Tweeëntwintigste week. Maandag
4. werken van barmhartigheid
-Jezus is barmhartig. Volg Hem na. -Onze zorg voor het
geestelijk welzijn van de mensen om ons heen. -Andere blijken van barmhartigheid.
4.1 Jezus
keerde terug naar Nazareth, waar
Hij was grootgebracht, en ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge.1 Daar gaven ze Hem het boek van de profeet Jesaja, om
het voor te lezen. Hij opende het boek bij een passage die een duidelijk messiaanse
betekenis heeft: De geest des
Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden
om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating
bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten
gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.
Jezus rolde het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en
ging zitten. Er was een gespannen verwachting onder zijn luisteraars, die Hem
allemaal als kind gekend hadden. In
de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Heel
waarschijnlijk was Maria ook aanwezig. De Heer zei ronduit tegen hen: Het schriftwoord dat gij zojuist gehoord
hebt is thans in vervulling gegaan.
In die passage2 voorspelde de profeet
Jesaja de komst van de Messias om zijn volk te bevrijden van zijn kwellingen.
Deze woorden van de Heer zijn, zoals paus Johannes Paulus ii zegt, «zijn eerste
Messiaanse verklaring. Ze worden gevolgd
door de daden en woorden die we uit het evangelie kennen. Door deze daden en
woorden maakt Christus de Vader
aanwezig onder de mensen. Het is erg betekenisvol dat de mensen in
kwestie vooral armen zijn, mensen zonder
middelen van bestaan, mensen die van hun vrijheid beroofd zijn, blinden
die de schoonheid van de schepping niet kunnen zien, mensen met droefheid in
het hart of mensen die lijden onder sociale onrechtvaardigheid, en tenslotte
zondaars. Vooral voor dezen wordt de Messias een bijzonder helder teken van God
die liefde is.»3
Later, wanneer de gezanten van Johannes de Doper Hem vragen
of Hij de Christus is of dat ze op een ander moeten wachten, zegt Jezus hun
naar Johannes te gaan en hem te vertellen wat ze gezien en gehoord hebben: blinden zien en lammen lopen, melaatsen
worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde
Boodschap verkondigd.4
Christus' liefde voor de mensen wordt vooral duidelijk in
zijn ontmoeting met het lijden, met alles waarin de menselijke zwakheid, zowel
lichamelijk als geestelijk, zichtbaar wordt. Aldus onthult Hij de onvermoeibare
zorg van God de Vader om de mensheid, een zorg die liefde is5 en rijk aan erbarming.6
Gods genade is de fundamentele kern van Christus' prediking
en de belangrijkste drijvende kracht achter zijn wonderen. Ook de Kerk «omringt
met haar liefde al degenen die gekweld worden door menselijke ellende, en ze
herkent in de armen en de lijdenden het gelaat van haar arme en lijdende
stichter. Zij doet alles wat in haar kracht is om hun noden te verlichten, en
ze streeft ernaar in hen Christus te dienen.»7
En wat anders zouden we kunnen doen als we de Meester willen
navolgen en goede zonen en dochters van de Kerk zijn? Elke dag hebben we
talloze gelegenheden om Christus' onderricht over hoe we ons moeten gedragen
tegenover lijden en moeilijkheden, in praktijk te brengen. In de eerste plaats
moeten we ons bekommeren om en genadig zijn met de mensen in onze nabije
omgeving, met degenen die God onder onze hoede gesteld heeft en met degenen die
het meest in nood zijn. Laten we onszelf nu, in de aanwezigheid van God,
afvragen hoe we ons gedrag tegenover al deze mensen inschatten. Ben ik mij
bewust van hun fysieke of morele pijn? Treuzel ik niet om hun de hulp te
verschaffen die ze nodig hebben? Probeer ik de last die zij te dragen hebben,
te verlichten, vooral wanneer die hun krachten te boven gaat?
4.2 Hij heeft mij gezonden om aan armen de
Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken...
Er is geen grotere armoede dan de armoede die voortkomt uit gebrek aan geloof,
er is geen grotere slavernij of onderdrukking dan die van de duivel in de ziel
van de zondaar, en er is geen ergere blindheid dan de blindheid van de ziel die
beroofd is van genade. Zoals de heilige Johannes Chrysostomus zegt: «Zonde
brengt de grootste van alle tirannieën voort».8
Als het grootste ongeluk, de ergste tragedie die iemand kan
overkomen, is van God gescheiden te worden, dan is het grootste werk van
barmhartigheid dat we kunnen doen: onze verwanten en vrienden te brengen naar
de levengevende bronnen van de sacramenten, en vooral naar de biecht. Als hun
zorgen, ziekten en ongeluk ons doen lijden, hoeveel meer lijden we dan als we
zien, dat ze Christus niet kennen, dat ze niet om Hem geven of Hem verlaten
hebben? Echt medelijden begint met zorg voor de staat van hun ziel, die we met
de hulp van de genade moeten proberen beter te maken. Wat een prachtig werk van
barmhartigheid is het apostolaat!
Alle morele lijden, van welke aard dan ook, nodigt ons uit om
met mededogen te antwoorden. Daarom heeft de Kerk vanaf de vroegste tijden
grote waarde gehecht aan onderricht aan de onwetenden. Tegenwoordig, nu het
analfabetisme overal afneemt, groeit de godsdienstige onwetendheid naar een
ongelooflijke hoogte, zelfs in landen met een lange christelijke traditie. «Om
de een of andere reden, hetzij door antikatholieke vooroordelen, hetzij door
een beklagenswaardige desoriëntatie en veronachtzaming, groeien massa's jonge
katholieken op in totale onwetendheid omtrent de meest fundamentele begrippen
van het geloof en de elementaire werken van barmhartigheid. Tegenwoordig
betekent 'onderricht aan de onwetenden' vooral hen te 'evangeliseren', dat wil
zeggen, met hen over God en het christelijk leven te spreken. Catechese is
vandaag de dag een werk van barmhartigheid van het hoogste belang geworden.»9
Wat doet het een hoop goed als een moeder haar kinderen de
catechismus leert, en misschien aan de vriendjes van haar kinderen! Wat een
prachtige beloning wacht hun die ruim tijd besteden aan het geven van
catechese, en hun die voor geschikte boeken zorgen om de geest van de mensen te
verlichten en hun hart te bewegen! Het betekent voor die mensen de weg naar God
openen: aan niets hebben zij grotere behoefte.
4.3 Christus
navolgen in zijn barmhartig mededogen met de behoeftigen kan vaak betekenen
steun en gezelschap geven aan de eenzamen, de zieken, de mensen die lijden aan verborgen of openlijke armoede. We proberen
hun pijn te delen en hun te helpen deze te heiligen, terwijl we tegelijkertijd proberen hun situatie zo goed als
we kunnen te verbeteren. Bedenk hoe troostend het kan zijn voor zo
iemand om een beetje gezelschap te hebben, misschien mogelijk gemaakt doordat
we een beetje vrije tijd, waar we naar uitzagen, hebben opgeofferd. Ons
eenvoudige en vriendelijke gesprek met een ziek of oud iemand, waarin nooit een
zekere bovennatuurlijke toon mag ontbreken -een beetje opbeurend nieuws over
het apostolaat, misschien- laat hen achter met wat meer geloof en vertrouwen in
God. Tactvol en hulpvaardig kunnen we hun een kleine dienst aanbieden,
bijvoorbeeld door hun bed op te maken, of hun een deel van een aangenaam of
misschien zelfs vermakelijk geestelijk boek voor te lezen.10
Elke dag wordt het noodzakelijker God te vragen ons een
genadig hart te geven jegens allen, want omdat de maatschappij minder menselijk
wordt, worden de harten van de mensen harder en ongevoeliger. Rechtvaardigheid
is een fundamentele deugd, dat is waar, maar rechtvaardigheid op zichzelf is
niet genoeg: er is ook barmhartigheid nodig. Hoezeer ook de sociale wetgeving
en werkomstandigheden mogen verbeteren, mensen zullen altijd behoefte hebben
aan de warmte van een menselijk hart, broederlijk en vriendelijk, dat in staat
is zich in te leven in situaties die rechtvaardigheid alleen niet kan
verbeteren, want «de christelijke naastenliefde beperkt zich er niet toe, de
behoeftige in zijn materiële nood te helpen. Ze is er allereerst op gericht,
ieder mens afzonderlijk op grond van zijn waarde als mens en als kind van de
Schepper te achten en te begrijpen.»11
Barmhartigheid moet ons ertoe brengen snel en van harte te
vergeven, zelfs al spijt het de andere partij niet wat er gebeurd is, of wijst
ze onze verzoeningspogingen af. De christen mag geen wrok koesteren in zijn
hart; hij ligt met niemand overhoop. We moeten ook degenen die door eigen
schuld, of zelfs door eigen kwade daden, ongelukkig zijn, liefhebben. De enige
vraag die God ons stelt is of die persoon ongelukkig is, of hij lijdt, want
«dat is genoeg om hem je belangstelling waard te doen zijn. Probeer, natuurlijk,
hem te beschermen tegen zijn slechte passies, maar wees barmhartig op het
moment dat hij lijdt. 'Bemint uw naaste', niet wanneer hij het verdient, maar
omdat hij uw naaste is.» 12
God vraagt ons vol mededogen te zijn in alle situaties in het
leven. Als we worden opgeroepen over onze naaste te oordelen, moeten we dat
doen vanuit de meest gunstige hoek. «Zelfs al zie je iets heel slechts bij je
naaste», zegt de heilige Bernardus, «trek dan niet onmiddellijk conclusies,
maar bedenk in jezelf verontschuldigingen voor hem. Verontschuldig zijn
bedoeling, als je zijn daden niet kunt verontschuldigen. Bedenk dat hij uit
onwetendheid, of door verrassing, of per ongeluk heeft kunnen handelen. Als de
zaak zo openlijk is dat ze niet ontkend kan worden, zelfs dan, geloof dan dat
het zo is, en zeg in jezelf: de bekoring moet heel sterk geweest zijn.»13
We moeten er vaak aan denken dat we, als wij barmhartig zijn,
van God die barmhartigheid zullen ontvangen die we zelf zozeer nodig hebben,
speciaal voor die zwakheden, fouten en gebreken die Hij zo goed begrijpt. Dat
vertrouwen in Gods eindeloze mededogen zal ons ertoe brengen altijd heel dicht
bij Hem te blijven.
Maria, 'Koningin en Moeder van Barmhartigheid', zal ons een
hart geven dat in staat is oprecht mee te lijden met allen die in onze omgeving
lijden.
-1. Lc 4,16-30.
-2. Vgl. Jes 61,1-2.
-3. Johannes Paulus ii, Enc. Dives in misericordia, 30 november 1980, 3.
-4. Lc 7,22 e.v. -5.
1 Joh 4,16. -6.
Ef 2,4. -7. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 8. -8. H. Johannes Chrysostomus, Commentaar op Psalm 126. -9. J. Orlandis, Las ocho bienaventuranzas, bl. 104-105. -10.
Vgl. H. Jean-Baptiste Marie Vianney (Pastoor van Ars), Preek over het geven van aalmoezen.
-11. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 72.
-12. G. Chevrot, Las ocho bienaventuranzas.
-13. H. Bernardus, Preek over het Hooglied, 40.
|