Elfde week door het jaar. Vrijdag
35. Waar is je hart?
-Het gezin, «de eerste geëigende omgeving om het zaad van
het evangelie te zaaien.» -Fijngevoelige aandacht voor hen die God onder onze
hoede heeft gesteld. -De nodige tijd aan hen wijden; dit heeft prioriteit boven
andere belangen. Bidden in het gezin.
35.1 De Heer adviseert ons geen
schatten op aarde te verzamelen, omdat ze niet lang blijven bestaan, want ze
zijn broos en vergankelijk: mot en worm verteren ze, of dieven breken in en
stelen ze.1 Hoeveel we ook verzamelen tijdens
ons leven, het is nauwelijks de moeite waard. Niets op aarde is het waard, dat
we daaraan absoluut ons hart verpanden. Ons hart is voor God gemaakt en, in
Hem, voor alle goede en edele dingen op deze aarde. Het is heel nuttig voor ons
allemaal, ons dikwijls de vraag te stellen: Waaraan geef ik mijn hart? Wat is
nu eigenlijk mijn schat? Waaraan denk ik gewoonlijk? Is het God, aanwezig in
het tabernakel, misschien op korte afstand van waar ik woon of van het kantoor
waar ik werk? Of is het daarentegen mijn zaak, mijn studie of mijn werk dat de
eerste plaats inneemt..., of zijn het misschien onbevredigde zelfzuchtige dromen,
of het verlangen naar meer bezit? Veel mannen en vrouwen zouden, als ze eerlijk
waren, zich wellicht verplicht voelen te antwoordden: Ik denk aan mijzelf...
ja, alleen aan mijzelf, en aan andere mensen en dingen, voor zover ze met mijn
eigen belang te maken hebben. Maar wij willen ons hart gericht houden op God,
op de zending die we van Hem ontvangen hebben, en op andere personen en dingen
omwille van Hem. Jezus zegt ons met zijn oneindige wijsheid: Verzamelt u schatten in de hemel, waar ze niet door mot vergaan
en waar dieven niet inbreken om te stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook
uw hart zijn.
Ons hart is verpand aan de Heer, omdat Hij de echte en absolute
schat is. Niet gezondheid of prestige, of ons welzijn mag onze schat zijn...
alleen Christus. En omwille van Hem neemt onze schat, op geordende wijze, alle
andere nobele aspiraties en verplichtingen op van een normale christen, van een
christen die zich op grond van een goddelijke roeping hier in de wereld
geplaatst weet. Heel in het bijzonder wenst de Heer, dat wij ons hart in dienst
stellen van de leden van onze eigen menselijke of bovennatuurlijke familie, zij
die gewoonlijk degenen zijn die we op de eerste plaats naar God moeten leiden,
en die de eerste realiteit vormen die we moeten heiligen.
De zorg voor anderen helpt de mens zich te ontrukken aan zijn
egoïsme, te groeien in edelmoedigheid en bijgevolg de ware vreugde te vinden.
Wie weet dat hij door de Heer geroepen is om Hem van nabij te volgen, ziet niet
langer zichzelf als het middelpunt van het heelal, omdat hij velen gevonden
heeft om te dienen in wie hij de hulpbehoevende Christus herkent.2
Het voorbeeld van de ouders of de broers en zussen thuis, is
heel dikwijls van definitieve waarde voor de andere leden van het gezin, die
ervan leren de wereld te bezien vanuit een christelijk gezichtspunt. Overeenkomstig
de wil van God is het gezin van zo groot belang, dat «het evangelisatiewerk van
de Kerk daar begint.»3 Het is «de eerste
geëigende omgeving om het zaad van het evangelie te zaaien, en waar ouders en
kinderen, als levende cellen, het christelijk ideaal van de dienst aan God en
de broeders en zusters, steeds meer in zich opnemen.»4
Het is een schitterende plaats voor apostolaat. Laten we vandaag onderzoeken of
ons gezin inderdaad zo is, of we als zuurdesem zijn dat, dag na dag, beetje bij
beetje, degenen die samen met ons leven verandert. Laten we nagaan of we
inderdaad vaak de Heer bidden voor de roeping van onze kinderen, of van onze
broers en zussen, en zelfs voor de roeping van onze ouders, opdat ze mogen
toegroeien naar een volledige overgave aan God; want dit is de grootste genade
die de Heer hun kan geven, de echte en kostbare schat die velen van hen met
onze hulp kunnen vinden.
35.2 Waar onze eigen schat is,
daar zijn liefde, overgave en de beste offers. Om die reden zouden we grote
waarde moeten hechten aan de persoonlijke roeping die ieder van ons ontvangen
heeft, en aan de mensen met wie we dagelijks omgaan, die de onmiddellijke
begunstigden zijn van deze schat van ons. Het is immers moeilijk te houden van
iets of iemand die men weinig waardevol vindt. Verder zou de Heer niet een
soort liefde willen die de prioriteit ontzegt aan hen die hij onder onze hoede
heeft gesteld, hetzij door natuurlijke hetzij door bovennatuurlijke
verwantschap, omdat zulk een liefde ongeordend en onwaarachtig zou zijn.
Het gezin is de basis en het voornaamste onderdeel van de
maatschappij, waarop God het krachtigst kan steunen. Het is misschien ook dat
deel van de maatschappij dat van alle kanten de meeste aanvallen te verduren
krijgt: er worden belastingen geheven die de waarde van het gezin miskennen;
zekere politiek gemotiveerde trends in de opvoeding zijn strijdig met de goede
vorming van de kinderen; materialisme en hedonisme bevorderen een mentaliteit
tegen het leven zelf; een vals gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid; en,
sociale programma's die er de oorzaak van zijn, dat moeders te weinig tijd
hebben om voor hun kinderen te zorgen. Velen hebben uit het oog verloren, dat
ouders het recht hebben hun eigen kinderen op te voeden en zo, als gevolg van
een extreme staatsbemoeienis met de opvoeding, afstand hebben gedaan van een
elementair recht, dat nooit opgegeven zou mogen worden. Soms wordt
-gedeeltelijk te wijten aan deze passiviteit- een bepaald soort onderwijs
opgelegd, dat gedomineerd wordt door een materialistische visie op de mens. In
deze methodes wordt, door de didactische en pedagogische aanpak, door de
gebruikte tekstboeken, door werkschema's, leerplannen en schoolmateriaal,
opzettelijk de geestelijke natuur van de menselijke ziel terzijde geschoven.
Ouders moeten zich ervan bewust zijn, dat geen aardse macht
hen kan ontslaan van de verantwoordelijkheid die God hun heeft gegeven ten
aanzien van hun kinderen. En állen hebben wij, op verschillende manieren, van
God de zorg voor anderen gekregen: aan de priester zijn de zielen toevertrouwd;
de leraar heeft zijn leerlingen; en op soortgelijke wijze hebben velen de
verantwoordelijkheid om geestelijke vorming aan andere mensen te geven. Niemand
zal namens ons tegenover God antwoorden, als ons gevraagd wordt: Waar zijn
degenen die Ik u heb toevertrouwd? Maar ieder van ons zal moeten kunnen
antwoorden: Niemand van hen die Gij mij gegeven hebt liet
ik verloren gaan.5 Want, Heer, wij wisten
hoe wij, met uw genade, gebruik moesten maken van alle, gewone en buitengewone
middelen zodat niemand zou afdwalen.
Wij allen moeten in staat zijn om, ten aanzien van degenen
die aan ons werden toevertrouwd, te zeggen: Cor meum
vigilat -Mijn hart is waakzaam. Dit is de inscriptie op een van de vele
Mariabeelden in de stad Rome. De Heer wil dat we zorg dragen voor alle zielen,
maar in de eerste plaats voor die welke Hij ons heeft toevertrouwd.
De Heer vraagt om een aandachtige liefde, een liefde die in
staat is te bemerken, dat misschien iemand zijn verplichtingen jegens God
verwaarloost, en die hem dan liefdevol tracht te helpen; een liefde die ons
bewust maakt, dat iemand anders bedroefd is en geïsoleerd van zijn vrienden,
zodat we meer aandacht en zorg aan hem besteden. Iemand anders zouden we
wellicht vriendelijk en liefdevol kunnen helpen om te gaan biechten, en daarop
nadrukkelijker aandringen als het juiste moment gekomen is. Een waakzaam hart
merkt het op, wanneer er in een christelijk huis gewoontes 'binnendringen' die
daar niet passen, bijvoorbeeld dat er naar de televisie gekeken wordt zonder
voorafgaande selectie of, te vaak; dat de gesprekken zelden over meer dan
banale onderwerpen gaan; dat er geen atmosfeer van werkzaamheid is of van oprechte
zorg voor de anderen. Het waakzame hart is er dan op gericht het goede
voorbeeld te geven, zonder het geduld te verliezen, en het probleem op te
lossen door meer gebed en meer details van genegenheid, vragend op voorspraak
van de heilige Jozef, dat we sterk en standvastig mogen zijn, vervuld van naastenliefde
en menselijke sympathie. En in het geval dat iemand ziek wordt, verdubbelen
degenen die waakzaam zijn hun inzet, omdat ze geleerd hebben dat de zieken Gods
lievelingen zijn, en dat degene die nu lijdt, de schat in huis is; hij wordt
geholpen zijn ziekte op te dragen, een gebed te bidden, en zijn pijn wordt zo
veel mogelijk verminderd, want de echte genegenheid neemt de pijn weg of
verlicht ze; op zijn minst wordt het een 'andere', makkelijker te dragen pijn.
35.3 Laten we vandaag in onze
gebed overwegen of het gezin, of degenen die aan onze zorg zijn toevertrouwd,
de plaats in ons leven innemen die God verlangt, en laten we bezien of ons hart
echt waakzaam over hen is. Hierin ligt, naast onze eigen roeping, inderdaad een
schat die duurt tot in het eeuwige leven. Andere schatten die ons vroeger zo
belangrijk toeschenen, worden nu wellicht in een juister perspectief gezien en
beginnen hun charme te verliezen. Misschien ontdekken we, dat een gebrek aan
zuivere mening ze heeft weggevreten, of dat het toch maar namaakschatten waren,
goud voor dwazen, van mindere waarde.
Een echt gezinsleven leiden betekent zeer vaak, tijd vrij
maken ten gunste van anderen; tijd hebben voor gezinsfeesten, tijd om te praten,
te luisteren, te begrijpen, samen te bidden... Het is niet voldoende een heel
algemeen welwillende, maar onzichtbare genegenheid te koesteren: ze moet goed
merkbaar zijn, en groeien. Daarvoor dienen we ons serieus in te spannen en te
bidden; de vereiste menselijke deugden te beoefenen en onszelf te vergeten. Het
is geenszins tijdverspilling ons de vraag te stellen: waarvoor of voor wie leef
ik? Welke belangen vervullen mijn hart?
In deze tijd, waarin de aanvallen op het gezin zich hebben
vermenigvuldigd, is de beste manier om het gezin te verdedigen de echt
menselijke genegenheid, -waarbij we rekening houden met onze eigen fouten en
die van anderen-, en het God op een aangename wijze in huis tegenwoordig
stellen. Dit kunnen we doen door te bidden bij de maaltijden, door samen met de
kleinste kinderen het avondgebed te bidden, door met de oudere kinderen een
passage uit het evangelie te lezen, en door een kort gebed te bidden voor de
overledenen en voor de intenties van de paus en van het gezin. Laten we de
heilige rozenkrans niet vergeten, het gebed dat de pausen zo warm hebben
aanbevolen om vaak in het gezin te bidden, en dat zoveel genade doet neerdalen.
Af en toe zullen we kunnen bidden tijdens een reis, of op een moment dat past
in de tijdsplanning van het gezin. En dit hoeft niet altijd aan het initiatief
van moeder of oma overgelaten te worden, want ook vader of de oudere kinderen
kunnen een prachtige bijdrage leveren aan deze aangename taak. Veel gezinnen
hebben de goede gewoonte bewaard om op zondag samen naar de kerk te gaan.
De vroomheidsoefeningen in het gezin hoeven niet noodzakelijkerwijs
talrijk of te lang zijn, maar het zou onnatuurlijk wezen als er helemaal geen
zouden plaats vinden in een huis waar allen of bijna allen belijdende gelovigen
zijn. Het zou raar zijn, als zij zich individueel als gelovige christenen
zouden beschouwen, en de oprechtheid van hun geloof geen weerslag zou vinden in
hun gezinsleven. Van ouders die met hun kinderen bidden is gezegd, dat zij
gemakkelijker de weg vinden die naar hun harten leidt. En de kinderen vergeten
nooit de hulp die ze van hun ouders gekregen hebben om te spreken met God, en
in alle omstandigheden hun toevlucht te nemen tot onze lieve Vrouw. Hoe velen
hebben de poorten van de hemel bereikt, dankzij de gebeden die ze van de lippen
van hun moeder of van hun grootmoeder of oudere zus hebben geleerd.
Aldus verenigd, met grote onderlinge genegenheid en een vast
geloof, zijn de gezinnen beter en daadkrachtiger in staat aanvallen van
buitenaf te weerstaan. En als op een bepaald moment lijden of ziekte komen, dan
zijn deze gemakkelijker te dragen, en worden ze aanleiding om tot een nog
grotere eenheid en tot een dieper geloof te komen.
De heilige Maagd, onze moeder, zal ons leren dat onze schat
gelegen is in de roeping van de Heer, met alles wat ze inhoudt, en in ons eigen
huis, in onze familiekring, in degenen met wie God ons leven op verschillende
wijzen heeft willen verbinden.
In het Hart van Jezus zullen we zijn mateloze
liefde6 vinden. Laten we proberen ons
hart gelijkend aan zijn Hart te maken.
-1. Vgl. Mt 6,19-21. -2. Vgl.
Kard. F. Koenig, Past.
brief over het gezin, 23 maart 1977. -3. Johannes
Paulus ii, Toespraak, Guadalajara
(México), 30 januari 1979. -4. Idem,
Toespraak tot de bisschoppen van Venezuela, 15
november 1979. -5. Joh 18,9. -6. Romeins Missaal, gebed over de gaven in het hoogfeest van
het Heilig Hart van Jezus.
|