9 november. Feest
39. WIJDING VAN DE BASILIEK VAN LATERANEN
Deze basiliek is een van de eerste Godshuizen die de
christenen konden oprichten na het tijdperk van de vervolgingen. Ze werd door
paus Silvester op 9 november 324 gewijd. Dit feest, dat aanvankelijk alleen in
Rome werd gevierd, werd een algemeen feest in de Romeinse ritus, ter ere van
deze kerk die de 'Moeder en het Hoofd van alle kerken van Rome en van de wereld
(Urbis et orbis)' genoemd wordt, als teken van liefde en eenheid met de Stoel
van sint Petrus. De geschiedenis van deze basiliek herinnert eraan, hoe
duizenden en duizenden mensen, die er het doopsel ontvingen, tot het geloof
zijn gekomen.
-De Godshuizen, symbool van Gods tegenwoordigheid onder de
mensen. -Jezus Christus, werkelijk tegenwoordig in onze kerken. -De goddelijke
genade maakt ons tot levende tempels van God.
39.1 De joden vierden telkenjare
het feest van de Wijding1
ter herinnering aan de reiniging en instelling van de eredienst in de tempel
van Jeruzalem na de overwinning van Judas de Makkabeeër op koning Antiochus.2 Een week lang werd in heel Judea deze verjaardag
gevierd. Men noemde het ook het Lichtfeest, omdat
men de gewoonte had lantaarns te ontsteken, als symbool van de Wet, en die
achter de ramen van de huizen te zetten, elke dag van het feest één lantaarn
méér.3 Deze viering werd door de Kerk overgenomen
om de dag te herdenken waarop de bedehuizen veranderd waren in plaatsen bestemd
voor de eredienst. Heel bijzonder «wordt ieder jaar in geheel de Romeinse ritus
de wijding gevierd van de Basiliek van Lateranen, de oudste en eerste in
waardigheid van alle kerken van het Westen». Bovendien «viert men in elk bisdom
de wijding van de kathedraal, en iedere kerk herdenkt de dag van haar eigen
wijding.»4
Het feest dat wij vandaag vieren heeft een speciaal belang,
omdat de Basiliek van Lateranen de eerste kerk is die gewijd is aan de Heiland,
opgericht te Rome door keizer Constantijn. Tot op de dag van vandaag is zij de
kathedraal van de paus van Rome. Het feest wordt in heel de Kerk gevierd als
teken van eenheid met de paus.
De tempel werd door de joden beschouwd als een plaats waar
Jahwe heel bijzonder tegenwoordig was. Reeds in de woestijn openbaarde Hij zich
in de Tent van samenkomst: daar sprak Mozes met de
Heer, zoals men met een vriend spreekt; de wolkkolom
-teken van zijn tegenwoordigheid- daalde toen af en bleef staan boven de ingang
van de Tent.5 Het was
de omgeving, waar zijn Naam zal wonen, zijn oneindig
en onuitsprekelijk Wezen, om naar zijn getrouwen te luisteren en acht op hen te
slaan. Toen Salomo de tempel van Jeruzalem had gebouwd, sprak hij tijdens het
feest van de wijding de volgende woorden uit: Maar zou God
werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet
bevatten! Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb? Geef dan acht op het gebed
van uw dienaar en op zijn smeekbede, Jahwe mijn God, en luister naar zijn
roepen en naar het gebed dat uw dienaar vandaag tot U richt. Laten uw ogen
geopend blijven, dag en nacht, naar dit huis, naar de plaats waarvan Gij gezegd
hebt: Mijn naam zal daar wonen, en blijf zo luisteren naar de smeekbede die uw
dienaar op deze plaats tot U richt. Luister dan naar de smeekbede van uw
dienaar en van uw volk Israël, die zij op deze plaats tot U zullen richten. Ja,
Gij zult het horen vanuit de hemel, uw woonstede...6
Wij gaan naar onze kerken toe om onze God te ontmoeten: Hij
wacht daar op ons, in werkelijke tegenwoordigheid, in de eucharistie, bewaard
in het tabernakel.
De tempel -zo leert paus Johannes Paulus ii-
«is het huis van God en uw huis. Eert hem dus als plaats van ontmoeting
met de gemeenschappelijke Vader.»7 Het
kerk-gebouw is het zinnebeeld en teken van de Kerk-verzameling, gevormd door de
levende stenen, d.w.z. de christenen, die door hun
doopsel aan God zijn toegewijd.8 «De plaats waar
de christengemeenschap samenkomt om Gods woord te aanhoren, om gebeden van
bemiddeling en lofprijzing van God omhoog te doen stijgen en vooral om de heilige
mysteries te vieren, en waar het Allerheiligst Sacrament van de Eucharistie
wordt bewaard, is het eigen beeld van de Kerk, de tempel van God, opgebouwd uit
levende stenen; ook het altaar, waaromheen het heilige volk zich schaart om
deel te nemen aan het offer van de Heer en zich te voeden aan het hemels
gastmaal, is het teken van Christus, priester, offerlam en altaar van zijn
eigen offer.»9 Wij gaan er in alle eerbied naar
toe, want niets is méér eerbied waard dan het huis van de Heer: «Welk een
eerbied moeten onze kerken ons niet inboezemen, waar het offer van hemel en
aarde, het bloed van een mensgeworden God wordt aangeboden?»10 Wij gaan er ook heen in het vertrouwen van degene
die zeer wel weet dat hij er Jezus Christus ontmoet, zijn Vriend, die zijn
leven uit liefde voor hem heeft gegeven; Hij wacht daar iedere dag op ons. Het
is eveneens het gemeenschappelijke huis waar wij onze broeders ontmoeten.
39.2 De kerken zijn de plaatsen
van samenkomst van de leden van het nieuwe volk Gods, die er vergaderen om
gezamenlijk te bidden. In de kerken ontmoeten we Jezus, want waar twee of méér
in zijn naam samen zijn, daar is Hij in hun midden11;
daar horen wij zijn stem. Maar vooral ontmoeten we er Jezus, werkelijk en substantieel
tegenwoordig in de heilige eucharistie. Hij is er tegenwoordig met zijn
goddelijkheid en allerheiligste menselijkheid, met zijn lichaam en zijn ziel.
Daar ziet en hoort Hij ons, en Hij slaat acht op ons, zoals Hij degenen te hulp
schoot die, arm en behoeftig, uit alle steden en dorpen12 naar Hem toe kwamen. Aan Jezus, tegenwoordig in het
tabernakel, mogen wij onze verlangens en zorgen voorleggen, de moeilijkheden,
zwakheden en onze wens om Hem iedere dag méér te beminnen. De wereld zou heel
anders zijn, als Jezus niet onder ons had verbleven. Hoe zouden wij dan niet
onze tempels en bedehuizen, waar Jezus op ons wacht, liefhebben? Hoeveel
vreugde hebben we niet bij het tabernakel ontvangen? Hoeveel pijnen die ons
kwelden, hebben we daar niet achtergelaten? Hoe dikwijls zijn we niet na het
gesjouw van het dagelijkse leven, gesterkt en bemoedigd, teruggekeerd? We mogen
evenmin vergeten, dat zich in het gebedshuis het altaar bevindt, waarop
dagelijks het offer van oneindige waarde, dat de Heer op Calvarië heeft
voltrokken, wordt hernieuwd. Dagelijks komen ontelbare genadegaven van Gods
barmhartigheid tot ons in deze plaatsen die aan de eredienst en het gebed zijn
gewijd.
Wanneer een hooggeplaatste gast in een huis verblijf houdt,
zou het van een groot gebrek aan hoffelijkheid blijk geven, als men hem niet
goed zou onthalen of als men zich niet aan hem zou storen. Zijn wij ons altijd
ervan bewust, dat Jezus hier op aarde onze Gast is, dat Hij onze aandacht nodig
heeft? Laten we vandaag nagaan of wij bij binnenkomst in een kerk aanstonds
Jezus gaan groeten in het tabernakel, of wij ons altijd gedragen zoals dat
hoort op een plaats waar God op bijzondere wijze woont, of onze kniebuigingen
voor Jezus in het sacrament een werkelijke geloofsdaad is, of wij altijd blij
zijn als we in de buurt van een gebedshuis komen, waar Christus waarlijk
tegenwoordig is. «Maakt het je niet blij, als je op je gebruikelijke weg door
de stad weer een ander tabernakel hebt ontdekt?»13
En we zullen onze bezigheden met méér vreugde en in grotere vrede voortzetten.
39.3 In het Nieuwe Verbond is de
ware tempel niet meer door mensenhanden vervaardigd: Jezus' heilige
menselijkheid is voortaan Gods tempel bij uitstek. Hij zelf had gezegd: Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.
En de evangelist verklaart: Hij sprak over de tempel van
zijn lichaam.14 En als het fysieke
lichaam van Jezus de nieuwe tempel van God is, dan is dat ook de Kerk, het
Mystieke Lichaam van Christus, waarvan Jezus Christus zelf de hoeksteen is, waarop het nieuwe gebouw rust. «Verworpen,
buiten gesloten, terzijde geschoven, als dood beschouwd -toen net zo goed als
thans- maakte en maakt de Vader Hem steeds tot de hechte en rotsvaste basis van
het nieuwe bouwwerk. En Hij doet dat door zijn glorievolle verrijzenis...
»De nieuwe tempel, het lichaam van Christus, geestelijk, onzichtbaar,
is gebouwd door allen en ieder afzonderlijk van de gedoopten op de levende hoeksteen, Christus, naarmate zij Hem aanhangen en in Hem groeien tot de volheid van Christus. In en door deze tempel, Gods woonstede in de Geest, wordt Hij verheerlijkt,
dankzij het heilig priesterschap dat geestelijke
offers aanbiedt (1 Pe 2,5), en wordt zijn Koninkrijk in deze wereld gevestigd.»15 De heilige Paulus bracht dit de eerste christenen
dikwijls in herinnering: Weet gij niet, dat gij Gods tempel
zijt en dat de Geest van God in u woont?16
We dienen vaak te overwegen, dat de Allerheiligste Drieëenheid
«door middel van Gods genade in de ziel van de rechtvaardige woont als in een
tempel, op innige en bijzondere wijze.»17 De
overweging van deze wonderbaarlijke werkelijkheid zal ons helpen om ons meer
bewust te zijn van de bovennatuurlijke zin van een leven in Gods genade en van
de diepe afschuw die we moeten koesteren tegenover de zonde, «die de tempel van
God verwoest», en de ziel berooft van de goddelijke genade en vriendschap. Door
deze inwoning kunnen wij genieten van een voorproef van hetgeen het gelukzalige
visioen in de hemel zal zijn, want «deze wonderbare vereniging verschilt
slechts in aard en staat van die waarvan God de gelukzaligen vervult door hen
zalig te spreken.»18
Gods tegenwoordigheid in onze ziel nodigt ons uit een meer
persoonlijke en directe omgang na te streven met de Heer, die wij op ieder
ogenblik in het diepst van onze ziel zoeken.
-1. Joh 10,22. -2. Vgl. 1 Mak 4,36-59; 2 Mak 1,1
vv; 10,1-8. -3. Vgl. 2 Mak 1,18. -4. A.G. Martimort, L'Église en priére.
-5. Ex 33, 7-11. -6. 1 Kon 8,27-30.
-7. Johannes Paulus ii, Homilie in Orcasitas (Madrid), 3-XI-1982. -8. Vgl. Ritueel van de wijding van kerken en altaren, Presentatie,
26-X-1978. -9. Vgl. Decreet 29-V-1977, waarin
genoemd Ritueel wordt gepubliceerd. -10. Anoniem, La Santa Misa, Rialp, Madrid 1975, bl. 133. -11. Mt 18,20. -12. Vgl. Mc 6,32.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 270. -14. Joh 2,20-21.
-15. Johannes Paulus ii, loc. cit. -16. 1 Kor 3,16. -17.
Leo xiii, Enc. Divinum
illud munus, 9-V-1897, 10. -18. Ibidem, 11.