Zesde week. Woensdag
39. VRUCHTEN IN HET APOSTOLAAT
-De prediking van Christus' leer. Het voorbeeld van Paulus
en de eerste christenen. -Zaaien: God geeft de groei. Volharding. -De unieke
rol van de vrouw om te evangeliseren in het gezin.
39.1 De lezing tijdens
de Mis van vandaag laat ons Paulus' apostolische geestdrift zien, in het hart
van de heidense maatschappij. Op de Areopagus te Athene predikte de apostel de
voornaamste elementen van het geloof, afgestemd op de belevingswereld en
onwetendheid van zijn toehoorders, maar zonder het weglaten van fundamentele
waarheden. Hij was er zich van bewust dat zijn leer de inwoners van Athene
vreemd en onacceptabel in de oren klonk, maar hij paste zijn onderricht niet
aan, verwaterde het niet om het zo meer 'begrijpelijk' te maken. Maar toen
zij van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmee, terwijl
anderen zeiden: Daarover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen.1
De heilige Paulus verliet Athene en ging op weg naar Korinte.
Gedurende lange tijd was hij nog onder de indruk van wat zich op de Areopagus
had voorgedaan. Met de woorden van de heilige Johannes Chrysostomus: «de
Atheners voelden wel voor nieuwe zienswijzen, maar het liet hun verder
onverschillig en zij besteedden geen aandacht aan haar inhoud. Ze waren alleen
geïnteresseerd in het nieuwtje om over te praten.»2 Deze gebeurtenis herinnert ons,
christenen van vandaag, eraan, dat ook wij Christus' prediking, de ene Leer die
kan redden, bekend moeten maken. Het is niet echt de meest populaire boodschap
of die het meest 'succesvol' is in menselijke termen, of die het beste past bij
de stemming van de dag, of kleurt bij de smaak van de tijd.
De apostelen predikten het gehele Evangelie, evenals de Kerk
dit door de eeuwen heen heeft gedaan. Paus Benedictus xv doet ons eraan herinneren dat:
«Hetgeen de heilige Paulus predikte was: alle waarheden en voorschriften van
Christus, zelfs de meest veeleisende, zonder iets te verzwijgen of te
verzachten. Hij sprak van nederigheid, van zelfverloochening, van zuiverheid,
van onthechting van aardse goederen, van gehoorzaamheid... En hij was niet bang
om te benadrukken, dat iemand had te kiezen om God te dienen of Belial. Want het
is niet mogelijk om twee heren te dienen. Hij leerde dat iedereen na zijn dood
een streng oordeel moet ondergaan; dat niemand kan afdingen bij onderhandelen
met God; dat alleen degene die Gods geboden onderhoudt, het eeuwige leven kan
verwachten; dat degene die zoekt naar genot door de wetten te overtreden,
alleen eeuwige verdoemenis kan verwachten... Nooit heeft de prediker gedacht deze
zaken van de waarheid weg te laten, omdat ze misschien te hard op zijn publiek
zouden overkomen, in het bijzonder waar het zijn visie op het verval in zijn
tijd betrof.»3 Ook
wij moeten zo handelen.
Degene die Christus verkondigt, moet er rekening mee houden
vaak niet gewaardeerd te zijn, af te zien van 'succes' in menselijke termen,
tegen de stroom op te roeien zonder de meer eisende aspecten van Christus'
onderricht af te zwakken. Aspecten als versterving, oprechtheid en eerlijkheid
waar het beroep en zaken doen betreft, graag kinderen willen krijgen, om kuis en
zuiver te zijn in en buiten het huwelijk, de waarde van maagdelijkheid en het
celibaat in dienst van het Koninkrijk der hemelen... Er is geen ander recept om
onze zieke wereld te genezen. Zoals paus Benedictus xv ook zegt: «Sinds wanneer geeft een
dokter waardeloze medicijnen aan zijn patiënten en is hij bang om de goede voor
te schrijven?»4
Ook voor een wereld, die op vele manieren vervreemd is
geraakt van God en afwijzend aankijkt tegen een christelijke wijze van denken,
gelden deze woorden: «Op alle christenen rust dus de verheven taak om er zonder
ophouden voor te werken, dat de goddelijke heilsboodschap wordt gekend en
aanvaard door alle mensen over de gehele aarde.»5 Allereerst is het onze verplichting om
onze apostolische activiteiten te richten op degenen die God naast ons heeft
geplaatst, degenen met wie wij regelmatig contact hebben. Wij moeten onze
kansen in het apostolaat benutten, Christus' onderricht op een aantrekkelijke
en hartverwarmende manier brengen. We zullen niemand tot het geloof trekken als
we lichtvaardig en onstuimig zijn; wel als we vriendelijk, geduldig en
liefdevol zijn.
39.2 Heel vaak verhoort God onze gebeden en
inspanningen op de meest onverwachte wijze en laat ze vrucht dragen. Zij
zullen zich niet moe maken voor niets6 is de belofte. In de communie van de Mis
van vandaag lezen we deze vertroostende woorden: Niet gij hebt Mij
uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten
voort te brengen, die blijvend mogen zijn.7
Soms vraagt het apostolaat
van ons om te zaaien zonder er vruchten van te zien; andere keren kunnen
wij oogsten, misschien wel datgene wat anderen met hun woorden gezaaid hebben,
of door het stille lijden in een ziekenhuisbed, of door het vervullen van een
saai en niet opzienbarend beroep. Welke het van de twee ook is, God wil dat
zowel de zaaier als de oogster zich samen verheugen.8
Als de vruchten lang op zich laten wachten en we verleid
worden om de waarde van onze inspanningen af te lezen aan het directe
resultaat, moeten we niet vergeten dat er tijden zijn waarin wij het graan niet
zullen zien rijpen, maar dat anderen het zullen oogsten. Wat God van ons
verwacht is dat we onvermoeibaar zaaien, dat we de vreugde ervaren die het
zaaien met zich meebrengt, omdat we er zeker van kunnen zijn dat het zaad,
gezaaid in de voor, op een bepaalde dag zal ontkiemen en vrucht zal dragen. Zo
zullen we voorkomen dat we ontmoedigd raken. Ontmoedigd zijn is vaak een teken
dat we met de verkeerde intentie hebben gezaaid. Wij werken dan niet voor God maar
voor onszelf. Wat wíj niet kunnen voltooien, zullen anderen doen.
Ook moeten we niet proberen onrijpe vruchten te oogsten.
«Laten we de bloem niet vernielen door te proberen haar met onze vingers te
openen. De knop zal zich openen, de vrucht zal rijpen, in het juiste seizoen en
op Gods eigen tijd. Wat ons betreft, laten wij zaaien, planten, begieten, en
dan wachten.»9 Volharding
en geduld zijn belangrijke deugden in het apostolaat. Beide zijn uitdrukkingen
van de deugd van standvastigheid.
De geduldige mens is als de zaaier die de gang van de natuur
respecteert en elke taak op de juiste tijd uitvoert: ploegen, zaaien, begieten,
bemesten, wieden en oogsten. Dit alles moet gebeuren voordat het graan klaar is
en er brood van gebakken kan worden voor de familietafel. De ongeduldige wil
echter het brood eten, vóórdat het graan is gerijpt. Als wij onze strijd tot
heiliging verwaarlozen en anderen niet helpen bij hun heiliging, zullen we geen
vruchten zien. Wie zo handelt, heeft een te menselijke kijk op de dingen en is
in open tegenspraak met de geduldige mensenzoon, Jezus Christus. Hij is bij
machte om dagen en weken en maanden, ja, jaren te wachten op de bekering van
één zondaar. Zielen hebben tijd nodig, en het is niet aan ons om uit te maken
hoeveel precies. Laten wij goed zaaien om vervolgens rustig af te wachten;
laten we God vragen om de kracht van standvastigheid.
39.3 Uit de prediking van Paulus te Athene
ontstond de eerste christengemeenschap in die stad. Sommigen sloten zich bij
hem aan en kwamen tot geloof, onder wie Dionysius de Areopagiet en een vrouw
die Damaris heette, en nog anderen.10 Zij waren het eerste zaad, gezaaid door de
Heilige Geest en velen van hen werden later mannen en vrouwen die Christus
trouw bleven.
Damaris is één van de vele vrouwen die in de bladzijden van
de Handelingen voorkomt. Haar bekering laat de universaliteit van het Evangelie
zien. De apostelen volgden in de voetstappen van Jezus, die zich niet
bekommerde om de vooroordelen van die tijd, en ze hebben de komst van het Koninkrijk
zowel aan vrouwen als aan mannen verkondigd.11
De evangelist Lucas bericht ons, dat de bekering van Europa
begon met een moeder, Lydia, die onmiddellijk bij haar eigen familie ging
evangeliseren en hen allen tot het doopsel leidde.12 Ook bij de Samaritanen was het een
vrouw, die Christus' boodschap voor het eerst hoorde en het later rondvertelde
aan haar buren.13
Het evangelie laat zien, hoe vrouwen Christus volgden en
dienden; hoe ze aanwezig waren aan de voet van het kruis; dat zij de eersten waren,
die naar het lege graf gingen. Bij hen vinden we geen teken van
schijnheiligheid of fout handelen of verraad.
De heilige Paulus had een diep inzicht in de rol die de
christenvrouw als moeder, echtgenote en zuster kon spelen waar het de
verspreiding van de christelijke boodschap betrof. Zijn mening hierover vinden
we terug in zijn prediking en brieven. Enkelen van deze vrouwen zijn in het
bijzonder bekend geworden door de offers die zij brachten om hem te helpen in
zijn evangelisatiewerk.
In alle tijden, vandaag de
dag niet uitgezonderd, spelen christenvrouwen een hoogst belangrijke rol
in het apostolaat en in de overdracht van het geloof. «De vrouw is geroepen om
in het gezin, in de maatschappij en in de Kerk iets in te brengen, dat alleen
haar eigen is en dat alleen zíj maar geven kan: een fijnvoelende tederheid, een
onvermoeibare edelmoedigheid, liefde voor het concrete, scherpzinnigheid, het
vermogen om zich in de gevoelens van een ander te verplaatsen, volharding en
een diepe en eenvoudige vroomheid.»14 De Kerk verwacht van de vrouwen toewijding en getuigenis
van alles wat bijdraagt aan de waardigheid van de menselijke persoon en verder
aan hun ware geluk.
Als deze kwaliteiten, waarmee God de vrouwen heeft begiftigd,
groeien en zich ontwikkelen, dan pas zal «haar leven en haar werk [...] echt
constructief, vruchtbaar en zinvol zijn, onverschillig of ze nu de dag aan de
zijde van haar man en haar kinderen doorbrengt of dat zij, omdat ze
bijvoorbeeld om nobele redenen van het huwelijk heeft afgezien, al haar
krachten in dienst van andere activiteiten stelt.
»Als ze trouw is aan haar menselijke en haar goddelijke
roeping, kan en zal elke vrouw de volheid van de vrouwelijke persoonlijkheid
verwezenlijken. Laten we niet vergeten dat Maria, de Moeder van God en Moeder
van alle mensen, voor ons niet alleen maar een voorbeeld, maar tegelijk een
bewijs is van de transcendentale waarde die een schijnbaar onbeduidend leven
kan hebben.»15 Maria
vragen wij of zij wil bidden voor de vruchten van het werk van de christenvrouw
in haar gezin, in de maatschappij en in de Kerk. Haar vragen wij, dat de Kerk
altijd een rijke overvloed mag hebben van roepingen, van mensen die geheel
toegewijd zijn aan God.
-1. Hnd 17,32. -2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Handelingen
van de Apostelen, 39. -3. Benedictus xv,
Enc. Humanum genus. -4. Ibidem. -5. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam
actuositatem, 3. -6. Jes 65,23. -7. Joh 15,16. -8. Vgl. Joh
4,36. -9. G. Chevrot, Le puits
de Sychar. -10. Hnd 17,34. -11. Vgl. The Navarre Bible, Acts
of the Apostles. -12. Vgl. Hnd 16,14. -13. Vgl. Joh 4,1 e. v.
-14. Gesprekken met Mgr. Escrivá, 87. -15. Ibidem.
|