Derde week. Woensdag
21. Zaaien en oogsten
-De parabel van de zaaier. Wij zijn
medewerkers van de Heer. De leer verkondigen. De gesteldheid van de zielen kan
veranderen. -Optimisme in het apostolaat. De Heer laat ons vaak niet de
vruchten zien. Geduld en volharding. «Zielen worden, als goede wijn, beter met
de jaren.» -De vruchten overtreffen altijd het zaad dat verloren ging. Veel van
onze vrienden wachten erop, dat wij met hen over Christus spreken.
21.1 Eens ging een zaaier uit om
te zaaien, vertelt de Heer ons in het evangelie van
vandaag.1 Het zaad valt op de akker, de weg, tussen distels, op rotsachtige grond; de
zaaier zaait uit de hand en het zaad komt overal terecht. Met deze parabel
wilde de Heer uitleggen, dat Hij aan ieder van ons met gulle hand zijn genade
schenkt. Zoals de boer niet let op de aarde waarover hij loopt, maar overal en
gelijkelijk het zaad uitstrooit, zó maakt de Heer geen onderscheid tussen arm
en rijk, tussen de geleerde en de onwetende, de vurige en de onverschillige,
tussen wie moedig of laf is.2 God zaait in iedereen; Hij geeft ieder de hulp die hij voor zijn
redding nodig heeft.
Op kantoor, in de onderneming, de apotheek, de
spreekkamer, in de werkplaats, de winkel of het ziekenhuis, op het veld, in de
schouwburg... overal, waar we ons ook bevinden, kunnen we de boodschap van de
Heer bekend maken. Hij zelf strooit het zaad in de zielen uit en laat het
mettertijd rijpen. «Wij zijn maar gewone dagloners, want het is God die zaait.»3 Wij zijn zijn
medewerkers op zijn akker. «Jezus zet door de christenen zijn goddelijk
zaaiwerk voort. Christus klemt het zaad in zijn gewonde handen: Hij doordrenkt
het met zijn Bloed, wast het, zuivert het en werpt het in de voor die de wereld
is»4
met oneindige edelmoedigheid.
Het is nu ónze taak de aarde te bewerken en te
bezaaien in naam van de Heer van de aarde. We mogen geen gelegenheid voorbij
laten gaan om God bekend te maken: reizen, vrije tijd, werk, ziekte, toevallige
ontmoetingen..., dit alles kan een gelegenheid zijn in iemand zaad te zaaien dat
later vruchten zal voortbrengen. God zendt ons uit om overvloedig te zaaien.
Het is niet aan ons om het zaad te laten ontkiemen; die taak komt God toe5: of het zaad gaat
kiemen en de verlangde vruchten voortbrengt, hangt alleen van God af, van zijn
genade die Hij ons nooit weigert te geven. We moeten altijd bedenken, «dat de
mensen slechts instrumenten zijn waarvan God zich bedient om de zielen te
redden. We moeten ervoor zorgen, dat deze instrumenten in goede staat verkeren,
zodat God ze kan benutten.»6 Een grote verantwoordelijkheid voor degene die zich instrument weet:
in goede staat verkeren.
Het zaad van de zaaier kwam overal terecht: op
de akker, op de weg, tussen de distels, op rotsachtige bodem. «En wat voor zin
heeft het te zaaien tussen doornen, op stenen of op de weg? Als het zaad en
aarde betrof, zou dit inderdaad geen zin hebben, omdat een steen onmogelijk
vruchtbare aarde wordt en een pad altijd een pad blijft, en distels altijd
distels. Bij de zielen is het echter anders. Daar kan een steen wel veranderen
in goede aarde; daar hoeft een weggetje niet langer betreden te worden of open
te blijven voor al degenen die voorbij komen, maar kan een vruchtbare akker
worden; daar kunnen de distels verdwijnen en het zaad opschieten op die bodem.»7 Voor God bestaat
er geen grond die te hard of onbewerkt is. Als we nederig en geduldig zijn,
kunnen onze gebeden en verstervingen de genade van de Heer verkrijgen om de
innerlijke gesteldheid te veranderen van de zielen die we dichter bij God
willen brengen.
21.2 Apostolisch werk is altijd efficiënt. God laat onze inspanningen, vaak
op een onverwachte wijze, vrucht dragen. Mijn uitverkorenen zullen zich niet moe maken voor niets8, zo heeft Hij ons
beloofd.
De apostolische zending betekent in sommige
gevallen zaaien zonder vruchten te zien, en in andere gevallen oogsten wat
anderen hebben gezaaid met hun woorden, door hun lijden in het ziekenhuisbed,
of door een eentonig werk in het verborgene dat voor mensenogen onopgemerkt
bleef. In beide gevallen wil God, dat zaaier
en maaier zich samen verheugen.9 Het apostolaat is
een vreugdevolle opgave, en tegelijk een taak die opofferingen vergt: bij het
zaaien en bij het oogsten.
De apostolische taak is ook een zaak van geduld
en volharding. Zoals de landarbeider dagen en nog eens dagen moet wachten tot
hij de eerste scheuten ziet uitkomen, en nog langer tot de oogsttijd, zo moeten
ook wij weten te wachten bij onze inspanningen om zielen tot God te brengen.
Het evangelie en onze eigen ervaring leren ons, dat de genade gewoonlijk tijd
nodig heeft om vruchten voort te brengen in de zielen. We weten ook dat velen
in hun hart weerstand bieden aan de genade, zoals ook ons vroeger overkomen kan
zijn. Onze hulp aan anderen zal zich dan openbaren in nog meer geduld -dat zeer
nauw verbonden is met de deugd van sterkte- en in standvastigheid, zonder ooit
ontmoedigd te raken. Laten we niet proberen de vrucht los te rukken voordat hij
rijp is. «Het geduld prikkelt ons om vol begrip tegenover anderen te zijn, in
de overtuiging dat zielen, net als goede wijn, beter worden met de jaren.»10
Wachten mag echter niet verward worden met
nalatigheid of met opgeven. Integendeel, het zet ons ertoe aan de meest
geschikte middelen te gebruiken in de concrete situatie waarin degene zich
bevindt die we willen helpen: de leer nog beter uitleggen, meer gebed en
vreugde, offervaardigheid, een verdieping van de vriendschap...
En wanneer het zaad op rotsachtige bodem of
tussen distels lijkt te vallen en de verlangde vruchten langer op zich laten
wachten, dan moeten we elke schaduw van pessimisme ver van ons wegwerpen,
hoewel we het graan niet zien opkomen wanneer we dat wensen. «U vergist u vaak,
als u zegt: 'Ik heb mijn kinderen slecht opgevoed', of: 'Ik heb geen goed
kunnen doen voor de mensen om mij heen'. Wat er gebeurt is dat u nog niet het
resultaat bereikt hebt dat u wenste, dat u nóg niet de vruchten ziet die u
verlangde, omdat de oogst nog niet rijp is. Van belang is evenwel dàt u gezaaid
hebt, dàt u God aan de zielen gegeven hebt. Wanneer God wil, zullen die zielen
naar Hem terugkeren. Misschien zult u het zelf niet meer beleven, maar dan
zullen er anderen zijn om te oogsten wat u gezaaid hebt.»11 Vooral zal Christus
er zijn, voor wie wij ons hebben ingespannen.
Werken wanneer men geen vruchten ziet, is een
duidelijk symptoom van geloof en van een zuivere mening, een helder teken dat
wij werkelijk een taak vervullen uitsluitend voor Gods eer. «Het geloof is een
onmisbaar vereiste voor het apostolaat, en vaak komt dat tot uiting in de
volharding waarmee iemand over God spreekt, ook al laten de vruchten op zich
wachten.
»Als we doorzetten en vasthoudend zijn in de
overtuiging dat de Heer het wil, zullen er ook in jouw omgeving overal tekenen
van een christelijke revolutie gaan verschijnen: sommigen zullen zich geven,
anderen zullen hun innerlijk leven serieus gaan nemen en weer anderen -de
zwaksten- zullen op zijn minst gewaarschuwd zijn.»12
21.3 Een ander deel van het zaad, daarentegen, viel op goede grond, leverde vrucht op en bracht het dertig-, zestig-
en honderdvoudige voort.
Hoewel een deel van het zaad verloren ging
omdat het op slechte grond viel, leverde de rest een indrukwekkende oogst op.
De vruchtbaarheid van de goede grond compenseerde overvloedig het zaad dat niet
de vereiste vruchten opleverde. We mogen nooit het radicale optimisme vergeten
dat de christelijke boodschap met zich meebrengt: het apostolaat brengt altijd
vruchten voort die in geen verhouding staan tot de middelen die werden ingezet.
Als we trouw zijn, zal de Heer ons vergunnen om in het hiernamaals al het goede
te zien dat werd voortgebracht door ons gebed, door de arbeidsuren die we voor
anderen opdroegen, door de gesprekken die we met onze vrienden hielden, door de
uren van ziekte die we als offer aanboden, door het resultaat van die
ontmoeting waarvan we verder nooit meer iets vernomen hebben; we zullen de
vruchten zien van alles wat ons hier als een mislukking toescheen; we zullen die
mensen zien voor wie wij ons rozenkransgebed opdroegen als we van de
universiteit of van kantoor kwamen... Er is niets dat geen vruchten heeft
voortgebracht: deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig. De grootste
fout die een zaaier zou kunnen begaan, is het zaad niet uit te strooien, uit
angst dat het gedeeltelijk op onvruchtbare grond zou vallen; en onze grote fout
zou zijn, dat we zouden nalaten over Christus te spreken, uit vrees dat we de
kunst van het zaaien niet goed verstaan of dat iemand onze woorden verkeerd
uitlegt of zegt dat die hem niet interesseren, of...
In het apostolaat
moeten we voor ogen houden, dat God weet dat sommigen onze
oproep zullen beantwoorden en anderen niet. Toen Hij de mens als een vrij wezen
schiep, hield God -in zijn oneindige wijsheid- rekening met het risico dat de
mens zijn vrijheid zou misbruiken: Hij
aanvaardde dat sommige mensen geen vruchten zouden willen dragen; «elke ziel
kan haar eigen lot bepalen, ten goede of ten kwade [...]. Wij zijn telkens weer
onder de indruk van dit verschrikkelijke vermogen van u en van mij. Maar
dit vermogen is tevens het teken van onze adel.»13
God verheugt zich over hen die uit vrije wil
aan zijn genade beantwoorden. Wat wordt er veel glorie aan God gegeven door een
ziel die in vrijheid besluit zijn genade aan te nemen in plaats van die af te
wijzen! Welk een welbehagen heeft God in iemand die zich inzet om met de
goddelijke bijstand vruchten van heiligheid voort te brengen in plaats van lauw
en onverschillig te blijven. Laten we bedenken hoezeer de heiligen Hem hebben
behaagd, hoezeer de heilige Maagd Hem tijdens haar verblijf op aarde
verheerlijkt heeft. Dit moet de basis zijn van ons optimisme in het apostolaat.
God had ons kunnen scheppen zonder vrijheid,
zodat we Hem zouden verheerlijken zoals dieren en planten dat doen, die zich bewegen volgens de wetten van hun
natuur, van hun instincten en die
onderworpen zijn aan de slavernij van
in- en uitwendige prikkels. We hadden kunnen zijn als meer volmaakte
dieren, maar zonder enige vrijheid. Maar God heeft ons willen scheppen als
vrije wezens, opdat wij -uit liefde- zouden erkennen, dat wij van Hem
afhankelijk zijn. Laten wij in vrijheid, zoals de maagd Maria, zeggen: Zie de dienstmaagd des Heren.14 Ons uit liefde tot slaaf van God maken, is een vorm van eerherstel aan
de Heer voor alle beledigingen die anderen Hem kunnen aandoen, doordat zij hun
vrijheid verkeerd gebruiken.
Laten wij de vreugde van het zaaien ervaren,
«ieder naargelang van gelegenheid, vermogen, genadegave en bediening. Allen
dus, of zij nu zaaien of maaien, of zij nu planten of begieten, moeten één
zijn, opdat zij 'door vrije en geordende samenwerking voor hetzelfde doel',
eensgezind hun krachten geven aan de opbouw van de Kerk.»15
-1. Mc 4,1-20. -2. Vgl. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 44,3. -3. H. Augustinus, Preek 73,3. -4. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs
komt, 157. -5. Vgl. 1 Kor 3,7. -6. H. Pius X, Enc. Haerent animo, 9. -7. H. Johannes Chrysostomus, o.c., 44. -8. Jes 65,23. -9. Joh 4,36. -10. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 78. -11.
G. Chevrot, Jesus et la samaritaine. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 207. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 33. -14.
Lc 1,38. -15. Vaticanum ii,
Decr. Ad gentes, 28.
|