw oorzaak van onze blijdschap.
Enige weken geleden hebben we de aankondiging
van de engel aan de herders overwogen. Vreest niet, want zie, ik verkondig u een
vreugdevolle boodschap die bestemd is voor het hele volk: heden is in de stad
van David...3 Ware vreugde, die welke blijvend is
ondanks alle tegenslagen en lijden, is de vreugde van hen die God ontmoet hebben
in de meest uiteenlopende omstandigheden, en die Hem wisten te volgen: het is
de overstelpende vreugde van de oude Simeon, als hij het kind Jezus in zijn
armen houdt.4 Het is de onmetelijke vreugde -gaudio magno valde5- van de Wijzen, als ze weer de ster ontdekken die hen naar Jezus,
Maria en Jozef leidde. De vreugde van al diegenen die op een onverwachte dag
Jezus hebben ontdekt: Waarom hebt gij Hem niet meegebracht? zullen de hogepriesters en de farizeeën later aan de officieren
vragen, die mogelijk zelf gevangen genomen zijn of hun baan verloren hebben
vanwege het niet opvolgen van een bevel: Nooit heeft iemand zo gesproken als die
man6, zeiden ze. Het is de gelukzaligheid van
Petrus op de berg Tabor: Rabbi, het is goed dat we hier zijn.7 De ware vreugde is het gejubel van de twee
leerlingen die diep ontmoedigd op weg naar Emmaüs waren, toen zij Jezus
herkenden...8; of de luidruchtige juichkreten van de
apostelen telkens als zij de verrezen Christus zien...9 En temidden van al die vreugde, de blijdschap van Maria: Mijn hart prijst hoog
de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder.10 Zij bezit Jezus volkomen en haar vreugde
is de grootste die een menselijk hart kan bevatten.
Vreugde is de onmiddellijke consequentie van
een zekere volheid van leven. Voor de mens bestaat deze volheid vooral in
wijsheid en liefde.11 In zijn oneindige barmhartigheid heeft God ons in Jezus Christus tot
zijn kinderen gemaakt en tot deelgenoten van zijn natuur, die dé volheid van
leven, oneindige wijsheid, onmetelijke liefde is. Wij kunnen geen grotere
vreugde bereiken dan die welke gegrondvest is op het feit, dat we door de
genade kinderen van God zijn, een vreugde die ook bij ziekte of tegenslag
vermag voort te bestaan: Ik zal u een
vreugde schenken, die niemand u zal kunnen ontnemen12, zo had Heer bij
het Laatste Avondmaal beloofd. Hoe dichter we bij God staan, hoe meer we delen
in zijn liefde en zijn leven. Hoe meer we groeien in het kindschap Gods, des te
groter en tastbaarder zal onze vreugde zijn. Zijn mijn normale karakter en
gedragswijze opgewekt, positief en optimistisch? Verlies ik gemakkelijk mijn
vreugde bij de minste tegenslag of teleurstelling? Laat ik mij dikwijls door
mijn gemoedstoestand leiden?
15.2 Hoe sterk verschilt dit geluk van dàt geluk dat afhankelijk is van
materieel welzijn, van de -zo kwetsbare!- gezondheid en de -zo wisselende!-
gemoedsstemmingen, van de afwezigheid van moeilijkheden of noodlijdendheid...!
Wij zijn kinderen van God en niets mag ons verstoren, zelfs de dood niet.
De heilige Paulus bracht de eerste christenen
van Filippi in herinnering: Verheugt u
in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u!13 En hij gaf hun
terstond de reden: De Heer is dichtbij. Temidden van de moeilijke, soms hardvochtige en agressieve omgeving
waarin ze zich bewogen, gaf de apostel hun het beste geneesmiddel aan: Verheugt u! Dit gebod
van de apostel is opmerkelijk, want toen hij deze Brief schreef, zat hij geboeid in de
gevangenis. En bij een andere gelegenheid, in bijzonder moeilijke omstandigheden,
schrijft hij: Dit doet mij overvloeien
van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden.14 Voor een
authentieke vreugde zijn de omstandigheden die ons omringen nooit definitief of
beslissend, omdat zulk een vreugde gebaseerd is op de trouw aan God, op het
vervullen van onze plicht en op het omhelzen van het kruis. «Hoe is het
mogelijk vreugdevol te zijn bij de ziekte van anderen of van onszelf, tegenover
onrecht of als men zelf onrecht lijdt? Is die vreugde dan niet een bedrieglijke
illusie of een onverantwoorde ontsnappingsklep? Nee! Het is Christus die ons
het antwoord geeft, alleen Christus! Alleen bij Hem vinden we de ware zin voor
ons persoonlijk leven en de sleutel voor de geschiedenis van de mens. Alleen in
Hem -in zijn leer, in zijn verlossend kruis, waarvan de heilskracht aanwezig is
in de sacramenten van de Kerk- zullen jullie altijd de energie vinden om de
wereld beter, menswaardiger -de mens die Gods beeld is-, vreugdevoller te
maken.
»Christus aan het kruis: dat is de enige
authentieke sleutel. Op het kruis aanvaardt Hij het lijden om ons gelukkig te
maken; en Hij leert ons, dat ook wij, met Hem verenigd, een heilswaarde kunnen
geven aan ons lijden, dat aldus verandert in vreugde: in die diepe vreugde van
het offer voor het welzijn van de anderen, en in de vreugde van de boetedoening
voor onze persoonlijke zonden en voor de zonden van de wereld.
»In het licht van het kruis van Christus is er
daarom geen
plaats voor angst om te lijden, omdat we begrijpen dat in het lijden zich de
liefde openbaart: de waarheid van de liefde, van onze liefde voor God en voor
alle mensen.»15
In het Oude Testament had God reeds bij monde
van Nehemia gezegd: Wees niet
bedroefd, want de vreugde die Jahwe u schenkt is uw kracht16: Vreugde is
inderdaad een van onze machtigste bondgenoten om de overwinning te behalen17; een uitstekend
geneesmiddel voor elke kwaal. We kunnen dit grote goed alleen verliezen door
van God verwijderd te raken (door zonde, lauwheid, tegenzin in de omgang met
God, egoïsme en alleen maar aan onszelf denken), of wanneer we het kruis niet
aanvaarden, dat op zo onderscheiden wijzen tot ons komt: pijn, ziekte, falen,
tegenslag, verandering van plannen, vernederingen... Droefheid veroorzaakt veel
schade zowel bij onszelf als in onze omgeving. Het is een schadelijke plant,
die we onmiddellijk moeten uittrekken zodra ze opkomt: Verlicht je ziel en troost je hart; werp somberheid
ver van je af, want somberheid heeft veel mensen vernietigd, en er is geen
voordeel uit te halen.18
In elke omstandigheid die ons terneer dreigt te
drukken, kunnen we onze vreugde terugkrijgen als we ons hart weten te openen:
spreken, ons hart luchten. Wanneer we onze toevlucht nemen tot bidden of met
een berouwvol hart gaan biechten, dan nemen we een daadkrachtige houding aan om
de weg naar de vreugde terug te vinden, vooral als die verloren is gegaan door
de zonde of door een schuldige veronachtzaming van onze omgang met de Heer.
Zichzelf vergeten, niet overdreven bekommerd zijn over onze eigen zaken, kortom
nederigheid, dàt is een onontbeerlijke voorwaarde om ons als goede kinderen
open te stellen voor God; zo'n houding is de basis van elke ware vreugde. In
het vertrouwensvolle gebed -dat is: spreken met God- zullen we een tegenslag -wellicht
de verborgen oorzaak van onze droefheid- leren aanvaarden; of het besluit nemen
onze ziel te openen in de geestelijke leiding -om te vertellen wat ons zorgen
maakt-; of edelmoedig te zijn in hetgeen God van ons vraagt, en dat ons
misschien -vanwege schaarste aan licht in ons binnenste- moeite kost om Hem te
geven.
15.3 Het apostolaat dat God van ons vraagt bestaat grotendeels in het
bezitten van een geweldige overvloed aan bovennatuurlijke en menselijke
vreugde, in het doorgeven van de vreugde dicht bij God te zijn. Als deze
vreugde «zich uitstort over andere mensen, dan verwekt zij daar hoop,
optimisme, impulsen van edelmoedigheid in de dagelijkse vermoeienis, en zal zij
heel de samenleving besmetten.
»Mijn kinderen, -zo zei paus Johannes
Paulus ii-
alleen als je deze goddelijke genade, dus vreugde en vrede, in je hebt, zul je
in staat zijn iets van waarde voor de mensen op te bouwen.»19
Een belangrijk terrein waarop wij veel vreugde
moeten zaaien, is het gezin. Het overheersende kenmerk thuis moet altijd de
glimlach zijn -ook als we moe zijn of zorgen hebben-; dan is die optimistische,
hartelijke, vriendelijke gedragswijze als «de steen die in de vijver valt»20, die een steeds
groter wordende kring veroorzaakt, en díe, op zijn beurt, een nog grotere: zij
schept uiteindelijk een aangename sfeer, waarin het goed samenleven is en zich
spontaan een vruchtbaar apostolaat ontwikkelt met kinderen, ouders, broers,
zussen... Daarentegen verwijdert een nors, intolerant, pessimistisch, in
herhalingen vervallend handelen de anderen van jezelf én van God, roept dit
nieuwe spanningen op en schiet men gemakkelijk tekort in de liefde. De heilige
Thomas zegt dat niemand ook maar één dag een droefgeestig en onaangenaam iemand
kan verdragen; daarom moet iedereen, vanuit een zekere ereplicht, vriendelijk met de anderen
samenleven.21 Het overwinnen van onze gemoedsstemmingen, van vermoeidheid en
persoonlijke zorgen zal altijd een versterving zijn die de Heer zeer
welgevallig is.
Deze vreugdevolle, optimistische, glimlachende
houding, die zijn diepe fundament in ons goddelijk kindschap heeft, dienen we
te verbreiden op ons werk, onder onze vrienden en buren, onder degenen die we
misschien slechts kortstondig in ons leven ontmoeten: de klant die we niet meer
terugzien; de patiënt die, eenmaal genezen, de dokter niet meer wénst te zien;
degene die ons de weg gevraagd heeft... Ze moeten van ons een hartelijk gebaar
ontvangen, en een gebedje tot hun engelbewaarder... En velen zullen in de vreugde
van de christen de weg ontdekken die naar de Heer leidt, die ze op een andere
manier misschien nooit gevonden zouden hebben.
«Hoe zou de blije blik van Jezus geweest zijn!:
dezelfde blijheid die straalde uit de ogen van zijn Moeder, die haar vreugde
niet meer kon inhouden: -'Magnificat anima mea Dominum!' -en haar ziel verheerlijkte
de Heer, omdat zij Hem in zich droeg en naast zich had. -O, Moeder!: moge het
ook onze vreugde uitmaken om bij Hem te zijn en Hem in ons te hebben.»22
Bij haar maken we vandaag een «oprecht
voornemen: de weg voor anderen aantrekkelijk en makkelijk maken, want het leven
brengt uit zichzelf al genoeg bittere ervaringen met zich mee.»23
-1. Vgl. Prov 8,30-31. -2. Vgl. Mt 3,17. -3. Lc 2,10. -4. Vgl. Lc 2,29-30. -5. Mt 2,10. -6. Joh 7,46. -7. Mc 9,5. -8. Vgl. Lc 24,13-35. -9. Vgl. Joh 16,22. -10. Lc 1,46-47. -11. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, q28, a4 e.v. -12. Joh. 16,22. -13. Fil 4,4. -14. 2 Kor 7,4. -15. A. del Portillo, Homilie bij de mis in het
Jubileum van de Jeugd, 12 april 1984. -16. Neh 8,10. -17. Vgl. 1 Mak 3,2. -18. Sir 30,23. -19. Johannes Paulus ii, Toespraak, 10 april
1979. -20. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 831. -21. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q114, a2, ad 2. -22. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 95. -23. Ibidem, 63.
|