Tweeëntwintigste week. Vrijdag
8. Vrienden van de bruidegom
-De Heer beschouwt ons als zijn intieme vrienden. -We leren
van Jezus veel vrienden te hebben. De christen staat altijd open voor de
anderen. -Liefde vervolmaakt en versterkt vriendschap.
8.1 Na
de maaltijd die Matteüs de Heer en zijn vrienden aanbood bij gelegenheid van
zijn roeping, kwamen enkele joden bij Jezus en vroegen Hem waarom zijn
leerlingen niet vastten zoals de Farizeeën en de leerlingen van Johannes. En
Jezus antwoordde hun: Kunt gij
soms de vrienden van de bruidegom laten vasten zolang de bruidegom bij hen is?
In een duidelijke verwijzing naar de dood die Hij zou moeten doorstaan, zegt
Hij hun dat er dagen zullen komen,
dat de bruidegom van hen is weggenomen en dan, in die tijd zullen ze vasten.1
Bij de joden was het gebruik de bruidegom te laten begeleiden
door een aantal jongemannen van zijn leeftijd, zijn vrienden, als een erewacht.
Zij werden de vrienden van de
bruidegom2 genoemd en het was hun
taak de persoon die ging trouwen te eren, te delen in zijn vreugde, op
bijzondere wijze deel te nemen aan de vieringen die voor de bruiloft gehouden
werden. Het beeld van de bruiloft verschijnt dikwijls in de Heilige Schrift om
de relatie tussen God en zijn volk uit te drukken.3
Het Nieuwe Verbond van de Messias met zijn nieuwe volk, de Kerk, wordt ook met
hetzelfde beeld beschreven: Johannes de Doper verwees naar Christus als de Bruidegom,
en naar zichzelf als de vriend van
de bruidegom.4
Jezus noemt zijn volgelingen, zijn intieme vrienden, de vrienden van de bruidegom.
Wij worden uitgenodigd om zeer intiem deel te nemen aan de vreugde van het
bruiloftsmaal, dat een beeld is van het grenzeloze geluk van het Koninkrijk der
Hemelen. Bij veel gelegenheden eerde de Heer zijn volgelingen door hen zijn
vrienden te noemen. Op een dag sprak de Meester, terwijl hij zijn hand over
zijn leerlingen uitstrekte, de volgende troostende woorden uit: Ziedaar mijn moeder en mijn broeders.5 En Hij leerde ons dat wie in Hem gelooft en Hem
volgt met daden -zij die de wil
volbrengen van mijn Vader in de hemel- in zijn hart een ereplaats
innemen en met Hem verenigd zijn met banden die sterker zijn dan de banden van
het bloed. Tijdens het Laatste Avondmaal zegt Hij hun met een innemende eenvoud
en oprechtheid: Zoals de Vader Mij
heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. [...] u heb Ik vrienden genoemd, want
Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord.6
De Heer biedt zichzelf aan als voorbeeld van oprechte en
onvoorwaardelijke vriendschap, die iedereen tot zich trekt met grote tederheid
en genegenheid. Zoals de heilige Bernardus zo treffend zegt: «Op dat moment
liet Hij alle tederheid van zijn hart ontsnappen; Hij opende zijn ziel volledig
en daaruit steeg als een onzichtbare wolk de kostbare geur op van een
wonderschone ziel, van een grootmoedig en edel hart.»7
En Hij werd een betrouwbare en bescheiden vriend voor allen. Uit Hem kwam die
aantrekkingskracht voort die de heilige Hiëronymus vergeleek met die van een
krachtige magneet.8
Jezus noemt ons zijn vrienden. Hij leert ons iedereen te
ontvangen, onze gave om vrienden te maken voortdurend uit te breiden en te
ontwikkelen. We leren dit slechts als we vertrouwvol ons hart voor Hem openen
in de intimiteit van ons gebed. «Wil deze wereld van ons een echt katholiek
stempel krijgen -het enige dat de moeite waard is- dan zullen wij ons een
loyale vriendschap met de mensen eigen moeten maken, die gefundeerd is op een
loyale vriendschap met God.»9
8.2 Jezus
had vrienden onder mensen van alle soorten maatschappelijke achtergrond en elke
levenswandel, van alle leeftijden en omstandigheden, van mensen van een hoge
maatschappelijke status, zoals Nikodemus of Jozef van Arimatea, tot bedelaars
als Bartimeüs. In de meeste steden en dorpen ontmoette de Meester mensen die
Hem liefhadden en die hun liefde door Hem beantwoord voelden, vrienden die het
evangelie niet altijd bij naam noemt maar van wie het bestaan kan worden
afgeleid. In Betanië vinden we de zusters van Lazarus, wier vertrouwvol en
tegelijkertijd droevig bericht aan Jezus een bewijs is van de sterke
vriendschapsband die ze met Hem hadden: Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.10 Toen de Meester aankwam in Betanië was Lazarus al
gestorven. En, tot ieders verrassing, begon Jezus te wenen, zodat de joden zeiden: 'Zie eens hoe
Hij van hem hield'. 11 Jezus
huilde om zijn vriend! Hij is niet onverschillig voor het verdriet van zijn
naaste vrienden, noch voor de emotionele ontreddering van iemand die
geconfronteerd wordt met de dood van een innig geliefd familielid. Jezus huilt
stil. Hij, een man, vergiet tranen, en de omstanders zijn verbaasd.
We moeten er nooit genoeg van krijgen te overwegen hoeveel de
Heer van ons houdt: «Jezus is je vriend. -De Vriend. -Met een hart van vlees,
net zoals het jouwe. -Met ogen vol liefde, die huilden om Lazarus... -En Hij
houdt evenveel van jou als van Lazarus.»12
Jezus hield ervan te praten met de mensen die speciaal naar
Hem toekwamen of die Hem onderweg tegenkwamen. Hij gebruikte deze gesprekken,
die vaak begonnen met iets alledaags, om volledig in hun ziel binnen te dringen
en haar te vullen met liefde. Werkelijk niets, geen enkel ding, schuwde Hij
voor zijn doel vrienden te maken en hun de goddelijke boodschap die Hij naar de
aarde gebracht had, te openbaren. Ook wij moeten dit niet vergeten: «In een
gedoopte, in een kind van God, vormen vriendschap en liefde een enkele zaak:
goddelijk licht, dat warmte geeft.»13
We kunnen van Christus
leren veel vrienden te hebben, gebruik te maken van elke gelegenheid van
eenvoudige nabijheid, van werk, studie, toevallige ontmoetingen, bijeenkomsten...
De christen is altijd open voor anderen. Met een vriend deel je het beste wat
je hebt; in ons geval hebben we niets wat vergelijkbaar is met de liefde voor Christus, die met de jaren versterkt is door
zoveel uren van gebed -denk aan alle dingen die we tegen Hem gezegd
hebben!- en zoveel tijd die we bij het Tabernakel hebben doorgebracht.
Apostolisch vuur en de goede sociale vaardigheden die we proberen te
ontwikkelen, moeten ons helpen punten van contact en begrip te vinden met onze
metgezellen, onze cliënten, met alle soorten mensen, terwijl ze ons in staat
stellen de dingen die ons scheiden over het hoofd te zien en te vergeten. We
leren om genadig ons eigen standpunt in onbelangrijke geschillen, die anders
wederzijds vertrouwen en begrip moeilijk zouden maken, te vergeten.
Als we onszelf beschouwen als intieme vrienden van Jezus, is
het logisch dat we alles over vriendschap willen weten en in staat willen zijn,
zoals Hij, diep in de ziel van mensen binnen te gaan. Slagen wij erin de liefde
tot Christus die we in ons hart dragen, over te dragen?
8.3 Een trouwe vriend is een machtige
schutsmuur; wie hem vindt, heeft een schat gevonden. Een trouwe vriend is niet
te betalen: het is een heerlijkheid waar niets tegen opweegt.14 Zo spreekt de Heilige Schrift over de waarde van
vriendschap, en tegelijkertijd leert ze ons hoe we haar moeten opzoeken, hoe we
het middel moeten gebruiken haar te vinden. Als we haar eenmaal gevonden hebben,
moeten we haar koesteren over de grenzen van tijd en afstand, van alles wat
ertoe neigt scheiding te brengen, van verschillende voorkeuren, meningen of
belangen.
Vriendschap vraagt van ons onze vrienden te helpen. «Als je
een of ander gebrek ontdekt in de vriend, corrigeer hem vertrouwelijk.
Correcties doen veel goed en zijn waardevoller dan een stomme vriendschap»15, die stil blijft staan kijken hoe de vriend
verdrinkt. Vriendschap moet volhardend zijn: «We moeten niet van vrienden
veranderen zoals kinderen, die zich heen en weer laten slingeren door de
grillige bewegingen van de sentimentaliteit.»16 Ik zal mij niet schamen een vriend te
beschermen.17 «Verlaat hem niet in
het uur van zijn nood, vergeet hem niet, weiger hem je genegenheid niet, want
vriendschap is de steunpilaar van je leven. Laten we elkanders lasten dragen,
zoals de apostel Paulus ons zegt. Als iemands voorspoed zijn vrienden ten goede
komt, waarom zouden we dan niet op hun hulp rekenen in momenten van tegenslag?
Laten we onze vriend helpen met onze adviezen, laten we onze inspanningen met
de zijne verenigen, laten we zijn beproevingen delen.
»En laten we, als het nodig is, zelfs met grote offers, uit
trouw jegens de vriend steun bieden Misschien moeten we vijandschap verduren om
een onschuldige vriend te verdedigen, en bereid zijn beledigingen te ondergaan
als we proberen degenen die hem aanvallen en beschuldigen, van repliek te
dienen en hun woorden te weerleggen. [...] In tegenspoed wordt de vriendschap
beproefd, want in voorspoed lijkt iedereen trouw.»18
Bovennatuurlijke naastenliefde versterkt en verrijkt
vriendschap. De liefde van Christus maakt ons menselijker; ze stelt ons meer in
staat begrip te tonen en maakt ons meer open voor iedereen. In Christus, de
beste van alle vrienden, leren we een band die misschien aan het verzwakken
was, te versterken, om een belemmering weg te halen, om de neiging in een
toestand van knusse afzondering te geraken te overwinnen. Als we dicht bij
Jezus zijn, leren we een beter mens te zijn, de mensen om ons heen tot
heiligheid te brengen, omdat we hun ons geloof in Hem kunnen aanbieden. Bedenk
maar eens hoeveel mensen door de eeuwen heen gereisd hebben langs het pad van
de vriendschap in het gezelschap van de Heer!
Kijk naar Christus. Je weet goed, dat Hij je tot zijn naaste
vrienden rekent. Wij zijn de
vrienden van de bruidegom, en Hij roept ons om zijn gunst en zijn
bezittingen te delen. De woorden uit het boek van Jezus Sirach over vriendschap
-een trouwe vriend is niet te betalen19- krijgen hun volle betekenis als deze worden
toegepast op Christus: Hij toonde zijn trouw door zijn leven te geven voor elk
van ons. Laten we van Hem leren vriend voor onze vrienden te zijn, en laten we
niet ophouden hun het beste te geven wat we hebben - onze liefde tot Jezus.
-1. Lc 5,33-39.
-2. Vgl. 1 Mak 9,39.
-3. Vgl. Ex 34,16; Jes 54,5; Jr 2,2; Hos 2,18 vv. -4. Joh 3,29. -5. Vgl. Mt 12,49-50. -6. Joh 15,9 en 15. -7. H. Bernardus, Preek over het Hooglied, 31,7. -8. Vgl. H. Hiëronymus, Commentaar op het evangelie van Mattheüs, 9,9.
-9. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 943. -10. Joh 11,3. -11. Joh 11,35-36. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 422. -13. Idem, De Smidse,
565. -14. Sir
6,14-17. -15. H. Ambrosius, Over de plichten van bedienaren, III, 125.
-16. Ibidem. -17. Sir 22,25. -18. H. Ambrosius, o.c., III, 126-127. -19. Sir 6,14.
|