Drieëndertigste zondag door het jaar (C)
39. werken: de Heer is op komst
-De hoop op het eeuwig leven stelt ons niet
vrij van een leven van intense arbeid. -Werken, een van de grootste weldaden
van de mens. -De beroepsbezigheid, mits verricht met het gezicht naar God
gericht, verwijdert ons niet van ons laatste doel: het moet ons daar dichterbij
brengen.
39.1 In deze laatste zondagen nodigt de
liturgie ons uit na te denken over de laatste dingen die de mens te wachten
staan: zijn bestemming na de dood. In de eerste lezing van vandaag1 spreekt de profeet Maleachi
ons in krachtige termen over de laatste tijden: Zie, de dag gaat komen, die zal branden als een
oven... En Jezus wijst ons er in het evangelie van de
heilige Mis2 op, dat wij waakzaam moeten zijn
bij zijn komst aan het einde van de wereld: Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt...
Sommige christenen
in de jonge Kerk dachten dat deze glorievolle komst van
Christus reeds aanstaande was. Zij meenden dat het einde der tijden nabij was
en mede daarom verwaarloosden zij hun arbeid, zorgden zij ervoor niets te doen
en zich in alles te mengen. Ze oordeelden dat het niet de moeite waard was zich
aan de zaken van dit ondermaanse te wijden, omdat die toch maar onzeker waren.
Daarom vermaant de heilige Paulus hen, zoals we in de tweede lezing van de heilige
Mis lezen3 en herinnert hij hen aan zijn eigen leven van arbeidzaamheid te midden van
hen, ondanks hun intensieve inspanningen; hij herhaalt wederom de gedragsnorm
die hij hun eerder al had voorgehouden: Toen wij bij u waren, hielden wij u deze regel voor: als iemand niet
wil werken, zal hij ook niet eten. En zij die in
ledigheid rondlopen, vermaant hij dat
zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen.
Het leven is inderdaad heel kort en de
ontmoeting met Jezus is nabij; een weinig later zal zijn glorievolle komst
plaatshebben en de verrijzenis van de lichamen. Dit kan ons helpen ons te onthechten van de goederen die we moeten
gebruiken en de tijd te benutten, maar het stelt ons geenszins vrij van een leven dat geheel en al opgaat in ons eigen
beroep en midden in de samenleving. Sterker nog, door middel van onze aardse
bezigheden, geholpen door de genade, moeten wij de hemel winnen. Het Leergezag
van de Kerk herinnert aan de waarde van de arbeid en spoort de christenen aan,
«burgers van beide gemeenschappen, om zich toe te leggen op een getrouwe
vervulling van hun aardse plicht, en wel geleid door de geest van het evangelie».
Om Christus na te volgen, die immers het grootste deel van zijn leven als
ambachtsman heeft gewerkt en aldus geenszins de tijdelijke taken heeft
verwaarloosd, moeten de christenen «zich ervan bewust zijn, dat zij juist door
het geloof nog meer verplicht zijn die taken te vervullen, volgens de roeping
die een ieder heeft.»4
Zo moet ons optreden te midden van de wereld
zijn: veelvuldig opzien naar de hemel, ons uiteindelijke vaderland, maar ook
met beide voeten hier op aarde blijven staan, intensief werken om God eer te
bewijzen, zo goed mogelijk voorzien in de noden van het eigen gezin en de
gemeenschap dienen waartoe we behoren. Zonder serieuze en gewetensvol vervulde
arbeid kan men moeilijk, en eigenlijk bijna niet, te midden van de wereld
heilig worden. Het spreekt vanzelf dat een werk dat men op God gericht vervult,
dient te voldoen aan de normen van de moraal, want die maken het werk goed en
rechtschapen. Ben ik voldoende doordrongen van de morele normen voor mijn werk,
in de handel, in de uitoefening van geneeskunst, in verpleging, advocatuur..., de
verplichting om een tegenprestatie te leveren voor het loon dat ik ontvang, een
rechtvaardige betaling van loon aan degenen die bij mij in de onderneming
werken?
39.2 De mogelijkheid tot werken is een van
de grote weldaden die we van God hebben ontvangen; «het is een prachtige
werkelijkheid die ons opgelegd wordt als een onverbiddelijke wet waaraan we
allemaal, op de een of andere manier, onderworpen zijn, hoewel sommigen proberen
haar te omzeilen. Luister goed: deze verplichting is niet ontstaan als een
gevolg van de erfzonde en kan ook niet teruggebracht worden tot een uitvinding
van de moderne tijd. Het gaat om een onontbeerlijk middel dat God ons hier op
aarde toevertrouwt. Zo verlengt Hij onze dagen en maakt Hij ons deelgenoot van
zijn scheppende macht, zodat we in ons levensonderhoud kunnen voorzien en
tegelijkertijd plukken van de vruchten
tot eeuwig leven (Joh 4,36).»5
Arbeid is het gewone middel om te voorzien in
ons levensonderhoud en een bevoorrechte wijze om de menselijke deugden tot
ontplooiing te brengen: sterkte, standvastigheid, volharding, een geest van
saamhorigheid, orde, optimisme ondanks alle moeilijkheden... Het christelijk
geloof zet ons er bovendien toe aan «ons tegenover de kinderen Gods te gedragen
als kinderen Gods»6, om te leven in een «geest
van naastenliefde, omgang met en begrip voor elkaar»7,
om «de zucht naar comfort, de bekoring van het egoïsme, de neiging om uit te
blinken»8 uit ons leven te bannen, om «de liefde
van Christus en de concrete vruchten daarvan, namelijk vriendschap, begrip voor
elkaar, menselijke genegenheid, vrede»9 tastbaar
te maken. Arbeid moet bovendien een middel zijn om vele zielen tot Christus te
brengen. Daarentegen brengen luiheid, ledigheid, het leveren van knoeiwerk of
slecht volbrachte arbeid ernstige gevolgen met zich mee. Want van leegloperij leert hij niets dan kwaad10, want zij
verhindert de eigen menselijke en bovennatuurlijke volmaaktheid van de mens,
verzwakt diens karakter en opent de deur voor wellust en vele bekoringen.
Eeuwenlang dachten velen, dat een leven van
godsvrucht voldoende was om goede christenen te zijn, zonder dat er enige band
bestond met de opdracht die vervuld werd op kantoor, aan de universiteit, op de
akker... Velen waren er zelfs van overtuigd, dat deze tijdelijke bezigheden, de
profane zaken waarin de mens in de wereld op een of andere manier is ondergedompeld,
een hindernis vormden om God te vinden en een leven in christelijke volheid te
leiden.11 Het verborgen leven van Jezus leert
ons echter de waarde van de arbeid, van de eenheid in het leven, want ook door
zijn dagelijkse werk was Hij bezig de wereld te verlossen. Juist te midden van
deze taken trachten wij elke dag de Heer te ontmoeten -door Hem om hulp te
bidden, de volmaaktheid van hetgeen wij onder handen hebben aan te bieden, door
ons deelgenoten te voelen aan de schepping in hetgeen wij ten uitvoer brengen,
ook al lijkt het gering en van weinig belang... Te midden van onze arbeid
proberen wij ook de liefde te beoefenen, door de deugden te beoefenen in de
omgang met de mensen om ons heen, door hun die kleine diensten te bewijzen
waarvoor ze zo dankbaar zijn, door te bidden voor hen en hun gezinsleden, door
hen te helpen in het oplossen van hun problemen... Gaan wij in ons gewone werk
met de Heer om? Hebben wij Hem voor ogen?
39.3 Arbeid mag ons niet afhouden van ons
laatste doel, van het waakzaam wachten, waarop de liturgie van deze dagen onze
aandacht wil richten; maar werken moet eveneens de concrete weg zijn tot groei
in het christelijk leven. Daarom mag de christengelovige niet vergeten dat hij
zowel burger van de aarde als van de hemel is; en om die reden moet hij zich
tussen de anderen gedragen op een wijze die de roeping welke hij heeft
gekregen, waardig is12: altijd opgewekt,
onberispelijk en eenvoudig, vol begrip voor iedereen13,
een goede werker en een goede vriend, die openstaat voor alle authentiek
menselijke werkelijkheden. Zoals Paulus de christenen van Filippi aanspoorde: Tenslotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op
al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en
aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient.14
Daarnaast maakt de christen zijn arbeid tot
gebed, als hij Gods eer en het welzijn van
de mensen zoekt in hetgeen hij tot stand brengt, als hij om hulp vraagt
aan het begin van zijn taak, bij de moeilijkheden die zich voordoen, als hij
dankzegt na afsluiting van een zaak, aan het einde van de werkdag..., ut cuncta nostra oratio et operatio a te semper incipiat, et per te coepta finiatur... opdat onze gebeden
en werken altijd beginnen en eindigen in God. Arbeid is de dagelijkse weg naar
de Heer. «Daarom kan de mens zich er niet toe beperken alleen maar te werken,
te vervaardigen en te fabriceren. Arbeid ontstaat uit de liefde, is een uiting
van liefde en vindt in de liefde haar doel. Wij treffen God niet alleen aan in
het schouwspel van de natuur, maar ook in de ervaring van de eigen inspanning.
Arbeid wordt aldus gebed, dankzegging, omdat wij ons door God op aarde
geplaatst weten, door Hem bemind worden en erfgenamen van zijn beloften zijn.»15
Het beroep, middel tot heiliging voor de
christen, is eveneens een bron van genade voor geheel de Kerk, want wij zijn het Lichaam van Christus, en ieder van ons
is een lid van dit Lichaam.16
Wanneer iemand strijd levert om zelf beter te worden, begunstigt hij allen in
hun opgang naar de Heer. Daarnaast ondersteunt een goed geleverd stuk werk altijd het menselijk welzijn van de samenleving.
«Het zweet en de afmatting die de arbeid wezenlijk met zich meebrengt in de huidige situatie waarin de mens zich
bevindt, geven aan de christen en zelfs aan iedere mens die geroepen is om
Christus te volgen, de mogelijkheid om door de liefde deel te nemen aan het
werk dat Christus is komen verrichten (vgl. Joh 17,4). Dit heilswerk komt tot stand door middel van het lijden en de dood aan
het kruis. Daarom werkt de mens die de afmatting van de arbeid samen met
de voor ons aan het kruis genagelde Christus draagt, in zekere zin met de Zoon
van God mee aan de verlossing van het menselijk geslacht. Hij toont zich
bovendien een ware leerling van Jezus in het dagelijks dragen van zijn kruis
(vgl. Lc 9,23) in de werkzaamheden die hij volgens zijn bestemming moet
verrichten.»17
In de uitoefening van ons beroep zullen we,
spontaan en zonder de leraar te willen spelen, talloze gelegenheden treffen om
de leer van Christus bekend te maken: in een vriendschappelijk gesprek, in een
commentaar op een bericht dat een actueel onderwerp is, wanneer ons in
vertrouwen een persoonlijke kwestie of een gezinsprobleem wordt meegedeeld... De
engelbewaarder, tot wie we zo vaak onze toevlucht zoeken, zal ons het juiste
woord in de mond leggen, een woord dat bemoedigt, helpt en mettertijd misschien
degenen die zich op ons werk rondom ons bevinden, makkelijker rechtstreeks tot
Christus doet naderen.
Zo wachten wij, als christenen, op het bezoek
van de Heer: door onze ziel te verrijken in onze eigen bezigheden, door anderen
te helpen hun blik te richten op een meer bovennatuurlijk doel. En door
geenszins de tijd te verdoen met niets doen of door hem slecht te besteden,
door geen gebruik te maken van de middelen die God zelf ons heeft gegeven om de
hemel te winnen.
De heilige Jozef, onze vader en heer, zal ons
leren hoe we onze werkzaamheden moeten heiligen, want door Jezus zijn eigen
beroep te leren, «heeft hij de menselijke arbeid bij het mysterie van de Verlossing
gebracht.»18 Dicht bij Jozef zullen wij steeds
Maria aantreffen.
-1. Mal 4,1-2. -2. Lc 21,5-19. -3. 2 Tes 3,7-12. -4. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 43. -5. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 57. -6. Idem, Als Christus nu langs komt, 36. -7. Gesprekken met Mgr
Escrivá de Balaguer, 35. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 158. -9. Ibidem, 166. -10. Pr 33,29. -11. Vgl. J.L. Illanes, La santificación del trabajo, Madrid 1981, bl. 44 e.v.. -12. Vgl. Fil 1,27;3,6. -13. Vgl. Fil 2,3-4;4,4;2. -14. Fil 4,8. -15. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 48. -16. 1 Kor 12,27. -17. Johannes Paulus ii,
Enc. Laborem exercens, 14 september 1981, 27. -18. Idem, Apost. exhort. Redemptoris
custos, 15 augustus 1989, 2.
|