Meditaties over de
Heilige Eucharistie (3)
44. ZOALS DE GOEDE MOORDENAAR
-De tabernakels van onze gebruikelijke weg.
-De Goede Moordenaar navolgen. -Reiniging van onze fouten.
44.1 In Cruce
latebat sola Deitas... Aan het kruis ging enkel uw godheid schuil, doch hier is
uw mensheid evenzeer verhuld; doch beide geloof en belijd ik, en ik vraag wat U
vroeg de goede moordenaar.
De goede moordenaar kon in de stervende Jezus
de Messias, de Zoon van God zien. Door een buitengewone genade van God, overwon zijn geloof de moeilijkheid die de uiterlijke
schijn opwierp, want die sprak slechts van een terechtgestelde. De goddelijkheid had zich voor de ogen van allen
verborgen, maar die man kon minstens de allerheiligste mensheid van de
Verlosser aanschouwen: zijn zeer beminnelijke blik, de vergeving die Hij met
kwistige hand uitstrooide over hen die Hem
beschimpten, zijn ontroerend zwijgen tegenover de beledigingen. Ook aan
het kruis, onder zoveel lijden, deelt Jezus royaal zijn liefde uit.
Wij aanschouwen de
heilige Hostie en onze ogen nemen niets waar: noch de
beminnelijke blik van Jezus, noch zijn medelijden...
Maar met een rotsvast geloof verkondigen wij Hem als onze God en Heer. Als uiting van de zekerheid van onze ziel en onze liefde hebben wij vaak tot Hem
gezegd: Ik geloof vast, Heer, dat Gij hier zijt, dat
Gij me ziet, dat Gij me hoort... Uw blik is net zo beminnelijk als
die, welke de goede moordenaar aanschouwde en uw mededogen blijft steeds
oneindig. Ik weet dat Gij acht slaat op mijn geringste bede, smart en vreugde.
Op onderscheiden
wijze is Jezus evenzo aanwezig in de hemel als in de
geconsacreerde hostie. «Er zijn geen twee Christussen, doch slechts één. Wij
bezitten in de hostie de Christus van alle heilsmysteries: de Christus van Magdalena, van de verloren zoon en van de Samaritaanse
vrouw, de Christus van de Thabor en van Getsemani, de Christus die uit de doden is opgestaan, die zetelt aan de
rechterhand van de Vader [...]. Deze
wonderbare tegenwoordigheid van Christus
te midden van ons zou ons leven een algehele omwenteling moeten geven [...]; Hij is hier bij ons: in elke stad,
in elk dorp.»1 Alle dagen, wellicht wanneer wij
over straat lopen, komen wij bij Hem in de buurt,
op enkele meters afstand van waar Hij zich bevindt. Hoeveel geloofsdaden
zouden er niet gesteld zijn op dat uur 's ochtends of 's middags, voor dat
tabernakel, vanuit de straat zelf of door enkele
ogenblikken binnen te gaan in zijn woning? Hoeveel daden van liefde?... Wat jammer, als wij daar
stilzwijgend aan voorbij zouden gaan.
«Wees niet zo blind of zo gehaast, dat je nalaat je in gedachten naar
ieder tabernakel te verplaatsen, wanneer je de muren of torens van de huizen
Gods ontwaart. -Hij wacht op je.»2 Wat een
weldaad is deze raadgeving, vol van wijsheid en godsvrucht!
Jezus aanhoorde
ontroerd, tussen al die beschimpingen, die stem die Hem
als God erkende. Het was de stem van een rover die God, ofschoon Hij zo
verborgen was, wist te zien en die Hem luidkeels beleed, en die Hem bovendien
bekend maakte aan zijn metgezel. De ontmoeting met Jezus bracht hem tot het
apostolaat.
Liefde verdrijft
blindheid en verdwazing, lauwheid. Die levende liefde
-wellicht uitgedrukt in een vurig schietgebedje- dienen wij te bezitten,
wanneer we enkele ogenblikken later Jezus gaan ontvangen in de heilige communie en wanneer we in de buurt van een tabernakel
komen, op weg naar het werk. En onze
ziel zal vervuld worden van vreugde. «Maakt het je niet blij, als je op
je gebruikelijke weg door de stad weer een ander tabernakel hebt ontdekt?»3 Het is de vreugde van elke ontmoeting waarnaar men
verlangd heeft! Als ons hart sneller gaat kloppen wanneer we in de verte een
geliefd iemand ontwaren, zouden we dan onverschillig blijven voor een
tabernakel?
44.2 Ik vraag U wat U vroeg de goede moordenaar... Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt.4
Met een schietgebed -zo groot was zijn geloof!-
kon de goede moordenaar heel zijn leven zuiveren. Hij noemde Jezus bij zijn
naam, zoals wij zo vaak gedaan hebben. En Hij «geeft méér dan men Hem vraagt.
Die rover vroeg de Heer aan hem te denken, wanneer Hij in zijn Koninkrijk zou
zijn, en de Heer antwoordde hem: Voorwaar,
Ik zeg u: vandaag nog zult ge met Mij zijn in het paradijs;
dat is zo, omdat het ware leven erin bestaat met Christus te zijn, want waar
Christus is, daar is ook zijn Koninkrijk.»5
Zozeer verlangt de Heer ernaar, dat wij met Hem in de heerlijkheid zijn, dat
Hij ons zijn lichaam geeft als voorproef van het eeuwige leven.
Wij dienen die man na te volgen, die zijn
fouten erkende6 en de vergeving van zijn
schulden en zijn volledige reiniging wist te verdienen. «Ik heb heel vaak dat
vers herhaald uit de sacramentshymne: peto quod petivit latro poenitens, en steeds
raak ik ontroerd: vragen zoals de rouwmoedige rover!
»Hij erkende dat
hij wèl die wrede straf verdiende... En met één woord wist
hij het hart van Christus te stelen en opende zo voor zichzelf de hemelpoort.»7 Konden ook wij maar, staande voor dezelfde Jezus,
oprecht elke opzettelijke dagelijkse zonde verafschuwen en die bodem van de ziel zuiveren, waarin zich zoveel bevindt dat het
beeld van Jezus verduistert: egoïsme, luiheid, genotzucht, ongecontroleerde
gehechtheid...! «Jezus in het Sacrament is die bron, die voor iedereen open
staat, waarin we altijd wanneer we dat willen, onze ziel kunnen schoonwassen
van alle smetten van de zonden die we dagelijks begaan.»8
De veelvuldige
communie in de vereiste gesteldheid zal ons eveneens doen
verlangen naar een evenzo veelvuldige en berouwvolle belijdenis, en deze
grotere zuiverheid van hart schept op haar beurt vurige verlangens om Jezus in het Sacrament te ontvangen.9 Het eucharistisch sacrament, wanneer het met
geloof en liefde wordt ontvangen, zuivert de ziel van haar fouten, verzwakt de
neiging tot het kwade, vergoddelijkt haar en bereidt haar voor op de grote
idealen die de Heilige Geest in de ziel van de christen ingeeft.
Bidden wij de Heer om een groot verlangen om
ons in dit leven te zuiveren, opdat wij ons mogen bevrijden van het vagevuur en
zo spoedig mogelijk in het gezelschap mogen
verkeren van Jezus en Maria; «O, Jezus, mocht ik U toch nooit hebben beledigd!
Maar nu het kwaad is geschied, bid ik U dat U het verdriet dat ik U heb
aangedaan zult vergeten en leid mij, omwille van de bittere dood die U om
mijnentwil hebt ondergaan, na de dood naar uw Koninkrijk; maak, zolang
ik leef, dat uw liefde altijd in mijn ziel moge heersen.»10 Help mij, Heer, elke opzettelijke dagelijkse zonde
te verafschuwen; geef mij een grote liefde voor de veelvuldige biecht.
44.3 De heilige Pastoor van Ars neemt in zijn preken de vrome legende van
de heilige Alexis op, en maakt daaruit enige gevolgtrekkingen ten aanzien van
de eucharistie. Volgens het verhaal vernam deze heilige een keer een bijzondere roepstem van de Heer; hij verliet zijn
woning en leefde ver weg als een nederige bedelaar. Vele jaren later keerde hij naar zijn geboortestad terug, verzwakt
en misvormd door de boetedoeningen, en zonder zich bekend te maken vond
hij onderdak in het paleis van zijn ouders. Zeventien
jaar lang leefde hij onder de trap. Toen hij stierf en zijn lichaam werd
afgelegd, herkende zijn moeder haar zoon en vol smart riep zij uit: 'O mijn
zoon, dat ik je nu pas herken...!'
De heilige Pastoor van Ars tekent aan, dat de
ziel bij het verlaten van dit leven eindelijk Degene zal zien die zij elke dag in de heilige eucharistie bezat, met wie
zij praatte, bij wie zij haar hart uitstortte, wanneer zij haar smarten
niet meer aan kon. Bij het zien van de verheerlijkte Jezus zal de ziel, die
weinig liefde betoonde en klein van geloof was, moeten uitroepen: O Jezus, wat
erg dat ik U nu pas herken...!, terwijl ik U zo dicht bij mij had.
Wanneer wij voor het tabernakel staan of de
heilige hostie op het altaar aanschouwen,
moeten we Christus daar tegenwoordig zien, dezelfde Christus van Betlehem en
Kafarnaüm, Hij die op de derde dag uit de doden opstond en die nu verheerlijkt
aan de rechterhand van God de Vader is gezeten. Tantum ergo Sacramentum, veneremur cernui... Eren wij dan diep gebogen dit zo heilig Sacrament -zo
nodigt de liturgie ons uit-; het
Oude Testament is vervlogen voor dit nieuwe
testament. Wat de zinnen niet vermogen, worde door het geloof gekend.11 Een sterk geloof, vervuld van liefde.
Jezus heeft ons geopenbaard, dat de zuiveren
van hart God zullen zien.12 Dit zien begint
reeds hier op aarde en bereikt zijn
volmaaktheid en volheid in de hemel. Wanneer het hart vol vuil raakt,
verduistert en vervaagt het beeld van Christus en neemt de mogelijkheid tot
liefhebben af. «De Christus die jij ziet, is Jezus niet, maar alleen het
armzalige beeld dat zich voor jouw vertroebelde ogen gevormd heeft... -Zuiver je.
Verhelder je blik door nederigheid en boete. Dan... zal de klaarheid van de liefde je niet ontbreken en je zult een volmaakte
zienswijze krijgen. Het beeld dat je dan krijgt, zal werkelijk het beeld
van Hem zijn!»13 We zullen Hem herkennen, zoals
de goede moordenaar, in alle omstandigheden.
Wat is het een
vreugde om Christus zo nabij te hebben!... Hem te zien... en
te beminnen... en te dienen. Hij luistert naar
ons, wanneer wij in ons innigste gebed tot Hem zeggen: Heer, denk aan
mij, vanuit de hemel en vanuit dit tabernakel, hier zo dichtbij, waar Gij
altijd werkelijk tegenwoordig zijt. Opdat wij in ons leven het spoor dat door
de zonde wordt achtergelaten zuiveren, spoort Hij ons aan tot grotere
boetedoening en een grotere liefde voor het sacrament van vergeving, om de
smarten en tegenslagen van het leven in een geest van goedmaken te aanvaarden,
om die kleine verstervingen te zoeken die het eigen egoïsme overwinnen, anderen
helpen, en een grotere volmaaktheid in onze dagelijkse taak toelaten.
Als wij trouw aan deze genaden zijn, dan zullen
we op de laatste dag van ons leven hier op aarde, wellicht al over niet zo
lange tijd, Jezus tot ons horen zeggen: Heden zult ge met Mij zijn in het paradijs. En
we zullen Hem zien en Hem beminnen met een vreugde zonder einde.
Aan het einde van
ons gebed zeggen wij tot Jezus in het Sacrament: Ave verum Corpus natum ex Maria Virgine...
Wees gegroet, waarachtig Lichaam, geboren uit de maagd Maria [...]. Wees ons een zalige voorsmaak in de benauwing van de
dood. Tot onze engelbewaarder bidden wij, dat hij ons eraan
herinnert hoe nabij Christus is, en dat wij nooit in een brede boog om Hem heen
gaan. En als wij onze toevlucht nemen tot onze Moeder de heilige Maria, dan
zal zij ons geloof vermeerderen en ons leren hoe wij met méér tederheid, met
méér liefde met Hem moeten omgaan.
-1. M.M. Philipon, Les
sacrements dans la vie chrétienne. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 269. -3. Ibidem, 270. -4. Lc 23,42. -5. H. Ambrosius, Tractaat over het Evangelie van de heilige Lucas, in loc. -6. Vgl. Lc 23,41. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, XII, 4. -8. H. Alfonsus Maria van Liguori, Bezoeken
aan het Allerheiligst Sacrament,
20. -9. Vgl. Johannes
Paulus ii, Toespraak, Madrid, 31 oktober 1982. -10. H. Alfonsus Maria van
Liguori, Meditaties over het Lijden, Meditatie XII, voor woensdag in de Goede Week,
I. -11. Hymne Tantum ergo. -12. Vgl. Mt 5,8.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 212.