Eenentwintigste week.
Donderdag
61. WAAKZAAMHEID EN NAASTENLIEFDE
-Het geestelijke leven vereist voortdurende waakzaamheid.
-De eerste christenen. De 'wachtdag'. -Wat moeten we doen op die dag.
61.1 Het hele evangelie is een oproep aan ons om waakzaam te blijven,
oplettend en op wacht voor de vijand die nooit slaapt, terwijl we wachten op de
komst van de Heer. Dat beslissende moment, wanneer we voor God moeten komen met
onze handen gevuld met de vruchten van een christelijk leven, zal komen als we
het het minst verwachten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer
komt, lezen we in het evangelie van vandaag.1 Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk
uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet
laten inbreken.
Voor de christen die wakker blijft, zal de laatste dag niet
komen als een dief in de
nacht2; er zal geen paniek of
verwarring zijn, want elke dag zal een ontmoeting met God geweest zijn in de
eenvoudige en dagelijkse zaken van het leven. De heilige Paulus vergelijkt de
waakzaamheid met de 'statio' of waakplicht van een goed gewapende schildwacht
die zich niet bij verrassing zal laten overvallen.3
Hij spreekt vaak over het christelijk leven als een leven van op wacht staan,
als een soldaat in actieve dienst.4 Ook de
christen leeft matig en wordt niet gemakkelijk verrast door de vijand, want hij
is wakker, door gebed en versterving.
De Heer waarschuwt ons op vele manieren, in verschillende
parabels, voor onachtzaamheid, zorgeloosheid en halfslachtige liefde. Een
liefhebbend hart is een waakzaam hart, zowel over zichzelf als over anderen,
want God verwacht van ons ook dat wij waken en op wacht staan voor hen die
speciaal met ons verenigd zijn door de banden van geloof, van bloed of van
vriendschap.
Wanneer de Heer spreekt over de komst van de dief in de nacht,
waarover we vandaag lezen in het evangelie, leert Hij ons, onszelf niet toe te
staan afgeleid te worden van de grote onderneming van onze verlossing. Hij wil
niet dat wij over waakzaamheid denken als louter iets negatiefs; waken betekent
niet alleen wakker blijven uit angst voor wat er kan gebeuren als we in slaap
vallen. Waken «betekent alert zijn, op je qui vive; het betekent onze nek uit
het raam steken in de hoop dat je de eerste zult zijn om te kunnen uitroepen:
'Kijk! Hij komt!'»5 Waken betekent vooruitkijken
met vreugde naar de komst van de Heer. Het betekent met al onze kracht ernaar
streven alle mensen die aan onze zorg zijn toevertrouwd, en daarnaast nog vele
anderen, naar Jezus te brengen. Dankzij de gemeenschap van de heiligen zijn wij
als de schildwacht die alarm slaat als hij de vijand ontdekt, of de uitkijk die
vol verwachting uitziet naar de aankomst van zijn Meester om het goede nieuws
aan allen te vertellen. Ons voorbeeld is die voorzichtige dienaar die belast is
met het beheer over het landgoed van zijn Meester en die, terwijl hij zijn
terugkeer verwacht, zijn tijd besteedt «door zo snel mogelijk honderd kleine
werkzaamheden te verrichten; er is altijd wel een kamer die gestoft moet
worden, een vloer die geboend moet, een vuur aangemaakt in deze of gene kamer,
zodat het volledige huis de Meester zal lijken te verwelkomen, wanneer hij binnenstapt.
Ieder van ons heeft werk te doen; ieder van ons moet geïnspireerd worden om dat
beter te doen, vooral als het eruitziet alsof we niet veel tijd hadden om het
te doen.»6
Om te waken, om alert te zijn moeten we onze slaperigheid en
lauwheid overwinnen. We dit doen door te vechten om de dingen die we in de
geestelijke leiding horen, in praktijk te brengen, door een duidelijk bepaald
'bijzonder gewetensonderzoek' te hebben en door ijverig te zijn in ons
dagelijks 'algemeen gewetensonderzoek'.
61.2 De eerste christenen onderhielden het nieuw gebod 7 van de Heer zo goed dat de heidenen
hen konden herkennen aan hun liefde voor elkaar en aan hun innemend gedrag in
het algemeen. Hun naastenliefde drukte zich uit in hun zorgen voor elkaars
noden en, in tijden van problemen, door al hun broeders en zusters te helpen
standvastig te blijven in het geloof. Onder hen bestond een gewoonte die
Tertullianus de 'statio' noemde8, een term uit
het leger die 'op wacht staan' betekent: twee keer per week vasten en boete
doen met het doel zich voor te bereiden om de heilige eucharistie te ontvangen
met een grotere zuiverheid van de ziel, en bidden voor hen die in nog groter
gevaar of grotere nood waren. We weten bijvoorbeeld dat de heilige Fructuosus
vastte op de dag dat hij de marteldood stierf, omdat het zijn 'statio' was,
zijn 'wachtdag'.9 Andere vroegchristelijke
documenten geven ons meer informatie over deze zaken.
De Heer verwacht van ons dat wij op een bijzondere wijze
naastenliefde beoefenen bij degenen met wie we verbonden zijn door de banden
van ons gemeenschappelijk geloof: «'Zie hoe ze elkaar liefhebben en bereid zijn
te sterven voor elkaar', zeggen de heidenen [...]. Wat betreft de term
'broeders' waarmee we elkaar aanspreken, vormen zij zich een verkeerd idee
[...]. Door de wet van de natuur, onze gemeenschappelijke moeder, zijn zij ook
onze broeders, maar met hoeveel meer reden noemen wij broeders degenen die God
erkennen als onze gemeenschappelijke Vader, die dezelfde Geest van heiligheid
inzuigen, die, voortgekomen uit dezelfde schoot van onwetendheid, in
verwondering staren naar hetzelfde licht van de waarheid!»10
Als we lijden vanwege de armoede van de mensheid, hoezeer
moeten we dan niet een waakzame naastenliefde hebben voor hen die onze eigen
idealen delen! Het kan ook voor ons een hulp zijn, net zoals dat voor de eerste
christenen was, om een vastgestelde dag in de week te hebben waarop we nog meer
oplettend zijn voor de noden van onze broeders en zusters in het geloof, door
hen te helpen met nog vuriger gebed, met een nog grotere geest van
boetedoening, met meer tekenen van waardering dan ooit, en met een
vriendelijkere broederlijke terechtwijzing. Dat betekent vooral waakzaam te
zijn in onze naastenliefde voor de mensen jegens wie we grotere plichten
hebben, zoals de schildwacht die het kamp bewaakt, zoals de alerte uitkijk die
waakt voor de nadering van de vijand.
«Custos,
quid de nocte? - Wachter, waakzaamheid! Ik hoop dat jij er ook
een gewoonte van maakt om in de loop van de week een dag van extra
'waakzaamheid' te houden: om jezelf meer te geven, om met een nog grotere
liefdevolle waakzaamheid iedere kleinigheid te verrichten en om iets meer te
doen aan gebed en versterving.
»Denk eraan dat de heilige Kerk als een groot leger in
slagorde is. En jij verdedigt in dit leger een 'front', waar aanvallen
plaatshebben, gevechten, tegenaanvallen... Begrijp je?
»Naarmate je God dichter nadert, zul je door die geesteshouding
je dagen stuk voor stuk meer tot waakdagen maken.»11
61.3 Zet een wachter uit, die moet
melden wat hij ziet, zegt de profeet Jesaja. Ontwaart hij strijdwagens, met
paarden bespannen, een legertros met ezels en kamelen, dan moet hij scherp,
zeer scherp toezien. De wachter roept: De hele dag sta ik op de wachttoren,
Heer, en alle nachten blijf ik trouw op mijn post.12 De schildwacht waakt voortdurend, dag en nacht,
voor de Babylonische aanvallers die alles zouden wegvagen en er hun eigen
afgoden neerzetten. De schildwacht is waakzaam om zijn volk te redden. Zo
moeten wij zijn.
Ook wij kunnen, zoals de eerste christenen, als een hulp voor
waakzaamheid en sterkere broederschap, één dag in de week hebben waarop we
speciaal denken aan de noden van anderen. Op die dag moeten we met bijzondere
nadruk zeggen: Cor meum
vigilat, mijn hart is wakker.13
Wij allemaal hebben elkaar nodig, we kunnen allemaal elkaar helpen. In feite
profiteren we voortdurend van de geestelijke goederen van de Kerk, van al het
gebed, alle offers, al het goed verrichte en aan God opgedragen werk, alle
lijden van zieke mensen overal. Op ditzelfde moment is iemand, ergens, voor ons
aan het bidden, en onze ziel wordt nieuw leven ingeblazen door de
edelmoedigheid van mensen die we misschien niet kennen, of van iemand die heel
dicht bij ons staat maar van wie we het niet verwachten. Op de dag dat we in
Gods aanwezigheid zullen treden op het moment van het bijzondere oordeel,
zullen we eindelijk de totale waarde zien van alle inspanning die ons bij vele
hachelijke gelegenheden overeind hield, en die bij andere gelegenheden ons
hielp om een beetje dichter bij de Heer te komen. Als we gelovig zijn, zullen we
dan ook met ongeremde vreugde de werkzaamheid aanschouwen van al onze eigen
offers, inspanningen en gebeden, in de levens van onze broeders en zusters in
het geloof, inclusief de dingen die we voor hen deden en op dat moment
misschien zonder gevolg en van weinig waarde leken. Misschien zullen we ook de
zielen zien die gered werden dankzij onze gebeden en verstervingen en onze
werking in hun leven.
Alles wat we doen heeft zijn weerslag en heeft een niet te
gissen uitwerking op het leven van anderen. Deze overweging zou ons ertoe
moeten bewegen onze plichten trouw te vervullen, door onze arbeid aan God op te
dragen, met devotie te bidden, in de wetenschap dat onze arbeid, onze ziekte en
onze gebeden, nauw verbonden met het gebed en het offer van Christus, dat
dagelijks op het altaar vernieuwd wordt, een krachtige steun vormen voor allen.
Soms zal de hulp die we kunnen aanbieden één van de fundamentele beweegredenen
zijn van onze trouw aan God, om steeds maar weer opnieuw te beginnen, om
edelmoedig te zijn in versterving. Dan kunnen we ons het gebed van de Heer
eigen maken: pro eis
sanctifico ego meipsum, omwille van hen heilig Ik Mij.14 Dit is voor ons de beweegreden om nog eens te
beginnen, om deze taak af te maken, om die versterving te doen. Jezus zal met
bijzondere genegenheid op ons neerkijken en zal ons niet van zijn zijde laten
wijken. Weinig dingen behagen Hem meer dan mensen die aandacht schenken aan
zijn broeders, die ook onze broeders zijn.
Deze waakzame naastenliefde, deze 'wachtdag', helpt iedereen.
«Frater qui
adiuvatur a fratre quasi civitas firma. De broeder die geholpen wordt
door zijn broeder, is zo sterk als een ommuurde stad. -Denk een
ogenblik na en neem het besluit, die broederlijkheid in praktijk te brengen die
ik je altijd aanbeveel.»15
De wachtdag... Een dag die meer vervuld moet zijn van
naastenliefde, van goed voorbeeld, van vele eenvoudige diensten aan allen en
kleine verstervingen die het leven voor anderen aangenamer maken; een dag
waarop we onszelf afvragen of we degenen die dat nodig hebben, helpen met
broederlijke vermaning; een dag waarop we vaker onze toevlucht nemen tot Maria,
«haven van de schipbreukelingen, troost van de wereld, losprijs van de
gevangenen, vreugde van de zieken»16, door de
rozenkrans te bidden, door bij haar de persoon aan te bevelen van wie we weten
dat hij op dat moment wat speciale hulp nodig heeft.
-1. Mt 24,42-52. -2. 1 Tes 5,2. -3. Vgl. 1 Tes 5,4-11. -4. Vgl. J. Precedo, El cristiano en la metáfora castrense de San Pablo,
Rome 1963. -5. R.A.
Knox, A Retreat for Lay People -6. Ibidem, bl. 45-46. -7. Vgl.
Joh 13,34.
-8. Vgl. A.G. Hamman, Het dagelijks leven van de
eerste christenen. -9. Vgl. Martelaarschap van de heilige Fructuosus, in Akten van de martelaren.
-10. Tertullianus, Apologeticus, 39.
-11. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 960. -12.
Jes 21,6-8.
-13. Hoogl
5,2. -14. Vgl. Joh
17,19. -15. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 460. -16. H. Alfonsus van Liguori, Bezoeken aan het heilig sacrament,
2.
|