Vijfde week. Maandag
30. WIJ ZIJN TEMPELS VAN GOD
-Het inwonen van de heilige Drieëenheid in onze zielen. God
in ons binnenste zoeken. -Groeien in Gods vriendschap behoeft innerlijke orde.
Versterving. -Vriendschap met de Heilige Geest.
30.1 In het evangelie zien we vaak blijken van
vriendschap tussen de apostelen en onze Heer:
ze trokken tijd uit om met elkaar te praten en vroegen Hem over zaken
die ze niet goed begrepen. In het evangelie van de Mis van vandaag staat er
zo'n vraag: het gaat over een onderwerp dat wel meer aan de orde zal zijn
geweest, in het bijzonder toen het leven van de Heer hier op aarde tegen het
einde liep.
Onze Heer zei tegen hen: Wie mijn geboden onderhoudt, die
hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal
door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem
openbaren.1 In
Jezus' dagen werd onder de Joden algemeen aangenomen dat, als de Messias zou
komen, Hij zich aan iedereen als Koning en Redder zou openbaren.2 De apostelen
dachten dat de woorden van de Heer in het bijzonder op hen sloegen, zij die
dicht bij Hem waren, die Hem liefhadden. Judas Thaddeus begreep wat de Heer
zei, en hij vroeg: Heer, hoe komt het dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren
en niet aan de wereld?
In het Oude Testament openbaarde God zich bij verschillende
gelegenheden en op verschillende wijzen, en Hij beloofde dat Hij te midden van
zijn volk zou wonen.3 Maar
nu verwijst de Heer naar een ander soort aanwezigheid: zijn aanwezigheid in de
mensen die Hem liefhebben, in elke persoon die in staat van genade is. Als
iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem
liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.4 Dit is de
tegenwoordigheid van de heilige Drieëenheid in de ziel die door genade herboren
is. Deze fundamentele leer van het christelijk leven is vaak verkondigd door de
heilige Paulus: Want we zijn de tempel van de levende God 5, zegt hij tot de
eerste christenen van Korinte.
Deze passage aanhalend,
merkt sint Jan van het Kruis op: «Wat verlangt gij nog meer, mijn ziel, en wat
zoekt gij nog meer buiten u zelf, want in u zèlf hebt gij alle rijkdommen, uw verrukkingen, uw voldoening... uw Geliefde,
die uw ziel verlangt en zoekt! Verheug u en wees blij om uw innerlijke
vereniging met Hem, omdat gij Hem zo nabij zijt.» 6
We moeten leren steeds betere vrienden te worden van God, die
in ons woont. Door zijn goddelijke aanwezigheid wordt onze ziel een
miniatuurhemel. Reflectie over dit feit kan hierbij enorm helpen. Bij de doop
kwamen de drie Personen van de heilige Drieëenheid in onze ziel en Zij willen
gedurende heel ons leven dichter bij ons zijn dan de meest intieme vrienden die
wij hebben. Deze aanwezigheid -die uniek te noemen is- gaat alleen verloren door
de doodzonde. Maar wij, christenen, moeten ons niet tevreden stellen met het
feit, dat we Gods tegenwoordigheid behouden: wij moeten ons deze aanwezigheid
bewust blijven ook tijdens onze dagelijkse bezigheden, wanneer we 'van hot naar
haar vliegen'. Danken wij Hem, vragen we zijn hulp, doen we boete voor de
zonden die dagelijks begaan worden.
Soms denken we dat God erg veraf is, terwijl Hij in
werkelijkheid dicht bij ons is. Hij stelt meer belang in wat wij doen, dan onze
beste vrienden. Gods onuitsprekelijke nabijheid overpeinzend, roept de heilige
Augustinus uit: «Te laat heb ik U bemind, o Schoonheid zo oud en toch zo nieuw.
Te laat heb ik U bemind. En zie: Gij waart binnenin en ik was buiten en daar
zocht ik U... Gij waart bij mij en ik niet bij U. Dat andere hield mij van U
verwijderd; en toch: als ze niet bestaan hadden in U, dan zouden ze helemaal
niet bestaan hebben. Geroepen hebt Gij, geschreeuwd en mijn doofheid
doorbroken: gestraald hebt Gij, geschitterd en mijn blindheid verjaagd.»7
Maar om met God in gesprek te komen, die werkelijk aanwezig
is in de ziel in staat van genade, moeten we onze zintuigen, die neigen tot
afdwalen en gehecht raken aan allerlei zaken, in bedwang houden. We moeten ons
bewust worden tempels van God te zijn, en ons ook als zodanig gedragen. Die
intieme tegenwoordigheid van de heilige Drieëenheid in onze ziel moeten we
omgeven met liefde en met een welluidende stilte.
30.2 De aanwezigheid van de drie goddelijke
Personen in onze ziel in staat van genade, is een lévende aanwezigheid. Zij
staan open voor onze vriendschap. Zij nodigen ons uit om met Hen kennis te
maken en om Hen lief te hebben. Het is aan ons om hierop te antwoorden. «Waarom
bergen beklimmen, of afdalen in de valleien der wereld om Hem te zoeken die al
in ons woont?»8,
vraagt de heilige Augustinus. En de heilige Gregorius zegt ons: «Zolang ons
denken dronken is van vleselijke voorstellingen, zullen wij nooit in staat zijn
tot contemplatie, want er zijn zoveel hindernissen die onze geest verblinden,
als er gedachten zijn die haar heen en weer trekken. Daarom moet voor de ziel,
die de onzichtbare natuur van God wil beschouwen, de eerste stap zijn om in
zich zelf te keren.» 9
God vraagt van sommige mensen om uit de wereld te treden,
juist met het oog op die inkeer. Hij vraagt van de meerderheid van de
christenen -huisvrouwen, studenten, ambtenaren...- echter, dat ze dit te midden
van hun dagelijkse bezigheden zullen doen. Wij
bewaken onze zintuigen voor God door voortgaande versterving, geheel de dag;
dat is tegelijk de weg tot innerlijke vreugde. Wij versterven onze
verbeelding door nutteloze gedachten van ons af te zetten; ons geheugen door
geen herinneringen te koesteren die ons niet dichter bij God brengen; onze wil
door aan onze verplichtingen, hoe klein ze ook mogen lijken, te voldoen.
Aandachtig werk, mits opgedragen aan God, hindert ons spreken
met God niet, maar vergemakkelijkt het eerder. Hetzelfde geldt voor onze andere
uiterlijke bezigheden; voor onze sociale contacten, gezinsleven, vrije tijd,
reizen... alles in ons leven -behalve waar oppervlakkigheid overheerst- heeft een
diepe, intieme dimensie. Deze dimensie wordt ten volle bereikt, als wij in
onszelf keren en tot vriendschappelijke omgang met God komen. In onszelf keren
betekent 'bij elkaar brengen wat uiteen gevallen is', opnieuw innerlijke orde
aanbrengen, ons verstand beheersen als het dreigt zich te laten afleiden, zelfs
door zaken die op zich goed of neutraal zijn. Het betekent God als centrum van
onze intenties te hebben, bij alles wat we doen of van plan zijn.
Het tegenovergestelde van inkeer is verstrooiing en
oppervlakkigheid. Ons verstand en onze vermogens doen dan elke poel aan die ze
onderweg ook maar tegenkomen. Het resultaat is doelloosheid, verstrooidheid en
een wil die slaapt terwijl de begeerte wakker is.10 Zonder inkeer lukt het ons niet om
aandacht aan God te schenken.
Hoe meer we ons hart en onze blik zuiveren, hoe meer we, met
de hulp van de Heer, in onszelf keren, des te meer zal onze ziel verlangen naar
het contact met God, gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt.11 «Het hart heeft
dan behoefte aan het onderscheiden en aanbidden van ieder van de drie
goddelijke Personen afzonderlijk. Het is in zekere zin een ontdekking die de
ziel doet in het bovennatuurlijk leven, zoals een pasgeboren kind, dat de ogen
opent voor het leven. En de ziel onderhoudt zich liefdevol met de Vader en met
de Zoon en met de Heilige Geest. En zij onderwerpt zich gemakkelijk aan de
werking van de levendmakende Parakleet die zich, zonder dat wij het verdienen,
aan ons overlevert.»12
30.3 Hoewel het inwonen van de heilige
Drieëenheid in onze ziel betrekking heeft op alle drie Personen -de Vader, de
Zoon en de Heilige Geest- wordt het op een bijzondere manier toegekend aan de
derde persoon. Gedurende deze tijd, nu Pinksterzondag steeds dichterbij komt,
nodigt de liturgie ons uit om meer aandacht te schenken aan onze vriendschap
met de Heilige Geest.
Maar de Helper, de Heilige Geest, die de Vader in mijn
Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik
u gezegd heb13,
zegt de Heer ons in het evangelie van vandaag. Dit heeft Hij bij verschillende
gelegenheden beloofd14,
en het is, alsof Hij hiermee aan wou geven hoe enorm belangrijk deze gave is
voor de gehele Kerk, voor de wereld en voor iedereen die Hem navolgt. Het is
geen gave van voorbijgaande aard, beperkt tot het moment, dat we de sacramenten
ontvangen of gedurende een andere bijzondere periode, nee, het is een vaste,
permanente Gave. De Heilige Geest woont in de harten van de gelovigen als in
een tempel15.
Hij is de zoete Gast van de ziel16, en hoe meer de Christen groeit in het
verrichten van goede werken, hoe meer hij zichzelf zuivert, des te tevredener
is de Heilige Geest die in hem woont en des te meer genadegaven verleent Hij
hem.
De Heilige Geest is aanwezig in de ziel in staat van genade,
om hem meer en meer te maken als Christus zelf, om hem aan te zetten tot het
volbrengen van Gods wil en om hem bij die opdracht te helpen.
De Heilige Geest is het middel tegen onze zwakheid17 en Hij pleit
voor ons bij de Vader met onuitsprekelijke verzuchtingen.18 Nu volbrengt Hij
zijn taak van leiden, beschermen en nieuw leven aan de Kerk geven, want
Christus beloofde twee verschillende dingen waardoor zijn werk hier op aarde voortgang
kon vinden. Zoals paus Paulus vi
zei, heeft Hij beide vervuld: «het apostolaat en de Geest. Het apostolaat heeft
een uitwendige en objectieve vorm; het constitueert, om het zo te zeggen, het
zichtbare lichaam van de Kerk. Het geeft haar een zichtbare en sociale
structuur. De Heilige Geest, het tweede element, is daarentegen inwendig
actief, binnen in elke persoon en ook in de gemeenschap als een geheel: Hij
verheft, geeft nieuw leven en heiligt.»19
Laten wij Onze Lieve Vrouw vragen dat wij deze heerlijke
realiteit weten te waarderen, want dan zal ons leven pas echt veranderen.
Waarom zouden we ons alleen voelen, als de Heilige Geest in ons is? Waarom
zouden we ons onzeker of onveilig voelen, al was het maar één dag van ons
leven, als de Trooster zoveel aandacht heeft zowel voor onszelf als voor de
dingen die we doen? Waarom volgen wij als dwazen een schijn-geluk, als er geen
groter geluk bestaat dan vriendschap met de Gast die in ons woont? Hoe anders
zou ons gesprek of gedrag zijn als we ons maar bewust waren van het feit, dat
wij tempels van God zijn en tempels van de Heilige Geest.
Laten we, nu we onze meditatie beëindigen, naar Maria, onze
Moeder, gaan: Wees gegroet Maria, tempel en tabernakel van de allerheiligste
Drieëenheid, help ons.
-1. Joh 14,21. -2. Vgl. The Navarre Bible,
St John, noot bij 14,22-23. -3. Vgl. Ex 29,45; Ez 37,26,27. -4. Joh
14,23. -5. Vgl. 2 Kor 6,16. -6. H.
Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 1,8. -7. H. Augustinus, Belijdenissen,
10,27-38. -8. Idem, De
Trinitate, 8,17. -9. H. Gregorius de
Grote, Homilieën over Ezechiël, 2,5. -10. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
375. -11. Ps 42,2. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 306. -13. Joh 14,26.
-14. Vgl. Joh 14,15-17; 15,36; 16,7-14; Mt 10,20. -15. Vgl. Vaticanum ii Dogm. const. Lumen
Gentium, 9. -16. Sequentie van Pinksteren. -17. Rom 8,26.
-18. Ibidem. -19. Paulus vi,
Openingstoespraak, 3e Sessie van het Tweede Vaticaanse Concilie, 14 september
1964.
|