Eenentwintigste week.
Zaterdag
63. Zonden van nalatigheid
-De parabel van de talenten. We hebben vele weldaden en
gaven gekregen van God. Wij zijn hun rentmeesters, niet hun meesters. -We
moeten goed gebruik maken van onze talenten. -Nalatigheden. Christelijk gedrag
in sociaal en openbaar leven.
63.1 Nadat de Heer ons heeft herinnerd aan de noodzaak waakzaam te zijn,
legt Hij ons in het evangelie van vandaag1 een
parabel voor die een nieuwe oproep is tot verantwoordelijkheid voor de genade
en gaven die we ontvangen hebben. Hij vertelt ons hoe er eens een rijk man was
die naar een ver land ging, maar alvorens te vertrekken al zijn bezittingen
overdroeg aan zijn dienaren om er in zijn plaats op te letten en ermee te
handelen. Aan één gaf hij vijf talenten, aan een ander twee, en aan de derde
maar één, ieder
naar zijn bekwaamheid. Een talent was het
equivalent van ongeveer honderd pond zilver en was de eenheid om zeer grote
sommen geld te meten.2 In de tijd van de Heer
was een talent ongeveer zesduizend penningen waard, en in het evangelie wordt
een penning genoemd als het dagloon voor een arbeider. Dus ook de dienaar die
het minste kreeg (maar één talent), kreeg nog een enorme som geld. De eerste
les van deze parabel is dat we van God onmetelijke weldaden ontvangen hebben.
Van de gaven die we van God gekregen hebben, is de eerste van
alle de gave van het leven zelf. Daarna hebben we ons intellect, het vermogen
om natuurlijke waarheden te begrijpen en van daaruit tot hun Schepper te komen.
Vervolgens, onze wil, het vermogen het goede te verlangen, lief te hebben; en
onze vrijheid, waardoor we ons pad richten als kinderen naar ons ouderlijk
huis. Dan komt de gave van de tijd, de dagen die ons toebedeeld zijn om God te
dienen en Hem eer te geven. We hebben ook vele materiële goederen gekregen om
goede werken te verrichten voor ons gezin, voor de maatschappij en voor hen die
in nood zijn. Op een ander onvergelijkbaar hoger en verhevener niveau hebben we
het leven van genade ontvangen -deelnemen in het leven van God zelf- dat ons
leden van de Kerk maakt en ons doet deel hebben aan de gemeenschap van de
heiligen; en de roeping van God tot een leven in grotere nabijheid van Hem.
Hieraan moeten we de gave van de sacramenten toevoegen, vooral de onschatbare
gave van de heilige eucharistie; de Moeder van God, die ook onze Moeder is; de
zeven gaven en de vruchten van de Heilige Geest die ons voortdurend aanspoort
om beter te zijn; en een beschermengel om ons te beschermen.
Ons leven en de daarbij behorende gaven zijn aan ons gegeven
als een erfenis die we verstandig moeten beheren en waarvoor we op een dag
rekenschap zullen moeten afleggen. Wij zijn rentmeester van deze goederen, waarvan
sommige alleen van ons zijn voor de korte tijdsspanne van ons aardse leven.
Achteraf zal de Heer tot ons zeggen: 'Geef rekenschap van je
rentmeesterschap'... We zijn geen eigenaars: we zijn louter beheerders van Gods
gaven.
We kunnen op twee manieren naar het leven kijken: onszelf
zien als rentmeesters en alles productief maken voor God; of handelen alsof we
eigenaars zijn, voor ons eigen gemak, egoïsme en grillen. Laten we in ons gebed
vandaag nadenken over wat voor houding we aannemen ten opzichte van de goederen
van deze wereld, of misschien ten opzichte van de manier waarop we onze tijd
gebruiken. Getrouwde mensen kunnen denken over hun verplichting om edelmoedig
te zijn in het hebben van kinderen en in de zorg voor hun menselijke en bovennatuurlijke
opvoeding, hetgeen in veel gevallen de grootste plicht is die God hun gegeven
heeft.
63.2 De Heer verwacht dat er goed voor zijn bezit gezorgd wordt, en Hij
verwacht een opbrengst die in overeenstemming is met wat Hij erin gestoken
heeft. De beloning is enorm: de parabel leert ons dat het véle van hier beneden,
van ons leven op aarde, heel weinig is in vergelijking met de beloning van de
hemel. Dat gebeurde met de eerste twee dienaren: zij maakten gebruik van de
talenten die ze gekregen hadden en verdienden daarmee nog eens zoveel. En dus
hoorden zij uit de mond van de meester de woorden: Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig
waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw
heer. Zij deden de beste koop: zij verdienden
eeuwig geluk. De goederen van het leven, hoewel groot in aantal, zijn altijd weinig in vergelijking met wat God aan de zijnen geeft.
De derde van de dienaren daarentegen begroef zijn talent in
de grond en handelde helemaal niet: hij verspilde zijn tijd en maakte geen
winst. Zijn leven was vol nalatigheden, gemiste kansen, verspilde tijd en
verkwiste goederen. Hij verscheen voor zijn heer met lege handen. In de dingen
die belangrijk waren, was zijn bestaan nutteloos. Misschien hield hij zich op
andere manieren bezig, maar hij deed niet wat er echt van hem verwacht werd.
Het talent dat God gegeven heeft begraven, is het vermogen
bezitten lief te hebben maar geen liefde geven, in staat zijn mensen gelukkig
te maken (iets wat we allemaal kunnen) maar ze daarentegen verdrietig en ongelukkig
achterlaten. Goederen hebben en ze niet op nuttige wijze gebruiken. Anderen tot
God kunnen brengen maar geen voordeel slaan uit de gelegenheden die zich
voordoen omdat we dezelfde arbeid of baan hebben. Gebruik kunnen maken van
weekeinden om vriendschappen op te bouwen of tijd door te brengen met je gezin,
maar daarentegen beheerst worden door comfort en zelfzucht in onberaden vormen
van ontspanning. Bovenal, een innerlijk leven laten wegzinken in middelmatigheid,
terwijl het bedoeld was om te groeien. Het zou erg jammer zijn als we,
terugkijkend op ons leven, een lange weg van gemiste kansen moesten aanschouwen
en met droefheid overdenken dat de vermogens die God ons gegeven heeft,
ongebruikt zijn blijven liggen door luiheid, zorgeloosheid of egoïsme. We
willen God dienen, of liever, het is het enige wat we willen. Laten we de Heer
vragen ons te helpen vruchten van heiligheid te geven: van liefde en offer. En
laat het ons heel duidelijk zijn dat het níet genoeg is, níet voldoende, om
niets verkeerds te doen: we moeten handelen met onze talenten, om uitgesproken
góed te doen.
Voor een student betekent gebruik maken van je talenten hard
studeren, intens gebruik maken van je tijd en niet domweg op het verkeerde pad
gebracht worden door de doelloosheid van anderen, maar door voortdurende
toewijding, dag in dag uit, een welverdiend prestige te verdienen dat zal
dienen om anderen tot God te brengen. Voor iemand in loondienst, voor een
huisvrouw, betekent gebruik maken van je talenten je werk doen op voorbeeldige
wijze, ingespannen, uitmunten door nauwkeurigheid en goed gebruik van tijd. God
zal ons vooral rekenschap vragen over de mensen die op verschillende wijze
onder onze zorg gesteld zijn. De heilige Augustinus zegt dat wie boven zijn
broeders geplaatst is en niet voor hen zorgt, is als een vogelverschrikker, , een stroman die er niet eens in slaagt de vogels te verjagen die komen om de druiven op te
eten.3
Laten we vandaag de kwaliteit van onze studie of arbeid
onderzoeken, wat ze ook is, en laten we de Heer de bereidheid vragen om, als
dat nodig mocht zijn, afdoende te reageren, met de hulp van zijn genade die
niet zal ontbreken.
63.3 Gebruik
maken van onze talenten houdt alle aspecten van privé- en openbaar leven in. De
inspanning om een volledig christelijk leven te leiden brengt ons ertoe alle
aspecten van onze persoonlijkheid te ontwikkelen, bijvoorbeeld dingen als
menselijke contacten en het vermogen om vrienden te maken. We moeten deze
kwaliteiten uitoefenen met initiatief en geloof, zodat we de hindernis van wat
de mensen misschien denken overwinnen, om een gesprek uit te lokken dat onze
verwanten, vrienden of metgezellen doet verbeteren op menselijk, geestelijk of
professioneel gebied of op de manier waarop ze, bijvoorbeeld, hun
gezinsplichten vervullen. Het kan gebeuren dat een van deze gesprekken de
katalysator kan zijn om een vriend of zieke verwant terug te halen tot de
sacramenten. Laten we overwegen of we onszelf echt zien als rentmeester over de
goederen die de Heer ons heeft gegeven. Maken we er echt goed gebruik van of
verspillen we ze daarentegen aan onnodige of zelfs schadelijke aankopen? Zijn
we echt edelmoedig in hulp aan de Kerk en al die liefdadige werken die
voortdurend hulp verlangen van veel mensen om te blijven draaien? Zal de Heer
op een dag met vreugde tegen ons kunnen zeggen: Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik
had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was naakt en gij hebt Mij
gekleed?4
God verwacht van ons ook een sterk christelijk gedrag in het
openbaar leven. We moeten ons stemrecht uitoefenen; naar ons vermogen deelnemen
in beroepsverenigingen, in medezeggenschapsraden, ouderverenigingen enz., en we
moeten vechten voor betere wetgeving als ze onvolmaakt is of evident
onrechtvaardig in fundamentele zaken als 'pro-life'-kwesties en wetten inzake
gezin en onderwijs, zelfs als het voor ons een zware taak is wegens onze
beperkte deskundigheid.
De tijd die we tot onze beschikking hebben is nooit genoeg om
alles te doen wat God wil: we weten niet hoeveel we nog hebben van het talent
van tijd. Elke dag kunnen we veel uitbuiten van de gaven die God in onze handen
gelegd heeft: duizend-en-één gewone gebeurtenissen die God en anderen waarderen
en in aanmerking nemen.
Regelmatige biecht helpt ons de nalatigheden te vermijden die
het christelijk leven verarmen. «Wie vaak te biecht gaat moet bijzonder
waakzaam zijn voor veronachtzaamde plichten (zelfs als het maar kleine dingen
zijn), voor veronachtzaamde ingevingen en genade, voor ongebruikte gelegenheden
om goed te doen, voor verspilde tijd, voor te kort schieten in het betonen van
naastenliefde. Hij moet zichzelf aansporen tot een diep en oprecht berouw voor
deze nalatigheden en tot een vast voornemen om ijverig in te gaan tegen zelfs
maar de kleinste zonden van nalatigheid die op een of andere manier opzettelijk
zijn. Als we met deze vastberadenheid te biecht gaan, zullen we, te zamen met
de door de priester uitgesproken absolutie, de genade ontvangen om onze zonden
van nalatigheid beter te kennen en er vuriger tegen te strijden.»5 Met de genade van het sacrament en de hulp van
geestelijke leiding zal het voor ons gemakkelijker zijn die fouten of zonden te
vermijden en ons leven te vullen met vruchten voor God.
-1. Mt
25,14-30. -2. Vgl. 2 Sam
12,30; 2 Kon
18,14. -3. Vgl. H. Augustinus,
Miscellanea Augustinensis,
I, bl. 568. -4. Vgl. Mt
25,35 e.v. -5. B. Baur, Die häufige Beichte.
|