Tweede zondag door het jaar (B)
8. Zuiverheid en christelijk leven
-Heilige zuiverheid, een onmisbare voorwaarde
om God te beminnen en het apostolaat te beoefenen. -Noodzaak van een goede
vorming om de zuiverheid te beleven. Gebieden waarin we moeten strijden, om in
deze deugd te groeien. -Middelen om in de strijd te overwinnen.
8.1 Nu de kersttijd voorbij is, waarin we vooral de mysteries van het
verborgen leven van onze Heer hebben overwogen, gaan wij aan de hand van de
liturgie het openbare leven van Jezus beschouwen. Vanaf het begin van zijn
zending zien we hoe Christus zijn apostelen uitzoekt en hen roept om Hem te
dienen. Dit deed Jahwe reeds in vroegere tijden, zoals ons wordt getoond in de
eerste lezing, waarin ons over de roeping van Samuel wordt verteld.1 Het evangelie
spreekt over de ontmoeting van de Heer met die eerste drie leerlingen -Petrus,
Jakobus en Johannes- die later het fundament van de Kerk zouden vormen.2
Christus volgen betekent nu, net als toen, Hem
ons hart geven, het diepste en het meest innerlijke van ons wezen, ons leven
zelf. Het is goed te begrijpen dat we, om Christus te volgen, heilig en rein
moeten leven en ons hart moeten zuiveren. De heilige Paulus zegt ons dit in de
tweede lezing: Het lichaam is er niet
voor de ontucht maar voor de Heer [...]. Gij weet het: uw lichaam is een tempel
van de heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen. Gij zijt
niet van uzelf. Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw
lichaam.3 Niemand heeft ooit de waardigheid van het lichaam zó onderricht als de
Kerk. «Zuiverheid is de glorie van het menselijk lichaam voor God. Het is de
glorie van God in het menselijk lichaam.»4
Kuisheid is, zowel binnen als buiten het
huwelijk, overeenkomstig de eigen levensstaat en de specifieke roeping die men
heeft ontvangen, absoluut noodzakelijk om Christus na te volgen. Zij vereist,
naast Gods genade, persoonlijke strijd en inspanning. De wonden die de erfzonde
heeft achtergelaten in ons verstand, in onze wil, in onze hartstochten en
gevoelens zijn bij ons doopsel niet tegelijk met die erfzonde verdwenen.
Integendeel, deze wonden veroorzaken een beginsel van wanorde in onze natuur:
onze ziel heeft de neiging op talrijke manieren tegen God in opstand te komen
en ons lichaam protesteert tegen zijn onderwerping aan de ziel. Onze
persoonlijke zonden doen die slechte ondergrond, die door de erfzonde werd
achtergelaten, weer bovenkomen, en openen de wonden die deze in de ziel had
veroorzaakt.
De heilige zuiverheid, een onderdeel van de
kardinale deugd van matigheid, doet ons aanstonds en met vreugde matig zijn in
het gebruik van ons voortplantingsvermogen, volgens het licht van de door het
geloof gesteunde rede.5 Het tegenovergestelde is de onkuisheid, die de menselijke waardigheid
vernietigt, de wil tot het goede verzwakt en afstompt om God te leren kennen en
te beminnen, evenals het begrip voor menselijke idealen. Onkuisheid brengt vaak
een zware last van zelfzucht met zich mee en plaatst de mens in situaties die
niet ver van geweld en wreedheid afstaan. Als we hiertegen niets ondernemen,
zouden we elke zin voor het goddelijke en transcendentale verliezen. Een onrein
hart kan Christus niet waarnemen als deze voorbij komt en ons roept; het blijft
blind voor die zaken die werkelijk belangrijk zijn.
Het afzien van sommige dingen -een onkuise blik
of daad, verlangens en fantasiebeelden- is onontbeerlijk, maar kuisheid is
méér; de essentie van de kuisheid is de liefde: kuisheid is fijngevoeligheid en
genegenheid jegens God en eerbied voor de mensen, die men als kinderen van God
ziet. Onkuisheid vernietigt de liefde, ook de menselijke liefde, terwijl
kuisheid «de liefde jong houdt in elke levensstaat.»6
Zuiverheid is een onmisbaar vereiste, als we
lief willen hebben. Zuiverheid is noch de eerste noch de belangrijkste deugd,
en een christelijk leven is niet alleen maar kuisheid. Zonder kuisheid is er
echter geen liefde mogelijk, en liefde is de eerste deugd waarop al de andere
gefundeerd zijn en waardoor zij tot volmaaktheid komen.7
De eerste christenen, tot wie de heilige Paulus
zegt dat zij God in hun lichaam moeten eren, leefden in een klimaat van verval,
en velen van hen kwamen uit dit milieu. Hoerenlopers,
afgodendienaars, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, dieven,
gierigaards, dronkaards, lasteraars, oplichters [...], zij zullen het Koninkrijk
Gods niet erven. En sommigen van u zijn dat wel geweest...8 Sint Paulus leert
deze mensen dat zij nauwgezet deze deugd dienen te beleven, die weinig
gewaardeerd, ja zelfs veracht werd in de toenmalige cultuur. Elk van hen moet
een levend voorbeeld zijn van het geloof in Christus dat ze in hun hart dragen,
en van de geestelijke rijkdom waarvan zij de dragers zijn. Hetzelfde geldt ook
voor ons.
8.2 We moeten vast ervan overtuigd zijn, dat de heilige zuiverheid altijd
beleefd kan worden -ondanks wellicht zeer sterke tegendruk- indien we de
middelen gebruiken die God ons geeft om te overwinnen, en als we gevaarlijke
gelegenheden vermijden.
Om deze deugd te beleven is het bereiken van
een goede vorming absoluut noodzakelijk, door in de geestelijke leiding
fijngevoelig en met bovennatuurlijke zin over deze materie te praten, maar ook
duidelijk en ondubbelzinnig, zodat mogelijke onjuiste ideeën aangevuld of
gecorrigeerd kunnen worden. Soms ontstaan er problemen, die ten onrechte als
gewetensbezwaren worden aangemerkt, omdat we er nooit diepgaand over gesproken
hebben; ze worden opgelost als we de objectieve feiten helder en duidelijk
vertellen aan onze geestelijke leidsman of in de biecht.
Een christen die Christus echt wil navolgen
moet de zuiverheid van de ziel paren aan de zuiverheid van het lichaam. Hij
moet zijn gevoelens zo ordenen, dat God op elk moment het middelpunt van zijn
zieleven vormt. Zo moet de strijd om deze deugd te beleven en erin te groeien
zich uitstrekken tot de sfeer van de gevoelens, tot het bewaken van het hart en
tot al die zaken die haar indirect kunnen vergemakkelijken of bemoeilijken: de
versterving van de blik, van de gemakzucht, van de fantasie, van herinneringen...
Voor een doeltreffende strijd om deze deugd te
verwerven en te vervolmaken, moeten we vóór alles diep overtuigd zijn van de
waarde en de absolute noodzaak ervan en van de talloze vruchten die zij
voortbrengt in ons innerlijk leven en in het apostolaat. We moeten God vragen
om deze genade, want niet iedereen kan
dit begrijpen.9 Een andere fundamentele voorwaarde voor
succes in deze strijd is nederigheid: zich echt bewust van zijn eigen zwakheid
is diegene die vastberaden gevaarlijke gelegenheden mijdt; die oprecht en
berouwvol zijn concrete fouten erkent; die om de hulp die hij nodig heeft bidt;
die in dankbaarheid de waarde van zijn lichaam en van zijn ziel erkent.
Misschien moet men, afhankelijk van tijd of
omstandigheden, nu eens krachtiger strijden op het ene terrein, en dan weer op
een heel ander gebied: de zinnelijkheid die, zonder versterving, sterker zou
kunnen zijn doordat men vrijwillige, meer of minder ver verwijderde
aanleidingen niet heeft vermeden; een boek dat, ook als het niet duidelijk tegen de
zuiverheid ingaat, een klimaat van sensualiteit in onze ziel kan oproepen; te
weinig zorg voor het bewaken van onze blik...
Andere gebieden die met deze deugd van de
heilige zuiverheid in verband staan en die we zorgvuldig moeten bewaken, zijn:
de interne zintuigen -verbeelding, geheugen- die vaak aanleiding tot bekoring
vormen, ook als het om gedachten gaat die niet direct met het negende gebod
strijdig zijn. Het getuigt van weinig edelmoedigheid jegens God, als we ze niet
vermijden. Het bewaken van het hart, dat voor de liefde is geschapen en dat wij
een zuivere liefde dienen te schenken in overeenstemming met onze eigen
roeping, en waarin God altijd de eerste plaats moet innemen. We kunnen niet met
het hart in de hand rondlopen, alsof we goederen te koop aanbieden.10 In nauw verband
met het bewaken van ons hart staan ijdelheid, de neiging om aandacht te trekken
en het middelpunt van alles te willen zijn; het overdreven verlangen om altijd
van anderen een antwoord te krijgen dat ons welgevallig is; de minder geordende
voorliefdes en voorkeuren.
8.3 Om Christus met een zuiver hart na te volgen en apostelen te zijn in
de omstandigheden waarin we geplaatst zijn, moeten we een aantal natuurlijke en
bovennatuurlijke deugden in praktijk brengen, die steunen op de genade die
nooit zal ontbreken, indien we doen wat we doen moeten en als we nederig erom bidden.
Tot de natuurlijke deugden die ons helpen de
heilige zuiverheid te beleven behoort die van de arbeidzaamheid: constant,
intensief werken. Vaak komen problemen van zuiverheid voort uit ledigheid of
luiheid. We hebben ook moed en sterkte nodig als we bekoringen willen
ontvluchten, zonder daarbij in de naïeve gedachte te vervallen, dat 'het
allemaal geen kwaad kan', en zonder valse voorwendsels aan te wenden zoals
leeftijd of ervaring. We hebben volledige oprechtheid nodig, we moeten de
hele waarheid duidelijk vertellen en ons hoeden voor «de stomme duivel»11, die ons tracht
te misleiden door de zonde of bekoring in kwestie onbelangrijker te doen voorkomen
dan ze is, of door het belang ervan juist te overdrijven, om ons zo in de
bekoring te laten vallen van 'schaamte om erover te spreken'. Oprechtheid is
absoluut noodzakelijk om te overwinnen, want anders blijft de ziel verstoken
van een onmisbare hulp.
Geen middel zou voldoende zijn, als we niet de
omgang met de Heer zouden zoeken in het gebed en in de heilige eucharistie.
Daar vinden we altijd de hulp die we nodig hebben, de kracht die onze zwakheid
sterk maakt, de liefde die ons hart vervult dat altijd onbevredigd is over al
het wereldse, omdat het voor het eeuwige geschapen is. In het boetesacrament
zuiveren we ons geweten, ontvangen we de specifieke genaden van het sacrament
om te overwinnen in datgene -misschien maar een kleinigheid- waarin we
verslagen werden, en krijgen wij ook de kracht die een echte geestelijke
leiding ons schenkt.
Indien wij -net zoals de apostelen, de eerste
christenen en de heiligen van alle tijden- de liefde voor Christus willen
begrijpen, dan moeten we deze deugd van de heilige zuiverheid beleven; zo niet,
dan blijven we gebonden aan het aardse en begrijpen we er niets van.
We wenden ons tot Maria, Mater Pulchrae Dilectionis12, Moeder van de
Schone Liefde, omdat zij in de ziel van de christen de kinderlijke
fijngevoeligheid en tederheid schept, vanwaaruit deze deugd kan groeien. Zij zal
ons de krachtige deugd van de zuiverheid verlenen, als we vol liefde en
vertrouwen tot haar gaan.
-1. Eerste lezing van de mis, 1 Sam 3,3-10,19. -2. Joh 1,35-42. -3. 1 Kor
6,13-15.17-20. -4. Johannes
Paulus ii, Algemene audiëntie, 18 maart 1981. -5. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q151, a2, ad1. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 25. -7. Vgl. J.L.
Soria, Amar y vivir la
castidad, Palabra,
Madrid 1976, bl. 45. -8. 1 Kor 6,9-10. -9. Mt 19,11. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 146. -11. Ibidem, 236. -12. Sir 24,24.
|