Eenendertigste zondag door het jaar (C)
21. Zacheüs
-Verlangens om
Christus te ontmoeten. De nodige middelen aanwenden. -Onthechting
en edelmoedigheid van Zacheüs. -Jezus zoekt ons altijd. Hoop in het eigen
innerlijk leven en in het apostolaat.
21.1 Andermaal spreken de teksten van de
heilige Mis van vandaag over de goddelijke barmhartigheid. Het is begrijpelijk,
dat deze onuitsprekelijke werkelijkheid zo vaak ter sprake komt, aangezien Gods
erbarming een onuitputtelijke bron van hoop is en wij de goddelijke genade
zozeer behoeven. Wij dienen er vaak aan herinnerd te worden, dat de Heer genadig en barmhartig
is.
In de eerste lezing1
stelt het Boek Wijsheid ons deze goedheid en liefdevolle zorg van God over heel
de schepping en met name de mens tegenwoordig: En hoe zou iets in stand zijn gebleven, als Gij het niet gewild hadt,
of hoe zou iets behouden zijn, dat door U niet was geroepen? Gij spaart echter
alles, omdat het van U is, Gij Heer, die al wat leeft bemint. Uw
onvergankelijke geest is immers in alles. Daarom straft Gij slechts gaandeweg
degenen die misdoen en Gij vermaant hen door hun onder ogen te brengen waarin
zij zondigen, opdat zij, uit hun boosheid bevrijd, in U, Heer, geloven.
Het evangelie2
spreekt ons van Jezus' erbarmingsvolle ontmoeting met Zacheüs. De Heer ging
Jericho binnen, op weg naar Jeruzalem. Bij het binnengaan van de stad heeft de
genezing plaatsgehad van een blinde bedelaar die door zijn geloof en aandringen
tot bij Jezus wist te komen, ondanks de menigte, ondanks de mensen die hem het
zwijgen poogden op te leggen. Dan vult de menigte de straten van deze
belangrijke stad waar de Meester doorheen trekt geheel. Een van hen was de man
die hoofdambtenaar bij het tolwezen en
rijk was; vanwege zijn ambt zeer goed bekend in
Jericho. Tollenaars waren belastinginners. Rome bezat geen eigen
functionarissen voor dit ambt, maar belastte bepaalde mensen uit het land zelf
daarmee. Zij konden dan weer -zoals Zacheüs- ondergeschikten hebben. De omvang
van de belasting werd door het Romeinse gezag begroot; de tollenaars inden een
bedrag daarboven op, waarvan zij leefden. Dit leende zich voor willekeur, en
daardoor kwamen ze makkelijk op vijandige voet met de bevolking te staan. In
het geval van de joden kwam daar nog de onterende factor bij, dat het
uitverkoren volk werd uitgebuit ten gunste van de heidenen.3 Lucas vertelt ons, dat Zacheüs poogde te zien wie Jezus was, maar daarin niet
slaagde vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte. Maar zijn verlangen is krachtdadig; om zijn doel te bereiken mengde
hij zich eerst tussen de menigte en daarna, zonder zich te bekommeren om wat
men van zijn handelen zou zeggen, liep
hij hard vooruit en klom in een wilde vijgeboon, omdat Jezus daar langs zou
komen. Hij maakte zich niet druk om wat de mensen
zouden denken als ze een man van zijn positie eerst zouden zien rennen en
daarna in een boom klimmen. Dit is een geweldige les voor ons die voor alles
Jezus willen zien en bij Hem blijven. Maar wij moeten vandaag onderzoeken hoe
oprecht en krachtig deze verlangens zijn: «Wil ik Jezus zien?» -zei paus
Johannes Paulus II in een homilie-, «doe ik alles om Hem te kunnen zien?
Dit probleem is na 2000 jaar nog net zo actueel als in de tijd waarin Jezus
door de steden en dorpen van zijn land trok. En het is actueel voor ieder van
ons: wil ik Hem werkelijk aanschouwen of ontloop ik Hem liever? Wil ik Hem
liever niet zien of wil ik dat Hij mij ziet? En als Ik Hem dan een beetje
ontwaar, zie ik Hem dan liever van verre, blijf ik op grote afstand en kom ik
Hem niet voor ogen, om niet al te zeer de aandacht te trekken..., om niet de hele
waarheid die in Hem is, die van Hem, van Christus komt, te hoeven aanvaarden?»4
21.2 Iedere inspanning die wij doen om tot
Christus te naderen wordt ruimschoots beloond. Toen Jezus bij de plaats kwam, keek Hij omhoog en zei tot hem: Zacheüs,
klim vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn. Welk een onmetelijke vreugde! Hij die al tevreden was als hij Hem vanuit een boom kon zien, maakt nu mee
dat Jezus hem bij zijn naam roept als een oude vriend en zich met hetzelfde
vertrouwen uitnodigt in zijn huis. «Degene die het voor iets groots en
onuitsprekelijks beschouwde Hem te kunnen zien voorbijgaan -legt de heilige
Augustinus uit- verdiende het Hem aanstonds in huis te ontvangen.»5 De Meester, die in zijn hart de oprechtheid van zijn
verlangens had gelezen, wilde deze gelegenheid niet voorbij laten gaan. Zacheüs
«ontdekt dat hij persoonlijk wordt bemind door Degene die zich openbaart als de
verwachte Messias, voelt zich tot in het diepst van zijn geest geraakt en opent
zijn hart.»6 Meteen wil hij dicht bij de Meester
zijn: hij kwam snel naar beneden en
ontving Hem vol blijdschap. Hij ervoer de
uitzonderlijke vreugde van eenieder die Jezus ontmoet.
Zacheüs bezit de Meester en met Hem bezit hij
alles. «Hij is niet bang, dat de ontvangst van Christus in zijn eigen huis zijn
beroepscarrière bij voorbeeld zou kunnen bedreigen, of enkele handelingen,
verbonden met zijn werkzaamheid als hoofdtollenaar, zou kunnen bemoeilijken.»7 Integendeel, hij bewijst metterdaad de oprechtheid
van zijn nieuwe leven; hij bekeert zich tot leerling van de Meester: Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit
aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel
terug. Dat gaat heel wat verder dan hetgeen de Wet
van Mozes8 bepaalt inzake de teruggave, en
daarenboven nog het schenken van de helft van zijn bezit aan de armen! De ontmoeting
met Jezus maakt ons edelmoedig tegenover anderen, brengt ons aanstonds tot het
delen van wat we hebben, veel of weinig, met degene die het harder nodig heeft.
Zacheüs begreep, dat voor het volgen van Christus de meest volledige
onthechting noodzakelijk is. «Mijn God, ik zie dat ik U alleen als mijn
Verlosser zal aanvaarden als ik U tegelijkertijd ook erken als Voorbeeld. -Omdat
U arm hebt willen zijn, geef mij liefde voor de heilige Armoede. Ik neem me
voor, met uw hulp, arm te leven en te sterven, zelfs al zou ik over miljoenen
kunnen beschikken.»9
21.3 Toen Jezus het huis van Zacheüs
binnenging, begonnen velen te morren dat Hij zijn intrek nam in het huis van
een zondaar. Toen sprak de Heer die troostrijke woorden, die tot de schoonste
behoren van heel het Evangelie: Vandaag
is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham.
De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was. Dit is een oproep tot hoop: als de Heer ooit zou toelaten, dat we een
moeilijke tijd meemaken, een kwade periode, als we ons in duisternis en
verloren voelen, dan mogen we weten dat Jezus, de Goede Herder, ons aanstonds
zal komen zoeken. «Zoekt hij een hoofdtollenaar op: wie zou dan aan zichzelf
wanhopen, wanneer zo iemand genade verkrijgt?», legt de heilige Ambrosius uit.10 De Heer vergeet de zijnen nooit.
De figuur van Zachëus zal ons ook helpen
niemand ooit voor God als verloren of ongeneeslijk te beschouwen. Voor de bewoners
van Jericho stond deze hoofdtollenaar erg ver van God af. Het evangelie laat
tussen de regels door zien, dat dit zo was.11
Maar toch, vanaf het moment dat Hij die stad binnenging, hield Jezus zijn ogen
op hem gericht. In weerwil van de uiterlijke schijn was Zacheüs' hart vol
verlangen om de Meester te zien. En zoals Lucas meteen daarna aantoont, was
zijn ziel bereid tot berouw, tot herstel en tot edelmoedigheid. Zo zijn er veel
mensen om ons heen die Jezus verlangen te zien, en hopen dat iemand bij hen
stil houdt, hen met begrip aankijkt en hen tot een nieuw leven uitnodigt.
We moeten de hoop nooit laten varen, zelfs niet
wanneer alles verloren lijkt. Gods erbarming is oneindig en almachtig, en gaat
al ons oordelen te boven. Van een heilige vrouw wordt een bijzonder
veelbetekenend voorval vermeld, dat een diep spoor in haar ziel achterliet en
dat heel tekenend de omvang van de goddelijke barmhartigheid toont. Een
verwante van de betrokken persoon maakte een einde aan zijn leven door van een
brug af in de rivier te springen. De vrouw was een tijd lang zo ontroostbaar en
bedroefd, dat zij niet eens voor hem durfde te bidden. Op een goede dag vroeg
de Heer haar, waarom zij niet voor hem ten beste sprak, zoals ze dat voor
anderen deed. Zij stond verbaasd bij de woorden van Jezus en antwoordde Hem: «U
weet toch wel dat hij van de brug gesprongen is en een einde aan zijn leven
heeft gemaakt»... En de Heer antwoordde haar: «Weet jij dan niet, dat Ik daar
was, tussen die brug en het water?»
Deze vrouw had
nooit getwijfeld aan de goddelijke barmhartigheid, maar vanaf die dag kende
haar vertrouwen in de Heer
geen grenzen meer. En zij bad voor die verre verwant met bijzondere
intensiteit en geloof. Een sterk gelijkend voorval wordt verteld van het leven
van de pastoor van Ars.12 Beiden beklemtonen
eenzelfde werkelijkheid: wanneer wij denken aan de goedheid en het medelijden
van God met zijn kinderen, schieten we enorm tekort.
Laten wij nooit twijfelen aan de Heer, zijn
goedheid en zijn liefde voor de mensen, hoe moeilijk of extreem ook de
stituatie mag zijn waarin wij ons bevinden of degenen die wij tot Jezus willen
brengen. Zijn barmhartigheid is altijd veel groter dan ons armzalig oordeel.
-1. Wijsh 11,25-26;12,1-2. -2. Lc 19,1-10. -3. Vgl. The Navarre Bible, noot
bij Mt
5,46. -4. Vgl. Johannes Paulus ii, Homilie, 2 november 1980. -5. H. Augustinus, Preek 174, 6. -6. Johannes Paulus ii, Homilie, 5 november
1989. -7. Idem, Homilie, 2 november
1980. -8. Ex 21,37 e.v. -9. Zalige Josemaria
Escrivá, De Smidse, 46. -10. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie
van Lucas, in loc. -11. Vgl. Lc 19,7-10. -12. Vgl. F. Trochu, Le Curé d'Ars, Lyon-Paris 192515, bl. 620.
|