Zevenentwintigste week. Maandag
49. Zorgen voor elkaar
-Christus is de barmhartige Samaritaan die uit de hemel
neerdaalt om ons te verzorgen. -Slagvaardig en praktisch medelijden voor wie
ons nodig heeft. -Liefde voor wie ons het meest nabij is.
49.1 In
de Mis van vandaag lezen wij de parabel van de barmhartige Samaritaan, zoals
verhaald door de heilige Lucas1. Het is een van
de mooiste en ontroerendste verhalen in het evangelie. De Heer leert ons wie
onze naaste is en hoe wij in broederlijke liefde met de anderen moeten leven.
Misschien was de Heer niet ver van de weg, waarover in de parabel gesproken
werd. Dikwijls bracht Hij zijn onderricht met zijn omgeving in verband. Eens viel iemand die op weg was van
Jeruzalem naar Jericho, in de handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden
hem en toen ze weggingen, lieten ze hem halfdood liggen.
Veel kerkvaders en vroeg-christelijke schrijvers hebben
Christus zelf vereenzelvigd met de barmhartige Samaritaan.2 De man die in de handen valt van rovers is een
symbool van de mensheid, gewond en van zijn goederen beroofd door de erfzonde
en persoonlijke zonden. De heilige Augustinus merkte op: «Deze overtredingen
beroofden de mensen van onsterfelijkheid. Zij overdekten hem met wonden en
maakten hem ontvankelijk voor zonde»3 De heilige
Beda schreef dat zonden 'wonden' worden genoemd omdat zij de integriteit van de
menselijke natuur vernietigen.4 De rovers staan
voor de duivels, driften die aanzetten tot kwaad, aanstoot... De leviet en de
priester symboliseren het Oude Testament, dat deze wonden niet kon genezen. De
herberg is een symbool van de Kerk. «Wat zou er gebeurd zijn met deze arme Jood
als de Samaritaan thuis was gebleven? Wat zou er met ons gebeurd zijn als Gods
Zoon zijn reis niet had ondernomen?»5 Jezus is
bewogen door medelijden met de mens en heelt diens wonden door ze zelf te
dragen.6 De heilige Johannes schreef aan de
eerste christenen: En de liefde
die God is, heeft zich onder ons geopenbaard doordat Hij zijn enige Zoon in de
wereld gezonden heeft om ons het leven te brengen... Vrienden, als God ons zozeer
heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben.7
«Bij het evangelie van het lijden behoort ook -en wel op een
essentiële wijze- de parabel van de barmhartige Samaritaan.»8 Het gehele leven van Christus was een voortdurende
toenadering tot de mens om zowel zijn materiële als geestelijke noden te
lenigen. Wij behoren ten opzichte van anderen dezelfde soort medelijden te
beoefenen. Wij mogen nooit iemand die lijdt, onverschillig voorbij lopen. Wij
kunnen van Jezus leren stil te staan en bij iemand te blijven die lichamelijk
of geestelijk troost nodig heeft. In de zorgzame liefde zullen de anderen
Christus zelf zien, aanwezig in zijn volgelingen.
49.2 De
parabel werd geïnspireerd door de vraag: Wie is mijn naaste? Om zijn bedoeling zo
duidelijk mogelijk te maken, laat de Heer
bij de gewonde verschillende personen de revue passeren: Bij toeval kwam er juist een priester
langs die weg, hij zag hem wel, maar liep in een boog om hem heen. Zo deed ook een leviet: hij kwam daar
langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. Toen kwam een
Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden; hij trad
op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij
hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.
Jezus wil ons leren, dat onze naaste diegene is die toevallig
dicht bij ons is, ongeacht ras, politieke overtuiging of leeftijd... En het kan
gebeuren dat onze naaste hulp nodig heeft. De Meester heeft ons een voorbeeld
gegeven hoe wij ons moeten gedragen. «Deze Samaritaan [Christus] waste onze
zonde schoon, leed voor ons en droeg de halfdode man, die ons zondigen zelf
voorstelt, naar de herberg, die de Kerk voorstelt. De Kerk staat open voor
iedereen. Zij sluit nooit haar deur voor iemand of weigert hulp te geven. Jezus
zelf zei: Kom tot mij... (Mt
11,28). Toen de Samaritaan de reiziger naar de herberg had gebracht verliet hij
het geredde slachtoffer niet meteen. Hij bleef de hele dag bij hem om zijn
herstel nauwlettend te volgen... Bij zijn vertrek de volgende morgen stond de Samaritaan
erop de herbergier van tevoren te betalen voor de verblijfkosten van de
reiziger. Hij vertrouwt de herbergier, de engelen van zijn Kerk, de zorg toe
voor de reiziger. Deze hulp zal, zo hoopt de Samaritaan, de reiziger naar de
hemel leiden.»9
De Heer moedigt ons aan tot een slagvaardig en praktisch
medelijden, het toepassen van het geëigende geneesmiddel, jegens welke persoon
we ook maar gekwetst op onze levensweg tegenkomen. De verwondingen kunnen heel
verschillend zijn: kwetsuren als gevolg van eenzaamheid, van gebrek aan
genegenheid, van verlatenheid. Misschien betreft het fysieke nood: voeding,
kleding, huis, werk of de diepe wond van de onwetendheid. En dan zijn er nog de
verwondingen van de ziel door de zonde, die de Kerk geneest in het sacrament
van de boetvaardigheid, want Zij is «de herberg die langs de levensweg staat.
Zij ontvangt de reizigers die doodop zijn van hun tocht en die de bagage van
hun verleden vol zonden met zich meebrengen. Hier kunnen reizigers bevrijd
worden van hun zondenlast, zodat zij wat kunnen rusten en wat voedsel tot zich
kunnen nemen zodat zij verder kunnen op hun tocht.»10
Wij moeten doen wat wij kunnen om armoede te verlichten,
zoals Christus deed tijdens zijn leven op aarde. Wat is een betere weg om ons
een te voelen met de Meester dan door naastenliefde en medelijden te beoefenen.
«In de verschillende vormen -materiële armoede, onrechtvaardige onderdrukking,
lichamelijke en psychische ziekten, en tenslotte de dood- is menselijk lijden
het duidelijke teken van de natuurlijke staat van zwakte waarin de mens zich
bevindt sedert de erfzonde en het teken dat hij redding nodig heeft. Daarom
wekte dit het medelijden van Christus, de Redder, op die het lijden zelf droeg
(Mt 8,17) en zich vereenzelvigde met de minste van zijn broeders (Vgl. Mt
25,40-45). Daarom ook krijgen degenen die door de armoede verdrukt worden bij
voorkeur de liefde van de Kerk, die sedert haar begin en ondanks de
tekortkomingen van veel van haar leden niet opgehouden is zich in te zetten
voor het lenigen van hun nood, voor hun bescherming en bevrijding.»11
Wanneer wij bij iemand in nood komen, moeten wij dit doen met
groot medeleven, door hun ongeluk tot het onze te maken. Fray Luis de Granada
heeft erop gewezen, dat dikwijls meer dan slechts medeleven nodig is: «Daarom
moet hij die God wil behagen, dit gebod van liefde nakomen, niet slechts in
woord maar ook in daad.»12 Verderop voegt hij
eraan toe: «Van de werken die uit liefde tot de naaste gedaan worden, zijn de
volgende het belangrijkst: beminnen, raad, deskundige leiding, bijstand,
verdraagzaamheid, vergiffenis, opbouw. Deze zijn zo sterk verbonden met liefde,
dat het beoefenen ervan onze voortgang aangeeft in het beoefenen van deze allergrootste
deugd.»13
49.3 De
parabel van de barmhartige Samaritaan leert «wat de relatie van ieder van ons
moet zijn met onze lijdende naaste. Wij mogen niet onverschillig in een boog om
hem heenlopen; wij moeten bij hem stilstaan. Iedereen die stilstaat bij het
lijden van een medemens, welke vorm dit lijden ook aanneemt, is een barmhartige
Samaritaan.»14 God plaatst ons naast mensen in
nood die wij op onze weg ontmoeten. Liefde moet ons ertoe brengen om te doen
wat wij kunnen. Het gaat niet altijd om heldhaftige daden. Veelal is een
glimlach al wat nodig is, een bemoedigend woord, goede raad, of de bereidheid
op de tong te bijten ondanks een belediging of verwonding, een bezoek aan een
zieke of eenzame vriend, het gebruik van goede omgangsvormen zoals een warme
begroeting of een woord van dank... Paus Johannes Paulus ii schreef, dat bepaalde beroepen een voortdurend werk
van barmhartigheid zijn, zoals bijvoorbeeld de medische beroepen.15 Toch brengt ieder beroep op de een of andere manier
'dienen' of 'zich inzetten' voor anderen met zich mee. Wij kunnen een poging
doen om onze collega's met genegenheid, medeleven en respect te bejegenen. Wij
moeten ons best doen om Christus te zien in de mensen die ons het meest nabij
zijn.
Wij dienen bezorgd te zijn om het welzijn van ieder, maar het
is vanzelfsprekend dat onze zorg in de eerste plaats onze allernaasten betreft.
Liefde behoort een bepaalde rangorde te hebben zodat wij oplettend zijn voor
onze broeders en zusters in het geloof, familieleden, vrienden, collega's... De
heilige Johannes Chrysostomus verwoordt het als volgt: «Als de Samaritaan
bezorgd was in het geval van een vreemde, hoe moet ons gedrag dan wel niet zijn
als het mensen in nood betreft die ons meer nabij zijn? Wij mogen voor onze
nalatigheid niet de schuld op anderen schuiven. U moet zelf werken aan het
herstel zonder nutteloze vergelijkingen met de nalatigheid van anderen. Als u
een gouden munt zou vinden, zou u dan uzelf de vraag stellen: waarom heeft
niemand anders hem gevonden? Natuurlijk niet. U zou geen moment aarzelen en hem
voor uzelf houden. Evenzo moet u beseffen dat, telkens wanneer u een broeder in
nood vindt, u iets kostbaarders hebt gevonden dan welke schat ook: de kans voor
iemand te zorgen.»16 Laten wij niet tekortschieten
en dit ook doen.
-1. Lc
10,25-37. -2. Vgl. H. Augustinus, Preek over de woorden van de Heer, 37. -3. idem, Catena Aurea, V, bl. 513. -4. Vgl. H. Beda, Commentaar
op het evangelie van Lucas, in loc. -5. R.A. Knox,
Pastoral Sermons,
bl. 140. -6. Jes
53,4; Mt 8,17; 1 Pe 2,24; 1 Joh 3,5. -7. 1 Joh 4,9-11. -8. Johannes Paulus ii, Apost.
brief Salvifici doloris, 11
februari 1984, 28. -9. Origenes, Preek 34 over de heilige Lucas.
-10. H. Johannes Chrysostomus, Catena Aurea, VI, bl. 519.
-11. Congregatie voor de geloofsleer, Libertatis conscientia, 22
maart 1986, 68. -12 Fray Luis de
Granada, Guía de pecadores,
I,2,16. -13. Ibidem. -14. Johannes Paulus ii, o.c., 28. -15. Ibidem, 29. -16. H. Johannes Chrysostomus, Contra Iudeos, 8.
|