Paasoktaaf. Woensdag
4. ZICH LATEN HELPEN
-Op de weg naar Emmaüs. Jezus leeft en staat ons terzijde.
-Christus laat de zijnen nooit in de steek; laten wij Hem nooit in de steek
laten. De deugd van trouw. Trouw zijn in het kleine. -De deugd van trouw moet
alle verschijningsvormen van het christelijk leven inspireren.
4.1 Het evangelie van de Mis van vandaag schetst
ons een andere verschijning van Christus, op Pasen zelf, tegen de avond.
Twee leerlingen zijn op weg naar hun dorp, Emmaüs. Zij hebben
de moed en de hoop verloren, omdat Christus, in Wie zij de volle zingeving van
hun leven gevonden hadden, gestorven was. De Heer gaat naar hen toe en loopt,
zonder herkend te worden, met hen op, alsof Hij ook gewoon onderweg is.1 Het gesprek
verloopt in korte zinnen, zoals meestal wanneer men aan het lopen is. Zij
hebben het over wat hen bezighoudt: de gebeurtenissen in Jeruzalem op
vrijdagmiddag, het sterven van Jezus van Nazareth. Door de kruisiging van de
Heer zijn de verwachtingen van allen, die zich als zijn leerlingen beschouwden
en in mindere of meerdere mate op Hem vertrouwden, ernstig op de proef gesteld.
De gebeurtenissen hadden elkaar snel opgevolgd en zij waren alles, wat zij met
eigen ogen gezien hadden, nog niet te boven gekomen.
Deze twee gingen terug naar hun dorp, nadat zij in Jeruzalem
het paasfeest gevierd hadden. In hun woorden klinken hun enorme droefheid,
wanhoop en verslagenheid door. Wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou
zijn die Israël ging verlossen, zeiden zij. Op dat moment spreken zij al
over Jezus in de verleden tijd: Dat met Jezus van Nazareth, een man die
profeet was, machtig in daad en woord... «Let eens op die tegenstelling. Zij
zeggen: 'Die was...'. En Hij gaat aan hun zijde! Hij loopt met hen op en vraagt
naar de oorzaak, naar de diepste wortels van hun droefheid. 'Die was...', zeggen
zij. Als wij onze droefheid, moedeloosheid, levensmoeheid
oprecht, nauwkeurig onderzoeken, zullen wij een duidelijke band met deze
passage uit het evangelie ontdekken. En wij zullen beseffen dat als wij zeggen:
'Jezus was', 'Jezus zei...', dat zoiets komt, omdat wij vergeten, dat Jezus,
zoals op de weg naar Emmaüs, op ditzelfde moment levend naast ons staat. Deze
ontdekking verlevendigt het geloof, wekt de hoop weer tot leven, en verschaft
inzicht in wat Jezus ons voorhoudt als de vreugde van de tegenwoordige tijd:
Jezus is, Jezus heeft zijn voorkeuren, Jezus zegt, Jezus vraagt, nu, nu op dit
moment.»2 Jezus leeft.
Die mannen kenden wel degelijk de belofte van Christus, dat
Hij op de derde dag zou verrijzen. 's Ochtends hadden zij de boodschap gehoord
van de vrouwen die bij het lege graf en de engelen geweest waren. Zij hadden
voldoende duidelijkheid om hun geloof en hun hoop te voeden. Toch spraken zij
over Christus als over iemand uit het verleden, een verloren zaak. Zij vormen
het levende beeld van ontmoediging. Hun verstand was verduisterd en hun hart
afgestompt.
Christus zelf -die zij in het begin niet herkennen, maar
wiens gezelschap en conversatie zij aanvaarden- verschaft hun inzicht in de
gebeurtenissen in het licht van de Schriften. Met geduld ontsluiert Hij hun het
geloof en de hoop. En die twee mannen krijgen ook weer vat op de blijdschap en
de liefde: Brandde -zeiden zij later- brandde ons hart niet in ons,
terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?3 Het is mogelijk,
dat wij ook ooit te maken krijgen met ontmoediging, vanwege moeilijkheden in
het apostolaat of in het werk die onoverkomelijk lijken. Als wij ons in die
gevallen laten helpen, zal Jezus niet toelaten, dat wij van Hem verwijderd
raken. Mogelijkerwijs gebeurt dat in de geestelijke leiding, waarin wij, door
ons hart oprecht te openen, de Heer opnieuw zullen zien. En met Hem bereiken
ons altijd weer de blijdschap en het verlangen zo snel mogelijk opnieuw te
beginnen: Zij stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug...
Je laten helpen is dan noodzakelijk, alsook de bereidheid de gekregen raad
zonder meer op te volgen.
4.2 Hoop is de deugd van wie onderweg is en, net als
wij, het einddoel nog niet bereikt heeft, maar weet, dat hij altijd beschikt
over de middelen om de Heer trouw te zijn en te volharden in de eigen roeping,
in het nakomen van de eigen verplichtingen. Wij dienen echter wel altijd een
gewillig oor te hebben voor Christus, die bij ons is te midden van onze
bezigheden, en erop bedacht te zijn «de sterke hand te grijpen die God ons
zonder onderbreking reikt, opdat wij het bovennatuurlijk perspectief nooit uit
het oog verliezen. «Hij reikt ons ook zijn hand, als onze passies zich roeren
en ons belagen om ons op te sluiten in de miezerige wijkplaats van ons eigen
ik, of als wij -met kinderachtige ijdelheid- vinden, dat wij het middelpunt van
de wereld zijn. Ik leef in de overtuiging dat ik niets zal presteren zonder
mijn blik naar boven, zonder Jezus. Ik weet dat mijn sterkte, om te overwinnen
en mijzelf te overwinnen, voortkomt uit het herhalen van deze leus: alles
vermag ik in Hem die mij kracht geeft (Fil 4,13) die herinnert aan de
zekere belofte van God zijn kinderen niet in de steek te laten, als zijn
kinderen Hèm niet in de steek laten.»4 In de loop van het evangelie spreekt de Heer ons
vaak over trouw: Hij stelt ons de trouwe en verstandige dienstknecht, de
dienaar die goed en trouw is in het kleine, de trouwe rentmeester enz., ten
voorbeeld. Trouw is een zó wezenlijke eigenschap van de christen, dat in de
verschillende talen waarin het christendom in den beginne verspreid werd, voor
'getrouwe' en 'gelovige' hetzelfde woord gebruikt werd en de volgelingen van
Christus dan ook kortweg getrouwen of gelovigen, fideles, genoemd
werden.5
Het tegenovergestelde van
volharding is wankelmoedigheid, waardoor de mens makkelijk ervan afziet het
goede te doen of afwijkt van de ingeslagen weg, als hij geconfronteerd wordt
met moeilijkheden of verleidingen. Onder de meest voorkomende hinderpalen voor
trouwe volharding bevindt zich, op de eerste plaats, de hoogmoed die de
grondslag van de trouw ondermijnt en de wil om tegen moeilijkheden en
verleidingen te strijden verzwakt. Zonder nederigheid zal de volharding zwak en
broos worden. In andere gevallen zal trouw aan een aangegane verbintenis
bemoeilijkt worden door de eigen
omgeving, door het gedrag van mensen die het voorbeeld zouden moeten geven en
het niet doen en daardoor de indruk willen wekken dat trouw zijn geen
fundamentele waarde van de persoon is.
Bij weer andere gelegenheden
kunnen de belemmeringen hun oorsprong hebben in het verwaarlozen van de strijd
in het kleine. De Heer zelf heeft ons gezegd: Wie betrouwbaar is in het
kleinste, is het ook in het grote.6 De christen die zijn werk tot in de kleinste
plichten-nauwgezetheid, orde- verzorgt; die zijn best doet om gedurende de dag
in de aanwezigheid van God te blijven; die ongedwongen zijn zinnen de baas
blijft; de man die zijn echtgenote in de kleine voorvallen van de dag trouw is;
de student die elke dag zijn colleges en werkgroepen voorbereidt... zij zijn op
weg trouw te zijn wanneer hun verbondenheid doorzettingsvermogen vraagt.
Trouw tot aan het
levenseinde vergt trouw in het kleine van elke dag en het telkens opnieuw weten
te beginnen, wanneer er uit zwakheid iets misgegaan is. Volharden in de eigen
roeping is beantwoorden aan de oproepen, die God in de loop van een leven doet,
ook al zijn er veel hinderpalen en moeilijkheden of soms op zichzelf staande gevallen
van lafheid of mislukking. De oproep van Christus vraagt een ferm en niet
aflatend antwoord en, tegelijkertijd, een dieper doordringen in de betekenis
van het kruis en in de grootsheid en de eisen van de weg die men moet gaan.
4.3 Deze deugd van trouw moet alle uitingen van het
christenleven doordríngen: de banden met God, met de Kerk, met de naaste, in
het werk, in de plichten van staat en jegens zichzelf. Sterker, de mens beleeft
de trouw in al haar vormen, wanneer hij trouw is aan zijn roeping. En aan zijn
trouw jegens God ontleent hij de trouw aan elke waarachtig verbintenis, die hij
ook weer op de trouw aan God kan terugvoeren. Mislukken in de roeping die God
voor ons gewild heeft, is immers mislukken in alles. Bij gebrek aan trouw
jegens de Heer valt alles in duigen. Niettemin kan het gebeuren, dat God in
zijn barmhartigheid alles weer samenvoegt, als de mens Hem dit nederig vraagt.
God zelf ondersteunt
voortdurend onze trouw en Hij houdt altijd rekening met menselijke zwakheid,
met gebreken en dwalingen. Hij is bereid ons de noodzakelijke genade te geven,
zoals aan de twee Emmaüsgangers, om steeds vooruit te komen, als er sprake is
van een oprecht leven en het verlangen vol te houden. En tegenover de nederlaag
in de strijd moeten wij niet vergeten, dat God meer dan naar het succes, naar
de niet aflatende poging in de strijd kijkt.
Op deze wijze zullen wij,
door trouw onze dagelijkse bezigheden uit te voeren, bereiken, dat wij aan het
eind van ons leven in vreugdevol geluk die woorden van de Heer horen: Uitstekend,
goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u
aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.7
Het is goed mogelijk, dat
wij ook te maken krijgen met mensen, die de bovennatuurlijke betekenis van hun
leven niet meer zien. Wij zullen hen dan -in naam van de Heer- naar het licht
en naar de hoop moeten voeren. Er is immers veel lauwheid in de wereld, veel
duisternis. En de apostolische zending van de gelovige is de voortzetting van
de zending van Christus, toegepast op de mensen, tussen wie ons leven zich
afspeelt.
Aan het eind van ons gebed
zeggen ook wij tot Jezus: Blijf bij ons, Heer, want het wordt al avond.
Blijf bij ons, Heer, want zònder U verdwalen wij en lopen wij verloren. En mèt
U krijgt alles een nieuwe zin: achter de dood is een volstrekt andere
werkelijkheid. Mane nobiscum, quoniam advesperascit et inclinatus est iam
dies. Blijf bij ons, Heer... laten wij dat in alle belangrijke fasen van ons
bestaan herhalen. Help ons trouw te zijn, help ons de wijze raad te zoeken bij
de mensen in wie Gij aanwezig bent tijdens ons voortdurend op weg zijn naar U.
«Blijf bij ons, want het is al donker geworden... De bede van Kléopas en
zijn metgezel had effect. Wat zou het jammer zijn als jij en ik Jezus niet
zouden kunnen vasthouden als Hij langs komt! Wat erg, als we Hem niet zouden
vragen om te blijven!»8
-1. Lc 24,13-35. -2. A.G. Dorronsoro, Dios y la gente, Madrid 1973, bl.
103. -3. Lc 24,32. -4. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 213. -5. Vgl. Hnd
10,45; 2 Kor 6,15; Ef 1,1. -6. Lc 16,10. -7. Mt
25,21. -8. H. Jozefmaria Escrivá,
De Voor, 671.
|