30 december
36. WEEST NIET BANG
-Jezus
Christus is bij de moeilijkheden en verleidingen die wij mogelijkerwijs te
verduren hebben, altijd onze zekerheid. Met Hem winnen wij elke slag. -De
betekenis van ons goddelijk kindschap. Vertrouwen in God. Hij komt altijd
tijdig te hulp. -Voorzienigheid. Alle dingen dragen bij aan het welzijn van hen
die God beminnen.
36.1 De
geschiedenis van de Menswording begint met de woorden: Vrees niet, Maria.1 En ook tot de heilige Jozef zou de engel van de Heer
zeggen: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd.2 Tot de herders herhaalt de engel nogmaals: Vreest
niet.3 Dit begin van de komst van
God naar de wereld geeft de stijl aan die eigen is aan de aanwezigheid van God
onder de mensen.
Veel later stak Jezus een
keer, vergezeld van zijn leerlingen, het kleine Meer van Galilea over. Opeens
raakte de zee in hevige beroering, zodat de golven over de boot sloegen.4 De heilige Marcus
geeft nauwkeurig het historisch moment aan waarop dit voorval plaatshad: tegen
het vallen van de avond op de dag waarop Jezus de parabels over het rijk der
hemelen vertelde.5 Na
deze lange prediking is het vanzelfsprekend, dat de Heer, vermoeid, in slaap
valt tijdens de overtocht.
De storm moet heftig
geweest zijn. Zij waren weliswaar vertrouwd met het meer, maar zij zagen toch,
dat zij in gevaar verkeerden. De apostelen zullen Jezus in het begin wel
hebben laten slapen. Hij moet wel erg moe geweest zijn, anders zou Hij wel
wakker geworden zijn. Zij moeten alle middelen die binnen hun bereik waren,
aangewend hebben tegen het gevaar: zij streken de zeilen, zij namen de spanen
krachtig ter hand, zij hoosden het water dat de boot binnenstroomde... Dan nemen
zij, ongerust en bevreesd, hun toevlucht tot de Heer, als laatste en enige
redmiddel. Zij maakten Hem wakker met de woorden: Heer, red ons, wij
vergaan. Hij sprak tot hen: Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?6
Wij zijn ook
kleingelovigen als wij twijfelen doordat de storm
in kracht toeneemt. Wij laten ons in overdreven mate beïnvloeden door uitwendige omstandigheden: ziekte,
werk, tegenslagen, tegenkantingen van de omgeving. Vrees is een
verschijnsel, dat zich telkens uitbreidt. Men heeft vrijwel voor alles angst. Vaak is dat het gevolg van gebrek
aan kennis, van egoïsme -het buitensporig met zichzelf bezig zijn,
bezorgdheid om noden die vaak niet opdoemen enzovoort. Het hangt echter vooral hiermee samen, dat wij in voorkomende gevallen de zekerheid van ons leven niet
van stevige fundamenten voorzien. Wij
zouden een wezenlijke waarheid kunnen vergeten: Jezus Christus is,
altijd, onze zekerheid. Het gaat er niet om ongevoelig te zijn voor
tegenslagen, maar om ons vertrouwen te doen toenemen en in elk geval de
menselijke middelen die ons ter beschikking staan toe te passen. Wij moeten
nooit vergeten, dat bij Jezus zijn, betekent veilig zijn, zelfs als Hij schijnt
te slapen. In momenten van verwarring, van beproeving, zal Jezus ons niet
vergeten: «Hij laat zijn vrienden nooit in de steek»7, nooit.
36.2 God
komt nooit te laat om zijn kinderen hulp te bieden. Ook in gevallen die
uitzichtloos lijken, komt God, al is het op geheime en verborgen wijze, altijd
op het juiste moment. Volledig godsvertrouwen geeft, samen met de menselijke
middelen die aangewend moeten worden, de gelovige een bijzondere sterkte en een uitzonderlijke rust
tegenover gebeurtenissen en omstandigheden die tegenzitten.
«Als jij Hem niet in de
steek laat, zal Hij jou niet in de steek laten.»8 En wij -laten wij het Hem in ons
persoonlijk gebed zeggen- wij willen Hem niet in de steek laten. Samen met Hem
worden alle slagen gewonnen, ook al denken wij, kortzichtigen, dat ze verloren
worden. «Wanneer we denken dat alles voor onze ogen in elkaar stort, zal er
niets instorten, quia tu es, Deus, fortitudo mea, want Gij, God, zijt
mijn sterkte (Ps 42,2). Als God in onze ziel woont, is al het overige -hoe
belangrijk het ook lijkt- bijzaak, voorbijgaand. Daarentegen zijn wij, in God,
het blijvende.»9 Dat
is de medicijn om angsten, spanningen en benauwenissen uit ons leven te
verwijderen. De heilige Paulus sprak de eerste christenen van Rome tegenover
een menselijk gezien moeilijk perspectief moed in met deze woorden: Indien
God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? ... Wie zal ons scheiden van de
liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger,
naaktheid, levensgevaar of het zwaard? ... Maar over dit alles zegevieren wij
glansrijk, dank zij Hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd, dat
noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch
wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het
heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods.10 De gedoopte is uit hoofde van
zijn roeping een mens die zich aan God heeft overgegeven en die ook alles wat
hem zou kunnen overkomen, in Gods handen legt.
Een andere keer
onderrichtte de Heer de mensen omtrent de liefde en zorg die God voor elk schepsel
heeft. Degenen die naar Hem luisteren, zijn eenvoudige en eerzame mensen die de
majesteit van God loven, maar die net dat kinderlijk vertrouwen in hun Vader
God missen.
Waarschijnlijk kwam er
juist op het moment waarop Hij zich tot zijn gehoor wendde, een zwerm kleine
vogels langs op zoek naar onderdak in de buurt. Wie kijkt er naar hen om? Was
het misschien de gewoonte van de huisvrouwen de vogels voor een paar stuivers
te kopen om er de dagelijkse maaltijd mee op te fleuren? Zij waren zelfs voor
de kleinste beurs niet te duur. Zij waren niet veel waard.
De Heer vestigt met een
gebaar de aandacht op de vogels, terwijl Hij zijn gehoor zegt: 'Niet een van
die mussen wordt door God vergeten'. God kent hen allemaal. Niet een mus zal
op de grond vallen buiten de wil van uw Vader. En de Heer komt ons
vertrouwen schenken: Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch meer waard dan
een zwerm mussen!11 Wij
zijn geen eendagsvliegen, wij zijn 'Zijn kinderen' voor eeuwig. Hoe zal Hij
zich niet om onze zaken bekommeren? Weest niet bevreesd. God onze Heer
heeft ons het leven gegeven en heeft het ons voor eeuwig gegeven. En de Heer
zegt ons: Tot u, die mijn vrienden zijt, zeg Ik: 'Vreest niet.12 «Iedere mens
moet -zegt de heilige Thomas van Aquino- als hij tenminste een vriend van God
is, er groot vertrouwen in hebben door Hem bevrijd te worden van welke
benauwenis dan ook. En aangezien God op bijzondere wijze zijn dienstknechten
helpt, zal hij die God dient meer in rust leven.»13 De enige voorwaarde: vrienden van God worden,
leven als zijn kinderen.
36.3
«Verkwik u door het kindschap Gods. God is een Vader vol tederheid, vervuld van
oneindige liefde.»14 In ons
hele leven, in het menselijke en in het bovennatuurlijke, kent onze 'verkwikking',
onze zekerheid geen ander deugdelijk fundament dan ons goddelijk kindschap. Schuift
al uw zorgen op Hem af -zegt de heilige Petrus- want Hij heeft zorg voor
u.15
Het goddelijk kindschap kan niet gezien worden als een soort
beeldspraak. Het betekent eenvoudig, dat God met ons omgaat als een vader en
verlangt, dat wij met Hem omgaan als kinderen. De gedoopte is, door de
heiligmakende kracht van dezelfde God, in zijn wezen een kind van God. Deze
werkelijkheid gaat zo diep, dat zij het wezen zelf van de mens raakt, tot aan
het punt waarvan de heilige Thomas zegt, dat de mens gemaakt is tot een nieuw
wezen.16
Het goddelijk kindschap is
het fundament, de zekerheid en de blijdschap van de kinderen Gods en vandaar
krijgt de mens de bescherming die hij nodig heeft, de vaderlijke warmte en zekerheid
voor de toekomst die hem een oprechte overgave aan de ongewisheden van morgen
mogelijk maken en de mens de overtuiging geven, dat achter alle
wisselvalligheden van het leven uiteindelijk het goede verscholen is: God
bevordert in alles het heil van hen die Hem liefhebben.17 Ook fiasco's en
het afdwalen van de weg leiden ten slotte tot het goede, want «God doet alles
uiteindelijk stellig te zijnen voordele verkeren.»18
Doordat de christen zich kind van God weet, verkrijgt hij, voor alle
omstandigheden van zijn leven, een wijze van in de wereld verkeren die
wezenlijk liefdevol is, wat een van de belangrijkste blijken is van de deugd
van geloof. De mens die zich kind van God weet, verliest de blijdschap niet,
zoals hij ook de vredige kalmte niet verliest.
Het bewust zijn van het kindschap Gods
verlost de mens van nutteloze spanningen. Als hij zich werkelijk kind
van God voelt, zal hij, als hij de weg uit zwakte kwijtraakt, in staat zijn
naar Hem terug te keren in de zekerheid van een warm onthaal.
Het denken aan de
Voorzienigheid zal ons helpen ons tot God te richten, niet als tot een ver,
onverschillig en kil Wezen, maar als tot een Vader die ons allen nauwkeurig
gadeslaat en die een engel -zoals de engelen die de herders de Geboorte van de
Heer verkondigden- aan onze zijde geplaatst heeft om ons op al onze wegen te
bewaren.
De rust die werkelijk een
afspiegeling is van onze wijze van zijn en leven, wordt niet bereikt door ons
verre te houden van de werkelijkheid, maar door deze optimistisch tegemoet te
treden, omdat wij altijd vertrouwen op de steun van de Heer. «Dat is het
verschil tussen ons en hen die God niet kennen: in tegenspoed blijven zij
morren; wij echter worden door rampspoed niet van de deugd afgehouden,
integendeel, wij klampen ons eraan vast.»19 Wij weten immers, dat zelfs de haren op
ons hoofd geteld zijn.
Laten wij altijd in vrede
leven. Als wij God werkelijk zoeken, zal alles een gelegenheid zijn om ons te
beteren. Laten wij nu aan het eind van dit gebed het voornemen maken, elke keer
als wij door tegenslagen of moeilijkheden in een situatie geraken waarin wij de
blijdschap en de rust zouden verliezen, onze toevlucht te nemen tot Jezus, die
aanwezig is in het tabernakel. Laten wij onze toevlucht nemen tot Maria die wij
in het stalletje zo dicht naast haar Zoon zien. Zij zal ons in deze dagen vol
kerstvrede, en altijd, leren ons te gedragen als kinderen van God; ook in de
moeilijkste omstandigheden.
-1. Lc 1,30.
-2. Mt 1,20. -3. Lc 2,10. -4. Mt 8,24. -5. Mc 4,35.
-6. Mt 8,25-26. -7. H. Theresia
van Avila, Het boek van haar leven, 2,4. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
730. -9. Idem, Vrienden van
God, 72. -10. Rom 8,31 e.v. -11. Vgl. Mt 10,29 e.v. -12. Lc
12,4. -13. H. Thomas van Aquino, Expositio
Symboli Apostolorum, 5. -14. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 150. -15. 1 Pe 5,7.
-16. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, I-II, q110, a2, ad3. -17. Rom 8,28. -18. H. Augustinus, De correptione et
gratia, 30,35. -19. H. Cyprianus,
De mortalitate, 13.
|