Derde week. Dinsdag
17. zuiverheid van bedoeling
-Zuiverheid van bedoeling en tegenwoordigheid van God.
Handelen met onze gedachten bij God. -Waakzaamheid tegenover lofprijzingen.
Alle glorie voor God. -Onderzoek van de motieven van ons doen en laten.
Nalatigheden in het apostolaat ten gevolge van het gemis van een juiste
intentie.
17.1 Het leven van de eerste christenen en hun
getuigenis aan de wereld doen ons hun deugd en karakter kennen. De norm voor
hun gedrag was niet een gemakkelijke weg te nemen, of een meer comfortabele
positie te kiezen, of een meer populaire beslissing. Zij kozen eerder het
volledig vervullen van de wil van God. «Zij negeerden het gevaar van de dood
[...], zij vergaten met hoe weinigen ze waren, zij merkten nooit hoevelen tegen
hen waren, of de macht en de sterkte of wijsheid van hun vijanden. Hun macht
was groter dan dat allemaal: zij vertrouwden op de macht van Hem die op het
Kruis was gestorven en weer was verrezen.»1
Zij hadden hun blik gefixeerd op Christus, die zijn leven gaf
voor alle mensen. Zij zochten hun persoonlijke glorie niet, noch het applaus van hun medeburgers. Zij handelden
altijd met een correcte bedoeling, want zij hadden hun ogen gericht op de Heer.
Daarom kon Stefanus op het ogenblik van zijn martelaarschap zeggen: Heer, reken
hun deze zonden niet aan, zoals we in de Mis van vandaag lezen.2
Onze bedoeling is goed, als Christus het doel en de drijvende
kracht van al ons doen en laten is. «Zuiverheid van bedoeling is niets anders
als tegenwoordigheid van God: God onze Heer is aanwezig in al onze intenties.
Hoe vrij zal ons hart zijn van iedere aardse hindernis, hoe helder onze kijk en
hoe bovennatuurlijk onze manier van doen, als Jezus werkelijk in het diepste
van onze ziel regeert en de leiding heeft bij al onze plannen en bedoelingen.»3
In tegenstelling hiermee: iemand, die altijd de goedkeuring
en de bijval zoekt van anderen kan gemakkelijk zijn eigen geweten op een
dwaalspoor leiden. De maatstaf voor het doen en laten wordt dan 'wat de mensen
zullen zeggen', in plaats van de Wil van God. Bezorgdheid voor de mening van
anderen kan gemakkelijk angst voor de maatschappelijke omgeving worden. Het
wordt dan niet moeilijk om de apostolische werkzaamheid van christenen teniet
te doen «die de dringende taak op aarde vervullen»4 van de evangelisatie van de wereld.
Soms, om niet de schijn te wekken uit de pas te raken, begint
men al te vlug niet consequent te zijn met zijn principes. Men bezwijkt voor de
bekoring om naar die kant over te hellen, waarvan goedkeurende blikken en
handdrukken zijn te verwachten, of minstens in de richting van middelmatigheid.
Dat gebeurde met de farizeeën. «Het waren ijdelheid en lafheid die hen van God
afbrachten. Die brachten hen ertoe een ander gebied te zoeken voor hun
krachtsinspanningen, en dat is wat hen verloren deed gaan: want als je eenmaal
probeert je toeschouwers te behagen, voer je de strijd die zij juist graag
willen zien.»5 Daartegenover
staat dat zij, die Christus echt zoeken, hebben te aanvaarden dat hun gedrag
niet populair zal zijn en vaak bekritiseerd, in het bijzonder wanneer zij in
een omgeving leven die niet erg christelijk is.
Het eerste wat wij moeten doen is Christus behagen. Als ik
nog de gunst van mensen zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.6 En ook de heilige
Paulus antwoordt aan enkele inwoners van Korinte, die zijn apostolaat
bekritiseerden: Mij is echter niets gelegen aan uw oordeel of van enige
menselijke instantie. Ik oordeel niet eens over mijzelf... De Heer is het die
over mij oordeelt.7
Menselijke oordelen zijn vaak verkeerd. Alleen God kan ons
doen en laten en onze bedoelingen beoordelen. «Onder de verrassingen die ons op
de oordeelsdag wachten, zal de stilte waarmee onze Heer die activiteiten van
ons, die de bijval van mensen verdienden, zal begroeten, niet de geringste
zijn... Aan de andere kant kan het gebeuren, dat Hij bepaalde activiteiten
positief zal beoordelen die kritiek en censuur uitlokten. Onze rechter is de
Heer. Hij is het, die wij behoren te behagen.»8 Wij moeten ons elke dag vele malen
afvragen: Ben ik bezig met de mij opgedragen taak? Zoek ik de eer van God, of
probeer ik mezelf mooi voor te stellen, om zeker te zijn dat de mensen mij
aardig vinden? Als we bij die gelegenheden oprecht zijn, zullen we het inzicht
krijgen om zo nodig onze bedoeling te herzien en die op God te richten.
17.2 Een slechte bedoeling verknoeit de beste
activiteit: de daad kan goed uitgevoerd zijn, kan zelfs nuttig zijn, maar, daar
die bij de bron vervalst is, verliest hij al zijn waarde in de ogen van God.
IJdelheid of zelfzucht kunnen soms totaal vernietigen, wat een verdienstelijke
daad had kunnen zijn. Zonder een goede intentie gaan we de verkeerde kant op.
Bij bepaalde gelegenheden kan het krijgen van lof een teken
zijn van vriendschap en ons op de goede weg helpen. Maar we moeten deze
lofprijzing in alle eenvoud op God richten. Bovendien, een woord van lof te
ontvangen als teken goed begrepen te zijn, is heel iets anders als die lof te
zoeken. En we moeten altijd voorzichtig zijn en opletten wanneer we worden
geprezen of aanbevolen, daar «onze arme ziel
vaak van het rechte pad afdwaalt zo gauw ze wordt toegejuicht en meer
behagen schept in gelukkig genoemd te worden dan in het werkelijk te zijn. En
dat wat een reden had moeten zijn om God te prijzen, wordt in plaats daarvan
een oorzaak van onze verwijdering van Hem.»9
In het evangelie wijst onze Heer op het resultaat van goede
daden, gedaan zonder een juiste bedoeling: Zij hebben hun beloning ontvangen,
zegt Hij, terwijl Hij naar de farizeeën verwees, die geprezen wilden worden en
zich goed bevonden. Zij kregen wat zij wilden: een blik van goedkeuring, een
gebaar van bewondering, enkele woorden van lof. En kort daarna zou er niets
meer over zijn dan lege lucht, en helemaal niets voor het eeuwige leven. Wat
een verschrikkelijke mislukking, om voor zo weinig zoveel te verliezen. God
aanvaardt ons doen en laten, zelfs het geringe, als we dat aan Hem opdragen met
een zuivere bedoeling: doet alles ter ere Gods10, raadt de heilige Paulus ons aan.
De twee kleine muntstukjes, die de arme weduwe in het offerblok van de tempel
wierp11,
werden een grote schat in de hemel.
Onze Heer beziet ons leven en houdt zijn hand elke dag
uitgestrekt naar wat wij Hem kunnen opdragen: Hij aanvaardt alles, wat wij
werkelijk voor Hem doen. We krijgen ons eigen bedroevende loon voor al het
andere hier beneden. «Zuiverheid van mening. -De bekoringen van hoogmoed en de
begeerten van het vlees onderken je gemakkelijk genoeg... en je vecht, en met
behulp van de genade overwin je. -Maar de motieven die je tot handelen
aanzetten, zelfs in de meest heilige dingen, lijken je niet duidelijk te zijn...
Je neemt in je binnenste een stem waar, die jou je menselijke beweegredenen
laat zien... op zo'n subtiele manier, dat in je ziel de verontrustende gedachte
opkomt, dat je niet handelt zoals je zou moeten -uit zuivere Liefde, enkel en
alleen om God alle eer te geven. -Reageer telkens onmiddellijk en zeg: 'Heer,
ik wil niets voor mijzelf. Alles tot uw glorie en uit Liefde'.»12
Hier hebben we een prachtig schietgebedje om telkens te
herhalen: 'Heer, ik wil niets voor mijzelf. Alles tot uw glorie en uit Liefde'.
Het zal ons helpen om onthecht te leven en om onze bedoeling te zuiveren.
17.3 Om mensen te zijn die met de juiste
bedoeling handelen, moeten we de motieven voor ons handelen onderzoeken. We
moeten in aanwezigheid van God overwegen wat ons ertoe brengt ons op deze of
die manier te gedragen. Waarom, bijvoorbeeld, laten wij na apostolaat te doen?
Is het omdat wij bang zijn voor wat de mensen zullen zeggen? Of waarom voegen
wij ons zo gemakkelijk naar een niet-christelijke omgeving? In het licht van
het geloof zullen wij de elementen van lafheid of ijdelheid die ons gedrag
kenmerken, kunnen ontdekken.
Onze Heer geeft ons een duidelijke maatstaf: Wanneer gij
dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit.13 Wij behoren onze
goede daden niet uit te bazuinen. We moeten niet blijven stilstaan bij de
dingen die wij goed gedaan hebben. Laat uw linkerhand niet weten wat uw
rechter doet. We moeten niet stilstaan om onze goede daden te analyseren
terwijl wij ermee bezig zijn... of achteraf. We behoren ook niet na te laten wat
we verondersteld worden te doen.
Wij hebben een eerste-klas getuige van ons handelen. Niets
van wat wij doen, gebeurt onopgemerkt door God onze Vader. Niets is Hem
onverschillig. Dat zou voor ons al voldoende beloning moeten zijn, een
belangrijke reden om onze intenties betreffende ons werk en ons apostolaat te
verbeteren.
«Een ongeduldige en ongeordende obsessie om in je beroepsleven
hogerop te komen, kan er de oorzaak van zijn, dat je onder het mom 'de zielen
te dienen' je eigenliefde aan het dienen bent. Met bedrog -daar slik ik geen
letter van in- zoeken wij ons te rechtvaardigen: we mogen zogenaamd bepaalde
gunstige ontwikkelingen niet missen, een buitenkans niet laten schieten...
»Richt je ogen op Jezus: Hij is 'de Weg'. Ook tijdens zijn
verborgen leven deden zich 'zeer gunstige' ontwikkelingen en buitenkansjes voor
om op zijn openbaar leven vooruit te lopen; bijvoorbeeld, toen Hij twaalf jaar
was en de schriftgeleerden zich verbaasden over zijn antwoorden... Maar Jezus
doet de wil van zijn Vader en wacht: Hij gehoorzaamt!
»Je moet je heilige ambitie, om de hele wereld tot God te
brengen, niet laten varen, maar als je zulke ideeën krijgt -die misschien wel
een verlangen zijn om te deserteren- denk er dan aan, dat ook jij hoort te
gehoorzamen en je bezig hebt te houden met je onopvallende taak zonder
uiterlijk vertoon, zolang de Heer niets anders van je vraagt: Hij heeft zijn
eigen tijd en zijn eigen paden.»14
Onze Heer vraagt ons waakzaam te zijn, want als we
onoplettend zijn, zullen wij in de gewoonte vervallen om hier beneden uit te
kijken naar beloningen, en zullen wij uit lafheid, menselijk opzicht, of angst
voor wat andere mensen van ons zullen denken, vermijden het goede te doen. We
moeten niet zijn, zoals het schip «dat vele reizen heeft gemaakt, vele stormen
heeft doorstaan, om dan op een rots aan de grond te lopen met al zijn schatten
overboord, verloren in het zicht van de haven. Dat is het geval van iemand die,
na een aanzienlijke hoeveelheid werk, de bekoring om lof na te jagen niet
verwerpt, en schipbreuk leidt in de haven zelf.»15
Wij zijn vrijer, wanneer we de dingen uitsluitend doen voor
God. Zo zijn we niet afhankelijk van wat de mensen zullen zeggen, of van
menselijke dankbaarheid, die altijd onbetrouwbaar is. Zuiverheid van bedoeling
helpt ons een meer vruchtbaar apostolaat te verrichten in welke omgeving en
onder welke omstandigheden dan ook. Het wijst ons de weg van de innerlijke
vrijheid.
-1. H. Johannes
Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 4. -2. Hnd 7,59. -3.
S. Canals, Ascética meditada. -4.
Vaticanum ii, Past. const. Gaudium
et spes, 93. -5. H. Johannes
Chrysostomus, o.c., 72. -6. Gal 1,10. -7. 1 Kor 4,3-4.
-8. G. Chevrot, Dans le
secret. -9. H. Gregorius de Grote, Moralia,
10,47-48. -10. 1 Kor 10,31. -11. Vgl. Mc 12,42. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
788. -13. Mt 6,2-4. -14. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 701. -15. H. Johannes Chrysostomus, Homilie over de evangelische
volmaaktheid.
|