Tweede week. Zaterdag
14. ZIJ ZAL VOORTBESTAAN TOT AAN HET EINDE DER TIJDEN
-De Kerk verdwijnt nooit,
ondanks vervolgingen, ketterijen, ongeloof. -De aanvallen op de Kerk brengen
ons ertoe haar meer te beminnen, eerherstel te brengen. -Zekerheid naast de
Heer. Toevlucht tot de allerheiligste Maagd.
14.1 Onmiddellijk na de vermenigvuldiging van de
broden en de vissen, toen de menigte verzadigd was, nam Jezus zelf afscheid en
zei zijn leerlingen aan boord te gaan. Het was aan het eind van de middag. Het
evangelie van de mis1 vertelt,
dat de apostelen op weg gingen naar de andere oever, naar Kafarnaüm. Het begon
al donker te worden en Jezus was niet bij hen. Door het evangelie van de
heilige Matteüs weten wij, dat Hij ook van hèn afscheid nam en een berg opging
om te bidden.2 Het
meer was woelig door de sterke wind die er stond3, de golven sloegen heftig tegen het
scheepje; zij hadden tegenwind.4
De Traditie heeft in dit scheepje altijd het beeld gezien van
de Kerk5,
middenin de wereld, door de eeuwen heen en weer geschud door de golfslag van
vervolgingen, ketterijen, ontrouw. «Die wind -luidt het commentaar van de
heilige Thomas- staat voor de verleidingen en vervolgingen waaronder de Kerk
ten gevolge van een gebrek aan liefde te lijden had. Immers, zoals de heilige
Augustinus reeds zegt, wanneer de liefde verkilt, komen er meer golven.
Niettemin zullen wind noch storm, noch golven, noch duisternissen erin slagen
het schip uit de koers te slaan, en blijft het zonder averij.»6 Vanaf het eerste
moment heeft de Kerk tegenwerking van binnen en van buiten het hoofd moeten
bieden. Ook in onze dagen heeft de Kerk, en mèt haar haar kinderen, te lijden
van rukwinden. «Dat is niet iets nieuws. Nadat zij door onze Heer Jezus
Christus gesticht was, is zij voortdurend aan vervolging blootgesteld geweest.
De aanvallen werden in andere tijden misschien openlijk ingezet. Tegenwoordig
gaat het, in veel gevallen, om een achterbakse vervolging. Vandaag, evengoed
als vroeger, blijft men de Kerk bestrijden. [...]
»Wanneer wij ketterstemmen horen [...], als wij waarnemen dat
men straffeloos de heiligheid van het huwelijk en van het priesterschap aanvalt;
de onbevlekte ontvangenis van onze heilige Moeder Maria, haar eeuwige
maagdelijkheid, en al haar verdere voorrechten en voortreffelijkheden waarmee
God haar gesierd heeft; het altijddurend wonder van de werkelijke
tegenwoordigheid van Christus in de heilige eucharistie; het primaat van
Petrus; de verrijzenis zelf van onze Heer: als men dat hoort, wiens ziel zou
dan niet geheel vervuld raken van droefheid? Maar heb vertrouwen. De heilige
Kerk is onaantastbaar.»7
De aanvallen op de Kerk doen ons pijn, maar tegelijkertijd
verschaft het ons een grote zekerheid en een grote vrede, dat Christus zelf in
het schip is. Hij leeft voor altijd in de Kerk en daarom zullen de poorten van
de hel haar niet overweldigen8; zij zal blijven tot het einde der tijden. Al het andere,
al het menselijke gaat voorbij; de Kerk echter blijft altijd, zoals Christus
het wil. De Heer zal aanwezig zijn en het schip zal niet vergaan, ook al zal
het soms aan deze of gene zijde averij oplopen. Die goddelijke aanwezigheid is
de basis van ons rotsvast geloof. De Kerk zal, ondanks alle menselijke
tegenwerking, altijd middenin alle stormen trouw blijven aan Christus, en zal
het universele sacrament van de verlossing zijn. De geschiedenis ervan is een
moreel blijvend wonder, waardoor wij altijd onze hoop kunnen sterken.
Al ten tijde van Augustinus werd door de heidenen gezegd: «De
Kerk zal verdwijnen, er is al een eind gekomen aan de christenen.» Waarop de
heilige kerkleraar antwoordde: «Niettemin, ik zie u elke dag sterven en de Kerk
blijft altijd overeind en verkondigt de macht van God aan de opeenvolgende
generaties.»9
Hoe klein is ons geloof, als de twijfel erin sluipt bij het
toenemen van de storm tegen haar, tegen haar instellingen of tegen de Romeinse
Opperherder en de bisschoppen. Wij moeten ons niet van ons stuk laten brengen
door ongunstige omstandigheden, want dan zullen wij de rust, de vrede en de
bovennatuurlijke visie kwijtraken. Christus zal altijd heel dicht bij ons zijn
en vraagt ons vertrouwen. Hij zal naast ieder van ons staan en wij hoeven niets
te vrezen. Wij moeten veel bidden voor zijn Kerk, trouw aan onze eigen roeping
zijn, meer apostolaat verrichten onder onze vrienden, eerherstel brengen.
14.2 De onaantastbaarheid van de Kerk betekent,
dat zij onvergankelijk is, dat wil zeggen, dat zij zal voortbestaan tot aan het
eind van de wereld en eveneens, dat zij geen wezenlijke verandering zal
ondergaan in haar leer, in haar grondvorm en in haar eredienst.
Het eerste Vaticaanse Concilie zegt over de Kerk, dat zij
over 'een onoverwinnelijke stabiliteit' beschikt, en dat zij «gebouwd op een
rots, zal blijven staan tot aan het einde der tijden».10 De reden van deze bestendigheid
van de Kerk is gelegen in haar innige vereniging met Christus, die haar Hoofd
en Heer is. Na opgestegen te zijn naar de hemel, zond Hij de zijnen de Heilige
Geest, opdat Hij hun de volledige waarheid zou onderrichten.11 En toen Hij hun
opdroeg het evangelie te verkondigen aan alle volkeren, verzekerde Hij hun, dat
Hij alle dagen bij hen zou zijn tot het eind van de wereld.12
De Kerk geeft blijken van haar kracht door onwrikbaar
weerstand te bieden aan alle windstoten van vervolgingen en ketterijen. De Heer
zelf ziet op haar neer «wanneer Hij namelijk haar bestuurders verlicht en
versterkt om de hun opgedragen taak getrouw en met vrucht te volbrengen; ofwel
wanneer Hij -vooral in moeilijke tijdsomstandigheden- uit de schoot van de Kerk
mannen en vrouwen opwekt, die uitblinken in glans van heiligheid om aan de
overige christengelovigen tot voorbeeld te dienen, tot grotere wasdom van zijn
mystiek Lichaam. Hier komt nog bij, dat Christus vanuit de hemel op zijn
ongerepte Bruid die hier op aarde in ballingschap zwoegt, steeds met een heel
bijzondere liefde neerziet. Wanneer Hij haar immers in gevaar bemerkt, redt Hij
haar uit de golven van de storm, ofwel met eigen hand, ofwel door middel van
zijn engelen, ofwel door middel van zijn Moeder, die wij aanroepen als hulp van
de christenen, of door andere hemelse voorsprekers. En na het woelen van de zee
te hebben gestild, troost Hij haar met die vrede die alle begrip te boven
gaat (Fil 4,7).13 Het
geloof getuigt ervan dat deze soliditeit in haar grondvorm en in haar leer
altijd zal blijven bestaan, totdat Hij komt.»14
«In sommige kringen, en met name in de intellectuele wereld,
zie en voel je dat sektarische groeperingen, soms zelfs gesteund door
katholieken, bezig zijn met cynische volharding lasterlijke mythen in stand te
houden en te propageren, met de bedoeling de Kerk, of personen en instellingen
aan haar verbonden, zwart te maken; en dat tegen alle waarheid en logica in.
Bid dagelijks met vertrouwen: ut inimicos Sanctae Ecclesiae, vijanden,
want ze verklaren zelf dat ze dat zijn! humiliare digneris, te rogamus audi
nos! Breng, Heer, degenen die U vervolgen, in verwarring met de helderheid
van Uw licht, dat wij vastberaden willen verspreiden.»15
De aanvallen tegen de Kerk, het slechte voorbeeld, de
verdachtmakingen zetten ons aan meer van haar te houden, voor die mensen te
bidden en eerherstel te brengen. Laten wij altijd in verbondenheid blijven met
de Kerk, trouw aan haar leer, verenigd met haar sacramenten, volgzaam jegens de
Hiërarchie.
14.3 Toen de apostelen zo'n drieduizend slagen
geroeid hadden, kwam Jezus over het water naar hen toelopen om hun zwakke
geloof te versterken en om hun moed te geven middenin de storm. Hij kwam
dichterbij en zei hun: «Ik ben het, weest niet bang». Zij wilden Hem aan
boord nemen, maar vlak daarop bereikte de boot de kust, waarheen zij op weg
waren.16
In ons persoonlijk leven is er misschien ook geen gebrek aan
stormen -ogenblikken van duisternis, van innerlijke verwarring, van onbegrip-
en ook, meer of minder vaak, situaties waarin wij van koers zullen moeten
veranderen, omdat wij afgedwaald zijn. Laten wij dan uitzien naar de Heer, die
altijd tijdens het onweer van het lijden komt. Laten wij dan de tegenslagen met
geloof weten te aanvaarden, als zegeningen van de hemel, om ons te zuiveren en
dichter bij God te komen.
Wees niet bevreesd. Wie de rust brengende stem van Christus
hoort te midden van de narigheden, van welke aard ook, vindt daarna de
zekerheid vaste grond te bereiken. Zij wilden Hem aan boord nemen op het
moment waarop de boot de kust bereikte, waarheen zij op weg waren, waarheen
de Heer wilde, dat zij zouden gaan. Als wij maar in zijn omgeving zijn, voelen
wij ons altijd veilig. Onzekerheid ontstaat, wanneer ons geloof verzwakt,
wanneer wij niet onze toevlucht nemen tot de Heer, omdat het lijkt dat Hij ons
niet ziet, of dat Hij geen aandacht voor ons heeft. Hij weet goed wat ons
overkomt, en wil dat wij naar Hem toekomen om Hem om hulp te vragen. Hij laat
ons nooit aan ons lot over, als wij in nood verkeren. Hoeveel vertrouwen moeten
ons de woorden van Jezus geven die wij vandaag in de communio horen: Vader,
Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt, met Mij mogen zijn waar ik ben...17
Het kan lijken, het ene moment wat meer, het andere wat
minder, dat Christus ons verlaten heeft, of ons gebed niet hoort. In de
tussenzang horen we: God is het die zijn dienaars bewaakt.18
Als wij bij de Heer blijven, door het persoonlijk gebed en de
sacramenten, kunnen wij alles. Met Hem worden de stormen, van binnen en van
buiten, gelegenheden om te groeien in geloof, in hoop, in liefde, in sterkte...
Misschien zullen wij met het verstrijken van de tijd de zin van deze
moeilijkheden begrijpen.
Uit alle beproevingen, verleidingen, verwarringen waar wij
doorheen moeten, zullen wij, als wij verenigd blijven met Christus, te
voorschijn komen met meer nederigheid, meer zuiverheid, met meer liefde tot
God. En laten we altijd rekenen op de hulp van onze Moeder in de hemel. «Je
staat niet alleen. -Draag de tegenspoed met blijdschap. -Weliswaar voel je, arm
kind, in je hand niet de hand van je Moeder. -Maar- heb je niet gezien hoe de
moeders hier op aarde met uitgestrekte armen hun kleinen volgen wanneer ze,
zonder vastgehouden te worden, hun eerste wankele stappen durven doen? -Je
staat niet alleen: Maria is dicht bij je.»19
-1. Vgl. Joh 6,16-21. -2. Vgl. Mt 14,23.
-3. Vgl. Joh 6,18. -4. Vgl. Mt 14,24. -5. Vgl. Tertullianus, De Baptismo, 12.
-6. H. Thomas van Aquino, Lectura
super Evangelium Joannis, in loc. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk, 18-19. -8. Vgl. Mt
16,18. -9. Geciteerd door G. Chevrot, Simon
Petrus. -10. Vgl. DS 3056. -11. Vgl. Joh 14,16. -12. Vgl. Mt
28,20. -13. Pius xii, Mystici
Corporis. -14. Vgl. 1 Kor 11,26. -15. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor 936. -16. Joh
6,20-21. -17. Joh 17,24. -18. Ps 33(32),18. -19. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
900.
|