Tweeëntwintigste zondag door het jaar (B)
2. Ware zuiverheid
-Zuiverheid van de ziel. -Zuiverheid in het dagelijks leven.
-Ons hart onbevlekt houden. De rol van regelmatig biechten.
2.1 De
heilige Marcus, die zijn evangelie in de eerste plaats voor bekeerlingen uit
het heidendom schreef, geeft als hulp aan de lezer in verschillende passages
uitleg over bepaalde joodse gewoonten, de waarde van munten enzovoort, zodat
het onderricht van de Heer beter begrepen zou kunnen worden. In het evangelie
van vandaag1 vertelt hij ons, dat de joden, en
vooral de Farizeeën, niet eten [...]
zonder zich eerst de handen te hebben gewassen met een handvol water, daar ze
vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen; komen ze van de markt, dan
eten ze niet, voordat zij zich gereinigd hebben; zo zijn er nog andere dingen
waaraan ze bij overlevering vasthouden: het afwassen van bekers, kruiken en
koperen vaatwerk.
Deze zuiveringen werden niet eenvoudigweg om hygiënische
redenen of uit beschaafdheid verricht; ze hadden namelijk een religieuze
betekenis, want ze symboliseerden de morele zuiverheid om tot God te naderen.
In psalm 24, die deel was van de liturgische ritus wanneer men de tempel van
Jeruzalem binnenkwam, wordt gezegd: Wie mag dan bestijgen de berg van de Heer, wie mag staan in zijn heilig
domein? Die rein is van handen en zuiver van hart.2 Zuiverheid van hart blijkt een voorwaarde om tot God
te mogen naderen, om deel te nemen aan zijn aanbidding en zijn gelaat te
aanschouwen. Maar de Farizeeën gingen niet verder dan het zuiver uiterlijke
niveau en vergrootten zelfs de gecompliceerdheid van de riten, terwijl ze hun
fundamentele aspect veronachtzaamden, namelijk zuiverheid van hart, waarvan al
het overige louter teken en symbool was.3
Bij deze gelegenheid waren de schriftgeleerden en Farizeeën
die naar Jeruzalem waren gekomen, verrast dat sommigen van Jezus' leerlingen
met ongewassen handen aten, en ze vroegen aan de Heer: Waarom gedragen uw leerlingen zich niet volgens de overlevering
van de voorvaderen, maar eten zij met onreine handen? De Heer
reageerde scherp op deze lege en formalistische houding en zei: huichelaars, gij laat het gebod van God
varen en houdt vast aan de overlevering van mensen. Ware
zuiverheid -het 'rein zijn van handen' volgens psalm 24- betekent meer dan
'gewassen handen'. Het moet beginnen in het hart, want uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze
gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid,
bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.
Alle daden van de mens hebben hun oorsprong in zijn hart; en als dat niet
zuiver is, dan is de hele persoon onzuiver.
Zinnelijkheid, dat wil zeggen de hoofdzonde van de begeerte,
laat een diep litteken achter op de ziel. Maar dit is niet de enige
manifestatie van onzuiverheid: daartoe behoort ook het buitensporig verlangen
naar materiële goederen, de houding die iemand ertoe brengt anderen uit te
buiten, te intrigeren, afgunstig of verbitterd te zijn; en ook de neiging om
alleen aan zichzelf te denken en anderen buiten te sluiten; en innerlijke
luiheid, de oorzaak van dagdromen en fantasieën die de aanwezigheid van God en
toewijding op het werk ondermijnen. Ons uiterlijke gedrag wordt gekleurd door
onze innerlijke gesteldheid. Veel uiterlijke fouten tegen de naastenliefde
kunnen herleid worden tot gevoelens van lichtgeraaktheid of ergernis die
krachtig afgewezen hadden moeten worden, zodra ze voor het eerst de kop
opstaken.
Wat Jezus afwijst is de mentaliteit achter al deze
voorschriften; ze waren op dat moment hun oorspronkelijke doel volledig
kwijtgeraakt. In plaats daarvan leert Hij ons die zuiverheid te beminnen,
waardoor wij in staat zijn God te zien in ons dagelijks leven. Hij heeft ons zo
vaak gezegd dat Hij wil heersen in onze gevoelens, te allen tijde bij ons wil
zijn, een nieuwe betekenis wil geven aan al wat we doen. Laten we Hem vragen
ons hart altijd zuiver te houden van deze buitensporige neigingen.
2.2 De
zuiverheid van ziel die de Heer vraagt van zijn volgelingen is zeker niet
gewoon een zaak van uiterlijk vertoon. Van ons wordt niet verwacht dat we onze
handen en borden wassen en ons hart onzuiver laten. Zuiverheid van de ziel
-kuisheid, op het gebied van de zinnelijkheid, en oprechtheid in onze andere
gevoelens en neigingen- moet echt naar waarde geschat en in blijdschap gezocht
worden, waarbij we onze inspanning steeds baseren op Gods genade. Deze
innerlijke zuiverheid -voorwaarde voor alle liefde- is het gevolg van een
levenslange, vreugdevolle en aanhoudende strijd die niet verflauwt dankzij het
dagelijks gewetensonderzoek dat dient om niet te vervallen in houdingen en
gedachten die de ziel van God en de anderen scheiden. De innerlijke zuiverheid
is ook de vrucht van de liefde voor een veelvuldige, goed volbrachte biecht,
waarin God ons zuivert en vervult van zijn genade en wij ons hart schoon
wassen.
Innerlijke zuiverheid brengt een versterking en groei van de
liefde met zich mee, en ook de verheffing van de mens tot de waardigheid
waartoe hij geroepen is. De mens is zich steeds meer bewust van zijn
waardigheid4, wat in contrast staat met de grote
regelmaat waarmee hij haar vaak lijkt te veronachtzamen. «Het menselijk hart
blijft vandaag de dag dezelfde aandriften voelen die Jezus aanwees als de
oorzaak en wortel van onzuiverheid: egoïsme in al zijn vormen, kwaadwillige
bedoelingen, lage motieven die zo dikwijls het gedrag van de mens inspireren.
Het lijkt echter dat we op dit moment in de geschiedenis getuige zijn van iets
-de degradatie van de menselijke liefde en een wereldwijde golf van onkuisheid
en zinnelijkheid- wat, vanwege ernst en omvang ervan, tot nu toe niet
voorgekomen is. Deze verlaging van de mens heeft
uitwerking op de kern van zijn wezen, de hele essentie van zijn
persoonlijkheid, en moet, gezien de wereldwijde verspreiding ervan,
beschouwd worden als een verschijnsel dat in de geschiedenis zijn weerga niet
kent.»5
Met de hulp van de genade, waarop we altijd kunnen rekenen
als we Gods werkzaamheid in onze ziel niet belemmeren, is het onze christelijke
plicht om met het voorbeeld van ons leven en met ons woord te laten zien dat
kuisheid wezenlijk is voor iedereen, mannen en vrouwen, volwassenen en
jongeren, en dat iedereen de kuisheid moet beoefenen volgens de condities van
de staat waartoe God hem geroepen heeft; «ze is een vereiste van de liefde, een
dimensie van haar innerlijke waarheid in het hart van de mens»6, en zonder haar zou het niet mogelijk zijn God of
onze medemens te beminnen.
De trouw aan onze verplichtingen als mannen en vrouwen die
Christus volgen, de sterkte en het onontbeerlijke gezonde verstand moeten ons
ertoe brengen bezonnen te handelen en gelegenheden te vermijden die schadelijk
zijn voor de gezondheid van de ziel en de integriteit van het geestelijke
leven. We moeten onze zintuigen te allen tijde beschermen. Indien noodzakelijk
moeten we vermijden af te stemmen op bepaalde TV- of radioprogramma's. Als de
gelegenheid zich voordoet, moeten we weigeren mee te doen aan gesprekken die
indruisen tegen de waardigheid van de aanwezigen, en zoveel als mogelijk
proberen zo'n gesprek een andere wending te laten nemen. In de manier waarop we
ons kleden, in persoonlijke verzorging, in de sport, kunnen we niet
onverschillig staan tegenover decorum en zedigheid. We kunnen ons niet vertonen
op plaatsen die ongepast zijn voor een goed christen, ook al zijn ze in de mode
of gaan de meesten van onze vrienden erheen. Soms ligt het misschien op onze
weg ongecompliceerd krachtig bezwaar te maken tegen onfatsoenlijk gedrag. Het
kan geen kwaad te bedenken dat het woord 'obsceen' afkomstig is uit het Grieks
en Romeins theater, en verwees naar de -met name lichamelijke- intimiteiten in
het leven die 'niet op het podium vertoond moeten worden', uit respect voor het
publiek. Zelfs die heidense beschaving, die overigens zeer permissief was in
haar morele normen, begreep dat er dingen zijn die niet in de openbaarheid
thuishoren.
Het zal misschien niet altijd makkelijk zijn als goede
christenen te leven in een omgeving die de morele koers in het leven kwijt geraakt
is. Van de andere kant heeft de Heer ons nooit een gemakkelijke weg beloofd,
maar wel de genade die noodzakelijk is om te overwinnen. Zich laten meeslepen
door menselijk opzicht, of door vrees buitenissig te lijken, en zich dan maar
aanpassen aan 'heidense vanzelfsprekendheid', zou een blijk zijn van een
zwakke, laag-bij-de-grondse persoonlijkheid en vooral van weinig liefde voor de
Meester.
2.3 Helemaal
in de diepten van het menselijk hart wil de Heilige Geest de bron van een nieuw
leven doen opwellen die beetje bij beetje de hele mens doordrenkt. Een van de
noodzakelijke elementen in deze activiteit -en tegelijkertijd een van de
vruchten van het innerlijke leven- is de deugd van de zuiverheid, en van
kuisheid in het bijzonder7: zuiverheid is in het
Nederlands en in andere talen hetzelfde gaan betekenen als kuisheid, ofschoon
zuiverheid in zichzelf een ruimere betekenis heeft.8
Deze christelijke zuiverheid, kuisheid, is altijd een glorie geweest van de
Kerk en een van de duidelijkste tekens van haar heiligheid. Ook nu zijn er, net
zoals in de tijd van de eerste christenen, veel mannen en vrouwen die een leven
van celibaat of maagdelijkheid leven omwille van het Rijk der hemelen9, midden in de wereld maar zonder werelds te zijn; en
er zijn zeer veel christelijke echtparen, vaders en moeders van gezinnen, die
een kuis en heilig leven leiden in de gehuwde staat. Zowel de eerst- als de
laatstgenoemden zijn getuigen van dezelfde christelijke liefde die zich
onderscheidt naar ieders roeping, want, zo leert de Kerk, «huwelijk en
maagdelijkheid of celibaat zijn twee manieren om het ene mysterie van Gods
verbond met zijn volk uit te drukken en te beleven.»10
Wij allen, ieder in de staat waartoe hij geroepen is
-alleenstaand, gehuwd, weduwe of weduwnaar, priester-, vragen God vandaag om
ons een hart te geven dat edel en schoon is, vol vriendelijkheid jegens alle mensen
en in staat hen allen tot God te brengen; in staat tot een grenzeloze goedheid
jegens degenen die tot ons komen, misschien innerlijk bloedend, die onze hulp
zoeken en er soms om smeken, om hen te helpen boven water te blijven. Een
schietgebed dat ons misschien nu kan helpen, en bij vele gelegenheden, is het
gebed dat de liturgie met Pinksteren richt tot de Heilige Geest: Was wat vuil is en onrein, / overstroom
ons dor domein, / heel de ziel die is gewond. / Maak weer zacht wat is
verstard, / koester het verkilde hart, / leid wie zelf de weg niet vond.
11
En samen met de smeekbede, een krachtdadig voornemen om te
doen wat nodig is om te zorgen, dat ons hart nooit misvormd wordt, niet alleen
door onzuivere gedachten en verlangens, maar ook doordat we niet in staat zijn
snel te vergeven. Laten we besluiten geen enkele wrok of grief te koesteren
jegens iemand om wat voor reden dan ook; laten we met al onze kracht proberen
afgunst en nijd te vermijden, en alle dingen die de ziel bezoedelen en haar
verdrietig en eenzaam achterlaten. Laten we houden van het sacrament van boete
en verzoening, waarin ons hart steeds weer meer gezuiverd wordt en vergroot om
goed te doen.
En als we het moeilijk vinden om tot dat sacrament te
naderen, kunnen we rekenen op de hulp van onze Moeder de maagd Maria, die vol
van genade is vanaf het eerste moment van haar conceptie; zij zal ons leren hoe
we sterk moeten zijn en ons hart zuiver houden, vol liefde voor haar Zoon.
-1. Mc
7,1-8. -2. Vgl. Ps
24,3-4. -3. Vgl. Johannes
Paulus ii, Algemene audiëntie, 10 december 1980. -4. Vgl. Vaticanum ii, Verklaring Dignitatis humanae, 1. -5.
J. Orlandis, Las ocho bienaventuranzas, bl. 114-115. -6. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 3
december 1980. -7. Vgl. S. Pinckaers, La quête du bonheur. -8.
Vgl. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 10
december 1980. -9. Mt
19,12. -10. Johannes Paulus ii, Familiaris consortio, 16.
-11. Vgl. Romeins Missaal, Zondag
van Pinksteren, sequentie.
|