Negende week door het jaar. Woensdag
15. WIJ ZULLEN VERRIJZEN MET ONS EIGEN LICHAAM
-Een uitdrukkelijk door Jezus onderwezen geloofswaarheid.
-Kwaliteiten en eigenschappen van de verheerlijkte lichamen. -Eenheid tussen
lichaam en ziel.
15.1 De Sadduceeën die niet
geloofden in de verrijzenis, gingen naar Jezus toe met de bedoeling Hem in een
lastig parket te brengen. Volgens de oude wet van Mozes1
moest, wanneer een man kwam te overlijden zonder zonen na te laten, zijn broer
een zwagerhuwelijk sluiten met de weduwe om een nageslacht voor zijn broer te
verwekken. En de eerste van de zonen die hij bij haar zou krijgen, moest de
naam van de overledene gegeven worden. De Sadduceeën wilden het geloof in de
verrijzenis van de doden belachelijk maken door een ingewikkeld geval te
verzinnen.2 Als een vrouw, zesmaal weduwe
geworden, achtereenvolgens met zeven broers trouwt, en daarna nogmaals weduwe
geworden zelf sterft, met wie zal zij dan getrouwd zijn in de hemel? Het antwoord
van Jezus laat duidelijk zien, hoe belachelijk hun verhaal is. Het antwoord
bevestigt het bestaan van de verrijzenis, en beroept zich daarbij op
verscheidene passages uit het oude testament. En bij het behandelen van de
eigenschappen van de verrezen lichamen verdwijnt het argument van de
Sadduceeën.3
De Heer verwijt hun de Schriften niet te kennen, noch de
macht van God, want deze waarheid was al duidelijk beschreven in de openbaring.
Jesaja had voorspeld4: Maar
uw doden zullen weer leven, uw gevallenen staan weer op. Wordt wakker en
jubelt, gij allen die in het stof ligt bedolven. En de moeder van de Makkabeeën
bemoedigde haar zonen, toen zij gemarteld werden, en herinnerde hen: de schepper van de wereld [...] zal jullie in zijn barmhartigheid
de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet
spaart.5 En voor Job was dezelfde
waarheid de troost voor zijn kwade dagen: Ik weet, dat mijn
Verlosser leeft, en ten leste op aarde verschijnt; dat ik mij zal oprichten
achter mijn huid, en van mijn vlees uit God zal aanschouwen! 6
Wij moeten in onze ziel de deugd van de hoop koesteren, en
concreet verlangen naar de aanschouwing van God. «Geliefden zorgen ervoor
elkaar te zien. Verliefden hebben alleen maar oog voor hun beminde. Logisch,
nietwaar, dat dit zo is. Het mensenhart voelt deze geboden. Ik zou liegen, als
ik ontkende hoezeer ik gedreven word door het vurig verlangen het gelaat van
Jezus Christus te aanschouwen. Vultum tuum, Domine, requiram...
uw gelaat wil ik zoeken, Heer.»7 Dit verlangen
zal vervuld worden, als wij trouw blijven, want in zijn zorg voor zijn
schepselen heeft God de opstanding van het lichaam bereid, een waarheid die een
van de fundamentele artikelen van het Credo is8,
want als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet
verrezen. En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud
en uw geloof zonder grond.9 «De Kerk gelooft in
de opstanding van de doden [...] en verstaat hieronder, dat de opstanding betrekking
heeft op de hele mens»10 ook op zijn lichaam.
Het Leergezag heeft bij talrijke gelegenheden herhaald, dat
het gaat om een opstanding van hetzelfde lichaam, het lichaam dat wij hebben
bij onze doortocht hier op aarde, het lichaam «waarin wij leven, bestaan en ons
bewegen».11 «Daarom zijn de formuleringen verrijzenis uit de doden en opstanding
van het lichaam aanvullende bewoordingen voor dezelfde oude overlevering
van de Kerk», en moet men beide uitdrukkingswijzen blijven gebruiken.12
Bij talrijke gelegenheden herinnert de liturgie aan deze
troostrijke waarheid: «Want Hij die uit de dood is
opgestaan, Hij is het licht der wereld, onze enige hoop; in onze angst, omdat
wij moeten sterven, troost ons uw belofte dat wij eens onsterfelijk zullen zijn
met Hem. Gij neemt het leven niet van ons af, Gij maakt het nieuw [...] en als
ons aardse huis, ons lichaam, afgebroken wordt, heeft Jezus al een plaats voor
ons bereid in uw huis, om daar voorgoed te wonen.13 God verwacht ons voor eeuwig in zijn heerlijkheid.
Wat een enorme droefenis voor degenen die al hun hoop op deze wereld gevestigd
hadden. Wat een vreugde te weten, dat wij het zelf zullen zijn, met ziel en
lichaam, die, met de hulp van de genade, voor eeuwig met Jezus Christus zullen
leven, met de engelen en de heiligen, in een lofzang voor de Allerheiligste
Drieëenheid.
Als de dood van een geliefde persoon ons verdriet, of als wij
iemand bijstaan die een familielid verloren heeft, moeten wij over deze
waarheden die ons vervullen van hoop en troost, geen twijfel laten bestaan,
noch tegenover de anderen, noch tegenover onszelf: het leven wordt hier beneden
op aarde niet afgesloten, maar wij gaan naar de ontmoeting met God in het
eeuwige leven.
15.2 Elke ziel wacht na de dood
op de wederopstanding van het eigen lichaam, waarmee zij voor eeuwig in de
hemel zal zijn, bij God; of in de hel, van Hem afgesneden. Onze lichamen in de
hemel zullen andere kenmerken hebben, maar het zullen lichamen blijven die
ruimte innemen, zoals nu het verheerlijkt Lichaam van Christus en dat van de
heilige Maagd. Wij weten niet waar deze ruimte zal zijn, en ook niet hoe deze
gevormd wordt: de aarde van nu zal veranderd zijn.14
De beloning van God zal het verheerlijkt lichaam ten goede komen: het zal
onsterfelijk worden. De vergankelijkheid is immers een merkteken van de zonde,
en de schepping werd daaraan onderworpen als straf voor de zonde.15 Alles wat het leven bedreigt of beperkt, zal
verdwijnen.16 Zij die verrezen zijn tot de
heerlijkheid zullen -naar de woorden van de heilige Johannes in de Apokalyps - nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of
woestijngloed zal hen treffen.17 Het
lijden dat de Apokalyps hier opsomt, is het lijden waarvan Israël het meest te
duchten had tijdens de doortocht door de woestijn: de verzengende stralen van
de zon kwamen neer als pijlen en ontketenden al snel bederf; de droge
woestijnwind verteerde al hun krachten.18 Deze
benauwenis is het symbool voor het lijden dat het nieuwe Godsvolk, de Kerk,
tijdens de pelgrimstocht naar het definitieve vaderland te verduren zal hebben.
Het geloof in en de hoop op de verheerlijking van ons lichaam
zullen ons het op de verschuldigde waarde doen schatten. «Zijn lichamelijk
leven mag de mens dus niet verachten, maar hij dient integendeel zijn lichaam,
als door God geschapen en bestemd tot verrijzenis op de jongste dag, als goed
en eerwaardig te beschouwen.»19 De huidige
wijdverbreide lichaamscultus staat echter heel ver af van deze waardering. Wij
hebben stellig de plicht het lichaam te verzorgen, de geëigende middelen aan te
wenden om ziekte, lijden, honger... te vermijden, maar zonder te vergeten, dat
het zal verrijzen op de jongste dag. Wat telt is dan, dat het verrijst om naar
de hemel te gaan, niet naar de hel. Belangrijker dan de gezondheid is de
liefdevolle aanvaarding van wat God wil met ons leven. Laten wij geen
buitensporige zorg hebben voor het lichamelijk welbevinden. Het is te hopen,
dat wij de ongemakken op bovennatuurlijke wijze weten te benutten -daarbij de
gewone middelen om ze te vermijden in alle rust aanwendend. Dan zullen wij de
blijdschap en de vrede niet kwijtraken, door ons te hechten aan iets betrekkelijks
en voorbijgaands. Alleen in de heerlijkheid zal onze blijdschap definitief en
volledig zijn.
Wij moeten geen moment vergeten waarheen wij op weg zijn,
noch de echte waarde uit het oog verliezen van datgene waarmee wij bezig zijn.
Ons doel is de hemel; God heeft ons geschapen om, met lichaam en ziel, bij
Christus te zijn. Daarom kan hier op aarde «het laatste woord alleen een
glimlach zijn... een vrolijk liedje»20, want in
het hiernamaals wacht de Heer met gestrekte hand en een welkomstgebaar.
15.3 Ook al is het verschil
tussen het aardse lichaam en het verheerlijkte lichaam groot, er bestaat tussen
beide een zeer nauwe band. Het is een dogma van het geloof, dat het verrezen
lichaam, specifiek en individueel identiek is aan het aardse lichaam.21
Zich baserend op de natuur van de ziel en op verscheidene
passages uit de Heilige Schrift, toont de katholieke leer ons de gepastheid van
de verrijzenis van het eigen lichaam en de nieuwe vereniging met de ziel.
Allereerst omdat de ziel alleen een deel van de mens is, die gedurende de
scheiding van het lichaam niet een zo volledig en volmaakt geluk kan genieten
als de volledige persoon zal bezitten. Verder is de ziel geschapen om verenigd
te worden met een lichaam; een definitieve scheiding zou haar eigen wezen
schenden. Ten slotte, en dat is het sterkste argument, is het meer in
overeenstemming met de wijsheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid van God,
dat de zielen zich opnieuw met de lichamen verenigen, opdat beide, de volledige
mens -die niet slechts ziel, noch slechts lichaam is-, delen in de beloning of
de straf die tijdens het leven hier op aarde verdiend is; ook al leert het geloof,
dat de ziel onmiddellijk na de dood de beloning of de straf zal ontvangen,
zonder te wachten op het ogenblik van de verrijzenis van het lichaam.
In het licht van het onderricht van de Kerk zien wij met
grotere diepgang, dat het lichaam niet enkel een instrument van de ziel is, ook
al ontvangt het van haar het vermogen om te handelen en draagt het met haar bij
tot het bestaan en de ontplooiing van de persoon. Door het lichaam verkeert de
mens in contact met de aardse werkelijkheid die hij moet beheersen, bewerken en
heiligen, omdat God het zo gewild heeft.22 Door
het lichaam kan de mens communicatie krijgen met andere mensen en met hen samenwerken
om de sociale gemeenschap op te bouwen en te ontwikkelen. Laten wij evenmin
vergeten, dat wij door het lichaam de genade krijgen van de sacramenten. Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus? 23
Wij zijn mannen en vrouwen van vlees en bloed, maar de invloed
van de genade gaat niet aan het lichaam voorbij, zij vergoddelijkt het in
zekere zin, als een voorproef op de glorierijke verrijzenis. Het zal ons helpen
te leven met de waardigheid en de houding van een leerling van Christus, als
wij regelmatig overwegen dat dit lichaam van ons, nu een tempel van de
Allerheiligste Drieëenheid wanneer wij in staat van genade zijn, door God
bestemd is om verheerlijkt te worden. Laten wij vandaag onze toevlucht nemen
tot de heilige Jozef om hem te vragen ons te leren leven met een fijngevoelige
eerbied jegens onze naasten en onszelf. Ons lichaam, het lichaam dat wij hier
op aarde hebben, is ook bestemd om voor altijd deel te hebben aan de onnoembare
heerlijkheid van God.
-1. Dt 25,5 e.v. -2. Mc 12,18-27. -3. The Navarre Bible, aantekening bij Mc
12,18-27, en par. -4. Vgl. Jes 26,19.-5. 2 Mak 7,23. -6. Job 19,25-26.
-7. H. Jozefmaria Escrivá, in Informatiebulletin van de
Vicepostulatie van het Opus Dei, nr. 1 (1978). -8. Vgl. Symbolum Quicumque, DS 76; -9. 1 Kor
15,13-14. -10. Congregatie voor de geloofsleer, Brief over enige kwesties met betrekking tot de eschatologie,
van 17 mei 1979. -11. Concilie xi van Toledo, DS 540; vgl. Concilie Lateranen iv, De fide
catholica, DS 801; enz. -12. Congregatie
voor de Geloofsleer, Verklaring over de
vertaling van het artikel 'carnis resurrectionem' van het Symbolum van de
apostelen, 14 december 1983. -13. Romeins Missaal,
prefatie I voor de overledenen. -14. Vgl. M. Schmaus,
Katholische Dogmatik, Aufl. IV. 2. Von den letzten Dingen, München 1956-1963. -15. Vgl. Rom 8,20. -16. Vgl. Michael Schmaus,
o.c. -17. Apok 7,16. -18.
Vgl. Sir 43,4; Ps 121,6; Ps 91,5-6. -19. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 14. -20. L. Ramoneda, Vientos que jamás ha
roto nadie, Montevideo, blz 41. -21. Vgl. DS 540; 797; 801; 854; 1002.
-22. Gn 1,28. -23. 1 Kor 6,15.
|