Eenendertigste week. Donderdag
25. Vriend van de zondaars
-Zieken hebben een dokter nodig. Jezus is ons
komen genezen. -Het verloren schaap. Gods blijdschap over onze dagelijkse
bekeringen. -Jezus Christus trekt dikwijls uit om ons te zoeken.
25.1 Wij lezen in het evangelie van de mis1, dat tollenaars en
zondaars naar Jezus toekwamen om naar Hem te luisteren. Maar de Farizeeën en schriftgeleerden morden
daarover en zeiden: Die man ontvangt zondaars en eet met hen.
Wanneer we het leven van de Heer overwegen, kunnen
we heel helder zien hoe dit zijn absolute onkreukbaarheid aantoont. Meer nog,
Hij zelf zal aan zijn aanklagers vragen: Wie van u kan aantonen dat Ik zonde gedaan heb?2 en «heel zijn
leven lang strijdt Hij tegen de zonde en tegen alles wat zonde veroorzaakt, te
beginnen met de Satan, die de aartsleugenaar is... (vgl. Joh 8,44).»3
Deze strijd die Jezus tegen de zonde en tegen
de diepste wortels daarvan voerde, verwijderde Hem niet van de zondaar. Eerder
integendeel, het brengt Hem dichter bij de mensen, tot ieder mens. In zijn
aardse leven toonde Jezus zich altijd buitengewoon nabij aan hen die in de ogen
van anderen voor 'zondaars' doorgingen of het ook werkelijk waren. Het
evangelie laat ons dat in heel wat passages zien; zozeer zelfs dat zijn
vijanden Hem betitelden als vriend van
tollenaars en zondaars.4
Zijn leven is een voortdurende toenadering tot degene die naar de ziel genezen
moet worden. Hij trekt uit om hen die hulp nodig hebben te gaan zoeken, zoals
Zacheüs, in wiens huis Hij zichzelf uitnodigde: Zacheüs, klim snel naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te
gast zijn.5 De Heer
verwijdert zich niet, maar gaat op zoek naar degenen die het verste weg zijn.
Daarom aanvaardt Hij de uitnodigingen en benut Hij de omstandigheden van het
sociale leven om bij hen te zijn van wie men niet bepaald zou kunnen zeggen,
dat zij hun hoop op het Rijk Gods gevestigd hadden. Marcus wijst ons erop hoe meteen
na de roeping van Matteüs een groot
aantal tollenaars en zondaars met Jezus en zijn leerlingen aan tafel aanlag.6 En wanneer de Farizeeën hierover
morren, geeft Jezus ten antwoord: Niet
de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken...7 Daar bij die mensen gezeten die wel heel ver van God
verwijderd leken, toont Jezus zich menselijk op de meest innige wijze. Hij gaat
niet van hen weg; integendeel, Hij zoekt omgang met hen. De meest verheven
uiting van deze liefde voor degenen die in de moeilijkste situatie verkeren,
had plaats op het ogenblik dat Hij zijn leven voor allen gaf op Calvarië. Maar
op die lange weg tot het kruis is zijn bestaan een voortdurende uiting van
belangstelling voor iedereen, die tot uitdrukking komt in die ontroerende
woorden: De Mensenzoon is niet gekomen
om gediend te worden maar om te dienen...8 Om allen te dienen: de mensen van goede wil die meer
bereid zijn de leer van het Koninkrijk te ontvangen, maar ook de mensen die te
verhard lijken om Gods woord te horen.
Onze overweging van vandaag moet ons vertrouwen
in Jezus doen toenemen, des te meer naarmate onze noden groter zijn; met name
als we soms onze eigen zwakheid nadrukkelijk voelen: Christus is dan ook
dichtbij. Evenzo zullen we vertrouwvol bidden voor hen die van de Heer
verwijderd zijn, die onze ijver om hen tot God te doen naderen niet
beantwoorden en zelfs nog verder weg lijken te raken. «Oh, wat is het hard wat
ik U vraag: dat Gij hem liefhebt die U niet liefheeft, dat Gij opendoet voor wie
U niet roept, dat Gij gezond maakt wie graag ziek is en ziekte loopt te
zoeken!»9
25.2 Jezus Christus bevond zich voortdurend
tussen de mensenmenigte; Hij liet zich zelfs door hen belagen, ook al was de
avond reeds gevallen10, en heel vaak gunden zij
Hem geen rust.11 Zijn leven was geheel en al
overgegeven aan zijn broeders, de mensen, met zulk een grote liefde, dat Hij
uiteindelijk zijn leven voor allen zal geven.13
Hij is verrezen om onze
rechtvaardiging14; Hij steeg op ten hemel om
een plaats voor ons te bereiden15; Hij zendt ons zijn Geest om ons niet verweesd achter te laten.16 Hoe meer wij in nood verkeren, des
te grotere aandacht heeft Hij voor ons. Deze barmhartigheid overtreft elke
menselijke berekening en maatstaf; zij is «het eigene van God, en daarin
openbaart zich het krachtigst zijn almacht.»17
Het evangelie van de heilige Mis gaat verder
met die wonderschone gelijkenis, waarin de zorg van Gods barmhartigheid voor de zondaar tot uitdrukking
komt: Wanneer iemand onder u
honderd schapen heeft en er één van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig
in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, legt hij het op
zijn schouders, gaat naar huis, roept zijn buren en vrienden bij elkaar
en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt,
heb ik gevonden. «Het toppunt van barmhartigheid -zo
legt de heilige Gregorius de Grote uit- laat ons zelfs niet in de steek,
wanneer wij Hem in de steek laten.»18 De goede
herder beschouwt nooit ook maar één van zijn schapen als definitief verloren.
Ook hier wil de Heer zijn onmetelijke
blijdschap uitdrukken, de blijdschap van God bij de bekering van de zondaar.
Een goddelijke vreugde die iedere menselijke logica te boven gaat. Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn
over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die
geen bekering nodig hebben. Het is te vergelijken
met een kapitein in het leger die meer achting heeft voor een soldaat die in oorlogstijd
eerst gevlucht is, maar daarna terugkeerde en dapperder de vijand aanvalt, dan
voor die andere soldaat die nooit op de vlucht is geslagen, maar ook nooit
enige moed getoond heeft -aldus het commentaar van de heilige Gregorius de
Grote. Zo heeft een boer veel liever een stuk land waarop eerst doornen
groeien, maar dat daarna een overvloedige oogst schenkt, dan een akker die geen
doornen heeft, maar ook nooit een overvloedige oogst geeft.19 Het is de vreugde van God, wanneer we weer opnieuw
op weg gaan, wellicht na kleine mislukkingen in die doelstellingen waarin we
bekering van node hebben: strijden om de ruwheid van karakter te overwinnen;
optimisme in elke omstandigheid, de moed niet verliezen, want wij zijn kinderen
van God; goede besteding van de tijd bij studie en werk, door op de
vastgestelde tijd te beginnen en te eindigen en nutteloze of minder belangrijke
telefoontjes af te schuiven; ijver om een gebrek uit te roeien; edelmoedigheid
in de gebruikelijke kleine versterving... Het is de dagelijkse inspanning om
«afdwalingen» te vermijden die ons, al is het niet in ernstige mate, van de
Heer verwijderen.
Telkens als we weer, elke dag, opnieuw
beginnen, vervult ons hart zich met vreugde, en dat gebeurt ook in het Hart van
de Meester. Telkens als we Hem toelaten en Hij ons kan ontmoeten, zijn wij Gods
vreugde in de wereld. Het Hart van Jezus «loopt over van blijdschap, wanneer
het de ziel heeft teruggewonnen die Hem was ontsnapt. Allen moeten in zijn
blijdschap delen: de engelen en uitverkorenen in de hemel, en ook de
rechtvaardigen op aarde moeten zich verheugen over de gelukkige terugkeer van
één enkele zondaar.»22 Verheugt u met Mij...,
zegt Hij tot ons. Eveneens heerst er bijzondere vreugde, wanneer wij een vriend
of bloedverwant tot het sacrament van vergeving hebben gebracht, want daar
wachtte Jezus met open armen op hem.
Zoals een oude kerkelijke hymne zingt: Zoekend zijt Gij moegelopen / Wilt door het kruis
mijn ziel vrij kopen / Niet vergeefs, zo wil ik hopen.21
25.3 En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders...
Jezus Christus trekt dikwijls uit om ons te
zoeken. Hij, die tot in volle diepte de boosheid en het wezen van de belediging
van God kan meten, komt naar ons toe; Hij weet hoe lelijk en kwaadaardig de
zonde is, en toch «komt Hij niet vertoornd: de Rechtvaardige biedt ons het meest
ontroerende beeld van de barmhartigheid [...]. Tot de Samaritaanse, die vrouw die
zes mannen had, zegt Hij heel eenvoudig, en via haar tot alle zondaars: Geef me wat te drinken
(Joh 3,4-7). God ziet wat deze ziel kan zijn, hoeveel schoonheid -het beeld van
God zelf-, welke mogelijkheden, zelfs welk een 'restant aan goedheid' in het
leven van zonde, als een onuitsprekelijke maar allerwerkelijkste bron van
hetgeen God van haar wil.»22
Jezus treedt de zondaar met achting en
tederheid tegemoet. Zijn woorden zijn steeds de uitdrukking van zijn liefde
voor iedere ziel. Ga heen en zondig
van nu af niet meer23, is zijn enige waarschuwing aan de
overspelige vrouw die op het punt stond om gestenigd te
worden. Heb goede moed, mijn zoon, uw
zonden zijn u vergeven24, zal Hij tot de lamme zeggen die door zijn vrienden tot bij Jezus was
gebracht na ontelbare eerdere pogingen. Vlak voor zijn sterven zal Hij aldus
tot de Goede Moordenaar spreken: Voorwaar,
Ik zeg u: heden nog zult ge met Mij zijn in het paradijs.25 Woorden van vergeving, van vreugde
en beloning. Wisten we toch maar, met hoeveel liefde Christus in elke biecht op
ons wacht! Konden we maar begrijpen hoeveel belang Hij eraan hecht, dat wij
terugkeren.
Zo groot is het ongeduld van de goede herder,
dat hij niet afwacht om te zien of het verdwaalde schaap uit zichzelf naar de
stal terugkeert, maar dat hij zelf uittrekt om het te zoeken. Als het eenmaal
gevonden is, zal geen ander schaap zoveel aandacht krijgen als juist dit schaap
dat verloren was geraakt; het valt immers de eer te beurt op de schouders van
de herder te liggen. Terug in de schaapstal en «nadat de verbazing is geluwd,
is het werkelijk dat 'meer' aan warmte dat het de kudde schenkt, die welverdiende
rust van de herder, zelfs het stilzwijgen van de schaapherdershond die maar een
keer, in een droom, opschrikt en wakker geworden vaststelt, dat het schaap zo
mogelijk nog dieper slaapt tussen de andere.»26
De zorg en aandacht van de goddelijke barmhartigheid voor de berouwvolle
zondaar zijn overstelpend.
Zijn vergeving bestaat niet alleen in het
vergeven en voor altijd vergeten van onze zonden. En dat zou al veel zijn; door
de vergeving van de schulden wordt bovendien de ziel herboren tot een nieuw leven,
of wordt dat nieuwe leven als het reeds bestond groter en krachtiger. Hetgeen
dood was wordt een bron van leven; wat harde grond was, is nu een boomgaard met
onvergankelijke vruchten.
In deze evangeliepassage toont de Heer ons
hoeveel een enkele ziel voor Hem waard is, want Hij is bereid zoveel middelen
aan te wenden, opdat de ziel niet verloren gaat; en Hij toont ons zijn
blijdschap als iemand opnieuw vriendschap met Hem sluit en zich onder zijn
schutse stelt. Diezelfde belangstelling dienen wij te bezitten, opdat de ander
niet afdwaalt en, als hij ver van God is, terugkeert.
-1. Lc 15,1-10. -2. Joh 8,46. -3. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie 10
februari 1988. -4. Vgl. Mt 11,18-19. -5. Vgl. Lc 19,1-10. -6. Vgl. Mc 2,13-15. -7. Vgl. Mc 2,17. -8. Mc 10,45. -9. H. Teresia van
Avila, Uitroepen, nr. 8. -10. Vgl. Mc 3,20. -11. Vgl. Ibidem. -12. Vgl. Gal 2,20. -13. Vgl. Joh 13,1. -14. Vgl. Rom 4,25. -15. Vgl. Joh 14,2. -16. Vgl. Joh 14,18. -17. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, II-II, q30, a4. -18. H. Gregorius de
Grote,
Homilie 36 over de evangelies. -19. Vgl. Idem, Homilie 34 over de evangelies. -20. Vgl. G. Chevrot, L'évangile en plein air, Paris 1949. -21. Sequentie Dies
Irae. -22. F.
Sopeña, La
Confesión, bl. 28-29. -23. Joh 8,11. -24. Mt 9,2. -25. Lc 23,43. -26. F. Sopeña, o.c., bl. 36.
|