Dertiende zondag door het jaar (C)
48. Zie niet om
-De eisen van onze roeping: promptheid in zelfgave,
onthechting, geen voorwaarden stellen. -De bewijzen van trouw. -Deugden die ons
steunen op onze tocht naar God.
48.1 De lezingen van de mis van
vandaag helpen ons na te denken over onze roeping, even goed als over de dienst
aan God en de mensen die erdoor vereist wordt. De eerste lezing verhaalt ons
hoe Elia vanaf de Horeb door God wordt gezonden om Elisa te zalven als een
profeet van Yahweh. Elia verliet de berg en trof Elisa aan terwijl hij aan het
ploegen was. Toen Elia langs kwam, wierp hij Elisa zijn
mantel toe, als een teken dat God wilde dat hij zich zou toewijden ten
dienste van Hem. Elisa gaf onmiddellijk en van ganser harte gehoor, niets
achterlatend dat voor hem oorzaak zou kunnen worden tot terugkeer: Hij slachtte
de twee ossen waarmee hij aan het ploegen geweest was, maakte van het hout van
zijn ploeg een vuur, braadde de ossen en gaf het vlees aan zijn mensen, die het
opaten. Toen stond hij op en ging Elia achterna.1
De heilige Lucas vertelt ons in het evangelie2 over drie mensen die eraan denken de Heer te volgen.
De eerste benadert Jezus als Hij en zijn vrienden opgaan naar Jeruzalem en naar
de Calvarieberg, hun laatste lange reis. Het ziet ernaar uit dat deze nieuwe
leerling iemand is die zeer toegenegen kon zijn. Ik zal U
volgen, waar Gij ook heen gaat, zegt hij tegen de Meester. Bij dit
gebaar van edelmoedigheid, wijst de Heer op het soort van leven dat hij kan
verwachten als hij Hem echt zal volgen, om zeker te zijn dat deze pas
aangekomene weet wat hij zich op de hals haalt. De opdracht van Christus
betekent een voortdurend komen en gaan, een te pas en te onpas preken van het
evangelie, redding brengen aan allen; en de leerling zal Iemand volgen die Zelf niets heeft waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten. Zo
zal het leven zijn van allen die Hem volgen. Zij zullen onthecht moeten zijn
van alles wat hen zou kunnen tegenhouden, en hun toewijding moet noodzakelijkerwijze
totaal zijn.
De tweede wordt rechtstreeks door de Heer geroepen. Volg Mij, zegt Hij tegen hem. Deze mogelijke leerling
verwelkomt de uitnodiging, maar niet meteen. Hij denkt dat een ander tijdstip
beter zou zijn, daar er nog voor enige familiezaken moet worden gezorgd. Hij is
er zich niet van bewust dat, als God roept, de beste tijd nu is,
niettegenstaande de omstandigheden rondom een roeping; want die zouden tot een
al te menselijk-verstandige redenering kunnen leiden om argumenten te vinden om
zijn opdracht uit te stellen. God heeft meer verheven plannen zowel voor de leerling
als voor degenen die ogenschijnlijk benadeeld zouden worden doordat hij hen verliet.
Vanaf alle eeuwigheid is alles door God zo voorbereid, dat Zijn keuze en Zijn
tijdsbepaling de beste is voor alle betrokkenen. Het antwoord aan Christus'
oproep moet onmiddellijk, opgewekt en onvoorwaardelijk zijn, vanuit een geest
van onthechting.3 Wanneer Jezus bij ons langs
komt, behoren we onze toewijding aan Hem niet uit te stellen. Misschien zullen
we Hem niet vinden als we later proberen Hem in te halen, als Hij weer voorbij
komt. De Heer gaat verder op Zijn weg. Het is een ernstige zaak te bezwijken
voor de bekoring, te aarzelen wanneer Christus ons roept.4 God roept elk van ons in aparte omstandigheden. Laat ons
vandaag in ons gebed overwegen of wij dadelijk reageren, met onbevangenheid en
onvoorwaardelijk, op de afzonderlijke roeping die Christus aan ieder van ons
heeft gegeven.
48.2 Alleen sint Lucas vermeldt
ook de derde persoon. Deze wil teruggaan om afscheid te nemen van de mensen
thuis. Misschien, daar het de laatste gelegenheid zal zijn, wenst hij nog wat
tijd met zijn familie door te brengen. Hij schijnt de hand
aan de ploeg te hebben geslagen en heel oprecht de Meester te willen
volgen. Maar de oproep van de Heer is altijd urgent. De
oogst is groot en arbeiders zijn er weinig. Sommige oogsten gaan
verloren omdat er niemand is om ze binnen te halen. Tijd trachten te winnen, omzien,
voorwaarden beginnen te stellen over de ons voorgestelde verbintenis, komen
allemaal op hetzelfde neer. Jezus zegt tegen deze aanstaande leerling: Wie de hand aan de ploeg slaat maar omziet naar wat achter hem
ligt, is ongeschikt voor het Rijk Gods.
De nieuwe taak van degene die is geroepen, wordt vergeleken
met het werken met een Palestijnse ploeg. Het is een werktuig dat niet
gemakkelijk is om te bedienen, in het bijzonder in de harde grond van de velden
bij het meer van Galilea. Eenmaal het handvat van de ploeg vastgepakt, is er
geen omzien meer mogelijk. Men kan niet terugkeren wanneer God roept. Om trouw
te zijn en ook gelukkig, moeten we onze ogen gericht hebben op Jezus.5 Als de wedloop eenmaal is begonnen, denkt de
hardloper niet aan andere dingen. Zijn enige zorg is om aan de eindstreep te
komen en de wedstrijd te winnen. De ploeger heeft een vast punt waarnaar hij
zijn ploeg richt. Als hij omkijkt, kan hij geen rechte voor trekken.
Soms komt de bekoring om achterom te kijken door onze eigen
beperktheden, of door een omgeving die uitgesproken vijandig is tegenover de
verplichtingen die iemand op zich heeft genomen; de bekoring kan zelfs komen
door het gedrag van degenen die een voorbeeld zouden moeten zijn, maar het
allesbehalve zijn. Door de manier waarop zij leven, schijnen ze ons te zeggen
dat trouw niet één van de fundamentele waarden is. Bij andere gelegenheden kan
de bekoring ontstaan door gebrek aan hoop, wanneer we de heiligheid, ondanks al
onze inspanningen om te blijven vechten, net zo ver weg zien als nooit tevoren.
«Na het enthousiasme van het begin zijn de aarzelingen, twijfels en angsten
begonnen. Je tobt over je studie, je familie, financiële problemen en vooral
over het idee dat je het leven niet aan kunt, dat je misschien te hoog hebt
gegrepen, dat je geen levenservaring hebt.
»Ik zal je een probaat middel geven om die angsten
-bekoringen van de duivel of van je gebrek aan edelmoedigheid! - te overwinnen:
minacht ze, verwijder ze uit je gedachten. De Meester preekte dit al twintig
eeuwen geleden op een indringende manier: 'Kijk niet om naar wat achter u
ligt!'»6 Integendeel, in dergelijke omstandigheden
moeten wij, in plaats van ons met onnutte verontschuldigingen bezig te houden,
onze ogen resoluut op Christus richten. Wees trouw, zegt Hij ons. Ga voort! En
wanneer ook wij naar Jezus kijken, gaan we door met goede vooruitgang te boeken
op onze tocht. «Nooit hebben wij voldoende reden om achterom te kijken.»7
De heilige Athanasius zegt ons: «Omzien is een teken dat we
spijt hebben, en wijst op het herontwaken van onze verlangens naar de dingen
van de wereld.»8 Het is symptomatisch voor de lauwheid die zijn weg
vindt in de harten van degenen die hun zinnen niet vastberaden op de Heer gezet
hebben. Dat is het resultaat als we God en de nobele aspecten van onze roeping
niet toestaan ons hart te verzadigen.
Met heimwee terugzien naar wat we achter hebben gelaten, tevergeefs
ons inbeeldend wat geweest had kunnen zijn, kan het breken van de ploegschaar
tegen een steen tot gevolg hebben, of op zijn minst het onvermijdelijk maken
dat de voor, de opdracht aan ons toevertrouwd, niet recht uitkomt. In de
bovennatuurlijke taak waartoe God ons allen roept, zijn het mensen die op het
spel staan.
Wij willen alleen oog hebben voor Christus, en in Hem voor
alle edele zaken. We kunnen met de woorden van de tussenzang van vandaag
zeggen: De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker
[...]. Gij zult mij de weg van het leven wijzen om heel mijn vreugde te vinden
bij U, bestendig geluk aan uw zijde.9 Het
levenspad is onze eigen bijzondere roeping die we met liefde en dank moeten
beschouwen.
48.3 Door bemiddeling van de
evangelist Lucas heeft de Heilige Geest ons de woorden willen overbrengen die
gericht waren tot die drie volgelingen, zodat wij ze kunnen toepassen op de
roeping die we zelf van God hebben ontvangen.
Eigenlijk kan de mens gedefinieerd worden door zijn roeping.
Elk menselijk wezen is en heeft in zich datgene, waarvoor God hem of haar heeft
geschapen. De betekenis en het doel van menselijk leven is de goddelijke wil te
kennen en vrij te volbrengen. «De mens bereikt zijn uiteindelijke vervulling in
de mate waarin hij in zijn leven het specifieke plan uitvoert dat God voor hem
heeft.»10 We hebben allen een roeping ontvangen, een oproep
om God te kennen en om in Hem de bron van het leven te vinden. We worden
uitgenodigd tot een staat van vertrouwelijkheid met God, tot een persoonlijke
verhouding in het gebed. We worden gevraagd Christus tot het centrum van ons
leven te maken, en Hem te volgen. Met de beslissingen die we nemen, moeten we
rekening houden met Zijn wil. We worden opgeroepen onze medemensen als personen
te beschouwen, als kinderen van God. Dus wordt van ons verlangd eigenbelang te
overwinnen en de broederlijkheid te beleven, een vruchtbaar apostolaat te beoefenen
en anderen te helpen God te vinden. Onze roeping is het dit alles te doen in
ons eigen leven, precies in die staat en onder die omstandigheden waarin God
ons heeft geplaatst, in alles wat wij doen de specifieke opdracht vervullen die
is ontworpen voor en overeenkomt met elk individu persoonlijk.11
Trouw aan onze roeping betekent de opeenvolgende oproepen die
God gedurende ons leven doet, te beantwoorden. Gewoonlijk is dat een zaak van
trouw in de kleine dingen van elke dag. Het is een kwestie van God lief te
hebben in ons werk, en in alle vreugden en smarten die deel uitmaken van elk
leven. We moeten vastberaden alles opzij zetten wat onze blik van Christus kan
afwenden. Trouw is gebaseerd op een aantal essentiële deugden zonder welke het
moeilijk zal zijn, om niet te zeggen onmogelijk, de Meester te volgen. De
nederigheid leert ons dat we zijn als het grote standbeeld uit het Boek Daniël.12 Ook wij hebben voeten van leem. Voorzichtigheid en
oprechtheid komen voort uit de nederigheid. Naastenliefde en broederlijkheid
blokkeren onze neiging tot egocentrisme. De geest van versterving brengt ons
tot matigheid en soberheid, en helpt ons te strijden tegen slapheid en gemakzucht.
Het helpt ons te vermijden betrokken te raken in het zoeken naar compensaties
die ons schade zouden toebrengen omdat ze ons van Christus wegvoeren. De geest
van gebed brengt ons ertoe God te beschouwen en te behandelen als een vriend,
onze grootste Vriend. «Hij die nooit ophoudt door te lopen, en steeds voortmaakt» -zegt de heilige Theresia- «kan zijn doel laat bereiken, maar toch komt hij er. Het
gebed opgeven is voor mij hetzelfde als de weg kwijtraken en verloren lopen.»13
Wij zeggen tegen God dat we trouw willen zijn. We willen
niets meer van het leven dan Hem te volgen, in goede en in slechte tijden. Hij
is het scharnier waarop ons hele leven draait, het centrum waarin al ons doen
en laten samenkomt. Heer, zonder U zou ons leven zijn als een machine die stuk
gaat, die erg uit balans is en knarsend tot stilstand komt. Als wij ons gebed
beëindigen, laten wij ons dan tot de getrouwe Maagd wenden, onze moeder Maria.
-1. 1 Kon 19,16; 19,21. -2. Lc 9,57-62. -3. Vgl. F. Fernández-Carvajal, El evangelio de San
Lucas. -4. Vgl. F. Suárez, Maria van Nazareth. bl. 55 -5. Heb
12,2. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 133. -7. Vgl. Idem, Als Christus nu langs komt,
160. -8. H. Athanasius, Leven
van de heilige Antonius, 3. -9 Ps 15,11. -10.
J.L. Illanes, Mundo
y santidad, bl. 108. -11. Vgl. Ibidem. -12.
Vgl. Dan 2,33. -13. H. Theresia van
Ávila, Het boek van haar leven, 19,5.
|