Negenentwintigste week. Donderdag
7. Vuur ben Ik op aarde komen brengen
-Het vurig verlangen van Christus. -Het
apostolaat midden in de wereld zou zich moeten verspreiden als een haard van
vrede. -De heilige Mis en het apostolaat.
7.1 Zoals iedere ware vriend onthulde de
Heer zijn intiemste gedachten aan zijn vrienden. Hij vertelt hun van zijn ijver
om alle mensen te redden: Vuur ben Ik
op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!1 Hij heeft een
heilig ongeduld om zijn brandoffer aan te steken en op te dragen aan de Vader
op Calvarië in het belang van de mensheid: Ik moet een doopsel
ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is! Aan het kruis werd Gods liefde voor zijn schepselen duidelijk: Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij
zijn leven geeft voor zijn vrienden.2 Wij bewijzen dat wij vrienden van Christus zijn, als wij ons inspannen Hem na te volgen.
De heilige Augustinus zegt naar aanleiding van
deze passage uit het evangelie: «Mensen die in Hem geloven, zijn door zijn vuur
aangestoken. Zij ontvangen de vlam van liefde. Daarom verscheen de Heilige
Geest in deze vorm op Pinksteren: Er
verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder
van hen neerzette (Hnd 2, 3). In vlam gezet door
dit vuur begaven de apostelen zich op weg om over de hele wereld anderen in
vlam te zetten, hun vijanden inbegrepen. Welke vijanden? Zij die God hun
Schepper hadden verloochend door de aanbidding van door mensen gemaakte
afgoden... Het geloof van deze mensen is verstikt onder as. Het is goed voor hen,
dat zij aangestoken worden door deze heilige vlam, zodat zij opnieuw licht
kunnen uitstralen tot eer van Christus.»3 Deze
moeilijke en belangrijke taak om de wereld te doen ontbranden is doorgegeven
aan de huidige christenen. Dit vuur van liefde zal mensen versterken en louteren.
We zullen dit vuur brengen naar de
universiteiten, naar de fabrieken, naar het openbare leven, naar onze eigen huizen... «Als men op verschillende locaties
verspreid over een stad vuren zou aansteken, dan zouden zelfs kleine
vuurhaarden de hele metropool verteren. Op dezelfde manier zou, als men op
allerlei plaatsen de harten van de bewoners in vlam zou kunnen zetten met het
vuur dat Jezus in de wereld heeft gebracht, de welwillendheid van deze mensen
zich spoedig over de hele stad verspreiden en deze doen ontvlammen met de
liefde voor God.
»Het vuur dat Jezus in de wereld heeft
gebracht, is Hijzelf. Het is het vuur van Liefde. Het is de liefde die niet
slechts de ziel met God verenigt maar ook de zielen met elkaar verenigt. In
iedere stad zullen zulke zielen opstaan in gezinnen: vader en moeder, zoon en
vader, moeder en schoonmoeder; in de parochies, in organisaties, scholen,
kantoren, overal... Ieder vlammetje voor God ontsteekt noodzakelijkerwijze andere
vlammen. De goddelijke Voorzienigheid zorgt ervoor, dat deze mensen die in vlam
staan, daar geplaatst worden waar zij de meeste invloed hebben op het gebeuren.
Door hun werking zullen op veel plaatsen op de wereld de gloed van Gods liefde
en hernieuwde hoop weer in ere hersteld worden.»4
7.2 Apostolaat verspreidt zich als een
lopend vuurtje in de wereld. Iedere christen die het geloof serieus beleeft,
wordt een ontbrandingspunt op de werkplek, onder vrienden en kennissen... Maar
dit zal alleen maar plaatshebben, wanneer wij de raad van de apostel Petrus aan
de christenen van Filippi in praktijk brengen: Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Jezus Christus bezielde...5 De apostel «daagt
alle christenen uit om in hun leven zoveel mogelijk de gevoelens uit te dragen
waarvan de goddelijke Verlosser vervuld was, toen Hij zichzelf als een Offer
overleverde. Volg zijn nederigheid na en geef God, de Almachtige, alle aanbidding,
eer, lof en dank.»6 Deze offerande wordt op de
eerste plaats werkelijkheid in de heilige Mis, de onbloedige hernieuwing van
het kruisoffer. Het Tweede Vaticaans Concilie leert met betrekking tot de leken:
«Immers, al hun werken, gebeden en apostolische initiatieven, hun huwelijks- en
gezinsleven, hun dagelijks werk, hun geestelijke en lichamelijke ontspanning,
indien dit alles maar in de geest geschiedt, zelfs de moeilijkheden van het
leven, indien die maar geduldig verdragen worden, worden geestelijke offers die welgevallig zijn aan God
door Jezus Christus (1 Pe 2,5) en die bij de viering
van de eucharistie samen met de offerande van het Lichaam van de Heer zeer
godvruchtig aan de Vader worden opgedragen. Zo wijden ook de leken de wereld
zelf aan God toe door Hem overal door een heilig leven te aanbidden.»7.
Christelijk leven behoort een navolging te zijn
van het leven van Christus, een deelname aan zijn goddelijk Zoon-zijn. Door middel van deze wijze van leven
zullen wij van Jezus leren, hoe wij met anderen moeten omgaan. Toen
Jezus de menigte zag, werd Hij door medelijden bewogen want zij waren als schapen zonder herder.8 Het leven had
geen betekenis voor hen. Jezus had medelijden met deze mensen. Zijn liefde was
zo groot dat Hij zijn eigen leven voor hen en voor ons aan het kruis prijsgaf.
Dit is de goddelijke liefde die ook onze harten mag vervullen. Dan zullen wij
ook medelijden hebben met onze medemensen, die misschien van de Heer zijn
afgedwaald. Met de hulp van de genade en onze oprechte vriendschap kunnen wij
deze mensen hopelijk terugbrengen naar de Meester.
In de heilige Mis wordt een toenemende stroom
van goddelijke liefde van de Zoon naar de Vader overgebracht door de Heilige
Geest. De volgeling van de Heer deelt in deze liefde, daar hij of zij met
Christus verenigd is. De christen breidt deze liefde dan uit naar anderen en
naar alle aardse zaken, die hierdoor geheiligd worden en gemaakt tot een
passend offer aan God. Ons apostolaat behoort zijn wortels in de Mis te hebben
en daaruit zijn kracht te putten. Want het apostolaat is niets anders dan de
realisatie in onze tijd van de verlossing, door middel van christenen met een
apostolische geest. «Jezus kwam op aarde om alle mensen vrij te kopen, omdat
Hij wil, dat alle mensen gered worden (1 Tim 2,4). Er is geen mens ter wereld in wie Christus geen
belang stelt. Ieder mens heeft Hem de prijs van zijn bloed gekost (Vgl.
1 Pe 1,18-19).»9 Als wij werkelijk het
voorbeeld van de Heer navolgen, kunnen wij nooit onverschillig staan ten
opzichte van wie dan ook.
7.3 Wanneer een christen deelneemt aan de
heilige Mis, behoren zijn gebeden op de allereerste plaats voor zijn broeders
en zusters in het geloof te zijn. De christen zal zich steeds meer met hen verbonden
voelen in het levensbrood en in de kelk van
het eeuwige heil. Dit is het ogenblik om voor iedereen te bidden, vooral
voor degenen die dit het meest nodig hebben. Wij kunnen groeien in de geest van
liefde en broederschap «omdat de eucharistie ons allen verenigt. Daarom gaan
wij als familie met elkaar om. De eucharistie verenigt Gods kinderen tot één
familie die nauw verbonden is met Christus en met elkaar.»10
Na deze bijzondere ontmoeting met de Heer
zullen wij dezelfde vreugde ervaren als de zieken voelden in Palestina, nadat
zij door Jezus genezen waren. Zij waren zo verrukt over dit teken van Gods
medelijden, dat zij door de steden en dorpen van Palestina trokken. Wanneer de
christen bij de heilige Mis de Communie ontvangt, zal hij deze wonderbaarlijke
ervaring met anderen willen delen. Iedere ontmoeting met de Heer brengt deze
vreugde met zich mee, evenals de behoefte er met anderen over te praten. Op
deze wijze groeide het christendom zo snel in de eerste jaren. Het verspreidde
zich als een vuurzee van vrede en liefde, die niemand kon blussen.
Laten wij besluiten ons leven op de heilige Mis
te concentreren. Dan zullen wij gedurende de hele dag vrede en rust vinden. Wij
zullen het verlangen hebben, dat ook onze vrienden de rijkdom van dit sacrament
kennen. «Als wij de heilige Mis goed beleven, zullen wij de rest van de dag dan
niet doorbrengen met aan God te denken, ervoor te zorgen, dat wij bij Hem
blijven, te werken zoals Hij, te beminnen zoals Hij? Dan zullen wij leren de
Heer te danken voor zijn fijngevoeligheid, waardoor Hij zijn aanwezigheid niet
heeft willen beperken tot het ogenblik van het misoffer, maar bij ons heeft
willen blijven in de heilige Hostie in het tabernakel.»11
Het tabernakel zou voor ons een Betanië moeten
zijn, «een rustige en vreedzame plaats waar Christus is, waar wij Hem kunnen
vertellen over onze beslommeringen, ons lijden, onze hoop en onze vreugde, even
eenvoudig en natuurlijk als zijn vrienden Marta, Maria en Lazarus daarover
spraken.»12 Wij zullen in het tabernakel de kracht
vinden die wij nodig hebben om het werk van de Heer te doen. Laten wij,
verenigd met vele christenen13, de uitroep van
de Heer herhalen: Vuur ben Ik op aarde
komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait! Dit is het vuur van de goddelijke liefde dat vrede en blijdschap
brengt voor de mensen, voor de gezinnen en voor de maatschappij als geheel.
-1. Lc 12,49. -2. Joh 15,13. -3. H. Augustinus, Commentaar op Psalm 96,6. -4. Vgl. Ch. Lubich, Meditaties, Nijmegen 1983. -5. Fil 2,5. -6. Pius xii, Enc. Mediator Dei, 20
november 1947,22. -7. Vaticanum ii,
Lumen gentium, 34. -8. Mt 9,36. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 256. -10. Ch. Lubich, La Eucaristía, Madrid 1977, bl. 78. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 154. -12. Ibidem. -13. Vgl. A. Vázquez de Prada, El Fundador del Opus Dei, bl. 17,110,115,470.
|