Zevende week. Donderdag
58. WAT TELT, IS NAAR DE HEMEL GAAN
-De enige kwestie in
het leven die van belang is, is het bereiken van de hemel. Afbreken of
rechtzetten wat ons afhoudt van ons uiterste doel. -Het bestaan van de hel. De
duivel heeft geen afstand gedaan van de zielen die nog op aarde ronddolen. De
heilige vreze Gods. -Een werktuig zijn tot heil van velen.
58.1 Onder alle verworvenheden van het leven is er maar een werkelijk
noodzakelijk: het doel bereiken, dat God zelf voor ons gesteld heeft, de hemel.
Om dat te bereiken moeten wij al het andere opgeven, en alles verwijderen dat
de weg verspert, hoe waardevol en aantrekkelijk het er ook maar uitziet. Alles
moet ondergeschikt zijn aan het enige doel van ons leven: God bereiken. Als
iets geen hulpmiddel daartoe is, maar een belemmering, zullen wij dat moeten
verbeteren of loslaten. Het eeuwig heil -van onszelf en van de naaste- komt op
de eerste plaats. Dat zegt de Heer in het evangelie van de mis:1 Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze
af... Geeft uw voet u aanleiding tot zonde, hak hem af...
Geeft uw oog u aanleiding tot zonde, ruk het uit... het
is beter verminkt, kreupel of halfblind het Rijk Gods binnen te gaan, dan [...] in de hel te worden geworpen,
waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt. Het is beter zich iets onontbeerlijks te ontzeggen, zoals een hand,
een voet, een oog, dan het rijk der hemelen, het absolute goed, met de
verheerlijkte aanschouwing van God voor eeuwig te verliezen. Des te meer als
het -zoals gewoonlijk- gaat om iets waarvan men met een beetje goede wil af kan
zien, zonder dat iemand er ernstig last van heeft.
Met deze zo sprekende beelden leert de Heer ons
de verplichting alleen al het risico Hem te beledigen uit de weg te gaan en de
zware plicht de naaste gelegenheid tot zonde
te vermijden, want wie het gevaar bemint, komt erin om.2 Alles wat ons naar de zonde trekt, moet energiek
buiten geworpen worden. Wij mogen geen spelletje spelen
met ons heil en ook niet met dat van de naaste.
Vaak -en voor een gelovige die God in alles wil
behagen, is dat normaal- zullen het niet erg belangrijke obstakels zijn die wij
uit de weg moeten ruimen, maar misschien kleine grillen, gebrek aan matigheid
in dingen waarin de Heer versterving vraagt, gebrek aan zelfbeheersing,
overdreven bezorgdheid over de gezondheid of over ons welzijn... Min of meer
gebruikelijke tekortkomingen -dagelijkse zonden, waar echter meer rekening mee
gehouden moet worden- die het tempo vertragen en iemand kunnen laten struikelen
of van kwaad tot erger doen vervallen.
Als wij niet benepen strijden, als wij het doel
van het leven duidelijk voor ogen houden, zullen wij trachten deze hinderpalen
met hardnekkigheid te verwijderen, zodat wij er geen last meer van hebben en
zelfs veranderd worden in hulpmiddelen. Dat
deed de Heer vaak bij zijn apostelen: van de overhaaste onstuimigheid
van Petrus maakte hij de sterke rots, waarop de Kerk gegrondvest zou worden;
van het bruuske ongeduld van Johannes en Jakobus, zij werden «zonen van de
donder» genoemd, maakte Hij de apostolische toewijding van onvermoeibare
predikers; van het ongeloof van Tomas een ondubbelzinnig getuige van zijn
goddelijkheid. Wat eerst een hinderpaal was, werd veranderd in een grote hulp.
58.2 Het leven van de christen moet een ononderbroken weg naar de hemel
zijn. Alles moet ons helpen onze passen niet te laten afdwalen van dit pad:
verdriet en blijdschap, werk en ontspanning, succes en mislukking- Zoals wij
ons bij belangrijke onderhandelingen en in ondernemingen van grote omvang de
kleinste details in de gaten houden en bestuderen, zo moeten wij op dezelfde
wijze optreden in de belangrijkste onderneming, die van onze redding. Aan het
eind van onze doortocht over deze aarde zullen wij voor slechts één keuze komen
te staan: of de hemel, na een verblijf in het vagevuur als wij gelouterd moeten
worden, of de hel, de plaats van het
onuitblusbare vuur, waarover de Heer zo dikwijls
uitdrukkelijk heeft gesproken.
Als de hel niet een werkelijk bestaand iets zou
zijn, en als er niet een evenzeer reële mogelijkheid zou zijn, dat de mensen
daarin zouden eindigen, zou Christus het bestaan ervan niet met zoveel
duidelijkheid geopenbaard hebben. Hij zou ons niet zo vaak gewaarschuwd hebben
met de woorden: weest waakzaam! De duivel wil nog steeds iedere mens in het verderf storten, elke man
en elke vrouw, die over deze wereld pelgrimeert naar zijn laatste eind. Hij
heeft van niemand afstand gedaan, ongeacht de plaats die hij bezet of de
zending die hij van God gekregen heeft.
Het bestaan van een eeuwige straf, bestemd voor
hen die slecht handelen en in staat van doodzonde sterven, werd al in het oude
testament geopenbaard.3 In het nieuwe testament spreekt Jezus over de straf die de duivel en
zijn trawanten bereid is4, waarin ook zullen lijden de slechte dienstknechten die de wil van hun
heer niet vervulden5, de dwaze maagden die bij de komst van de bruidegom aangetroffen
werden zonder de olie van hun goede werken6, zij die aanwezig waren bij het
huwelijksmaal zonder bruidskleed7, diegenen die hun broeders en zusters zwaar beledigd hadden8 of hen niet
wilden bijstaan in stoffelijke en geestelijke nood...9 De wereld wordt
vergeleken met een akker waarop tarwe en onkruid gelijkelijk opgroeien tot de
tijd gekomen is waarop de Heer de sikkel opneemt en de oogst binnenhaalt,
waarbij hij de tarwe opbergt op zijn graanzolder en het onkruid overlaat aan
een vuur dat niet uitdooft.10
De hel is niet een soort symbool om de moraal
wat op te vijzelen, een beeld dat vroeger in de verkondiging gebruikt werd,
toen de mensen minder ontwikkeld waren. Het is een realiteit die Jezus ons
voorhoudt om te leren kennen. Triest genoeg is het een objectieve werkelijkheid
die Hij ons -zoals wij in het evangelie van vandaag lezen- voorhoudt met het
gebod alles, hoe belangrijk ook, achter te laten om niet voor altijd verloren
te gaan. Het is een geloofswaarheid die bestendig door het leergezag bevestigd
is. Het tweede Vaticaans concilie verwijst ernaar bij de behandeling van het
eschatologisch karakter van de Kerk: «Wij moeten voortdurend waken [...] om niet
zoals de slechte en luie knechten (vgl. Mt 26,26) te worden weggeworpen in
het eeuwige vuur (vgl. Mt 25,41) in de duisternis buiten, waar geween is en tandengeknars».11 Het bestaan van
de hel is een geloofswaarheid die door het Leergezag van de Kerk vastgelegd is.12
Het zou een grove dwaling zijn dit
transcendentale thema niet bij tijd en wijle te overwegen of erover te zwijgen
in onze verkondiging, het godsdienstonderricht of in het persoonlijk
apostolaat. «Zonder haar essentiële, bijzondere en universele boodschap ernstig
te verminken kan de Kerk ook niet een blijvende catechese achterwege laten over
[...] de vier uitersten van de mens: dood, oordeel (bijzonder en algemeen), hel
en hemel. In een culturele context die de neiging heeft de mens in zijn min of
meer geslaagde aardse aangelegenheden op te sluiten, vraagt men aan de herders
van de Kerk een catechese die met de zekerheid, die het geloof ons geeft, de
weg opent en verlicht naar wat er na dit leven komen zal. Voorbij de
mysterieuze poorten van de dood tekent zich een eeuwige vreugde af in het
samenzijn met God, of een eeuwige straf wanneer wij van Hem gescheiden zijn.»13 De Heer wil dat
wij gedreven woorden door de liefde maar, gegeven de zwakte van de mens als
gevolg van de erfzonde en de persoonlijke zonde, heeft Hij ons willen duidelijk
maken waar de zonde toe leidt, opdat wij een extra drijfveer zouden hebben ons
daarmee niet in te laten: de heilige vreze Gods, de vrees ons af te zonderen
van het oneindige Goed, van de werkelijke Liefde. De heiligen hebben de
bijzondere openbaringen die God hun deed over het bestaan van de hel en de omvang
en eeuwigheid van zijn straffen, steeds als een groot goed ervaren: «Het was
een van de grote gunsten die God mij verleend heeft -schrijft de heilige
Theresia- omdat het mij gesterkt heeft, zowel wat betreft het verliezen van de
vrees voor de troebelen van dit leven, als voor het vinden van kracht om ze te
verdragen en de Heer te danken die mij bevrijd heeft van, naar het mij lijkt,
verschrikkelijke en nooit eindigende kwellingen.»14
Laten wij vandaag in dit gebed zien of er in
ons leven iets is, al is het maar klein, dat ons afhoudt van de Heer, iets
waarin wij niet strijden zoals wij zouden moeten doen; laten wij nagaan of wij
zonder aarzelen en welbesloten elke nabije gelegenheid tot zonde vermijden; of
wij de heilige Maagd vaak vragen ons een diepe afschuw te geven van elke zonde,
ook van de dagelijkse die zoveel schade aan de ziel toebrengen; die ons
afhouden van haar Zoon, ons allerhoogste Goed.
58.3 Het overwegen van ons laatste doel heeft ons gebracht tot trouw in het
kleine van elke dag, tot het verwerven van de hemel met de dagelijkse
voorvallen en gebeurtenissen, tot het verwijderen van alles wat een hinderpaal
zou kunnen zijn op onze weg. Het moet ons ook aanzetten tot apostolaat, tot
hulp aan de mensen naast ons, opdat zij God ontmoeten en dienen in dit leven en
Hem trouw zijn tot in eeuwigheid. Dat is het grootste blijk van liefde en van
waardering dat wij kunnen hebben.
De eerste manier om anderen te helpen is,
aandacht hebben voor de gevolgen van onze activiteiten en nalatigheden opdat dat
nooit, aanstoot geeft of een struikelblok is voor de anderen. Het evangelie van
de mis herhaalt ook deze woorden van Jezus: Maar als iemand een van deze kleinen die geloven, aanstoot geeft, het
zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee
wierp. En op een ander moment had de Heer al
gezegd: Dat er ergernissen komen is
onvermijdelijk, maar wee de mens door wiens toedoen ze komen.15 Wij vinden in het evangelie weinig woorden zo sterk als deze; weinig
zonden zo groot als het veroorzaken van de teloorgang van een ziel, want
aanstoot en ergernis leiden tot de afbraak van Gods grootste werk, de
Verlossing, door het verlies van de zielen. Het is de dood voor de ziel van de
naaste. Het haalt deze weg uit het leven van de genade, dat waardevoller is dan
het fysieke leven. De 'kleinen' zijn voor Jezus in de eerste plaats de kinderen
in wier onschuld op een bijzondere wijze het beeld van God weerspiegeld wordt.
Maar het gaat ook om die enorme massa eenvoudige personen, met minder vorming
en aan wie daardoor gemakkelijker aanstoot gegeven kan worden.
Tegenover de vele oorzaken van ergernis die
zich dagelijks voordoen in de wereld, vraagt de Heer van zijn leerlingen
voldoening en eerherstel voor zoveel kwaad, door levende voorbeelden te zijn
die anderen meeslepen goede christenen te zijn: door de broederlijke vermaning
toe te passen, op het juiste moment, met genegenheid, verstandig, wat anderen
zal helpen hun fouten te herstellen of zich los te maken van een situatie die
hun ziel bedreigt; door velen aan te zetten hun toevlucht te nemen tot het
boetesacrament, waardoor zij terug kunnen keren op hun verkeerd gerichte
schreden. De realiteit van het bestaan van de hel, die ons door het geloof
geleerd wordt, is een oproep tot apostolaat, een oproep om voor velen een
werktuig tot heiliging te zijn.
Laten wij onze toevlucht nemen tot de heilige
Maagd: iter para tutum, de zekere veilige weg16, opdat zij ons en alle mensen een veilige weg bereidt, de weg die
eindigt in het eeuwig geluk in de hemel.
-1. Mc 9,40-49. -2. Sir 3,26. -3. Num 16,30-33; Jes 33,14; Sir 7,18-19; Job 10,20-21;
enz. -4. Mt 25,41. -5. Vgl. Mt 24,51. 6. Vgl. Mt 25,1 e.v. -7. Vgl. Mt 22,1-14. -8. Vgl. Mt 5,22. -9. Vgl Mt 25,41, e.v. -10. Lc 3,17. -11. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium,48. -12. Benedictus xii, Const.
apost. Benedictus Deus (Dz 531); Concilie van
Florence (Dz 693). -13. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Reconciliatio et
poenitentia,26. -14. H. Theresia van Avila, Boek van haar leven,
32,4. -15. Lc 17,1. -16. Hymne van Vespers Ave
maris stella.
|