Tiende week door het jaar. Vrijdag
26. Zuiverheid van hart
-Het negende gebod en de zuiverheid van het hart. -Het hart
bewaken, en trouw zijn in overeenstemming met de eigen roeping en levensstaat.
-Onze ogen en gevoelens onder controle houden.
26.1 Bij veel gelegenheden wees
de Heer erop, dat de bron van het menselijk handelen in het hart ligt, in het
innerlijk van de mens, in het diepst van zijn geest. Dit innerlijk leven moet
zuiver en rein gehouden worden, niet besmet door ongecontroleerde gevoelens,
jaloezie of wrok. Al het goede dat iemand doet, heeft zijn oorsprong in het
hart. Daar kan, met Gods genade, oprechte vroomheid in de omgang met God
groeien, evenals zuivere liefde, begrip en hartelijkheid met betrekking tot
onze naasten. Zuiverheid van hart bevordert onze capaciteit tot liefhebben,
terwijl verburgerlijking, zelfzucht en geestelijke blindheid het resultaat zijn
van een bezoedeld innerlijk leven. Want uit het hart komen
boze gedachten voort, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en
godslastering.1 En we worden gewaarschuwd
in het boek van de Spreuken: Bewaar uw hart, meer dan alles
wat gij moet behoeden, want daar ontspringt de bron van het leven.2 Het hart is het symbool van het meest innerlijke van
de menselijke persoon.
In het evangelie van vandaag lezen wij: Gij
hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen. Maar Ik zeg u:
Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk
met haar gepleegd.3 Hier legt Jezus uit
wat het wezenlijke is van het negende gebod, waarin innerlijke daden (gedachten,
verlangens en verbeelding) verboden worden die tegen de deugd van de kuisheid
ingaan. Elke ongeordende genegenheid, hoe zuiver en belangeloos die ook mag
lijken, gaat tegen dit gebod in, als ze niet overeenstemt met de wil van God in
onze concrete persoonlijke omstandigheden.
Om dit gebod op een fijngevoelige manier na te leven -en dat
is nodig, als we willen leren liefhebben- is in de eerste plaats een hechte
vriendschap met God noodzakelijk, zodat zijn liefde ons hart kan vervullen.
Daarnaast moeten we alles vermijden wat innerlijke bekoringen tegen de heilige
zuiverheid kan oproepen. Dit kan gebeuren als wij niet voorzichtig genoeg zijn
in het bewaken van onze zintuigen, als we onze verbeelding de vrije loop laten
en dromen en fantasiebeelden laten opkomen die ons afleiden van de
werkelijkheid en van onze plichten; deze kunnen ook opkomen als we compensaties
zoeken voor een gevoelige aard, of door ijdelheid, of als we blijven verwijlen
bij nutteloze herinneringen aan het verleden. Als we deze innerlijke bekoringen
niet aanstonds tot zwijgen brengen, zodra we hun aanwezigheid bespeuren, als we
de beschikbare middelen niet gebruiken om ons ervan te bevrijden (op de eerste
plaats, het nederige en vertrouwvolle gebed), scheppen we een verwarde innerlijke
gesteldheid en beantwoorden we niet aan Gods genade. Men went eraan om niet
edelmoedig ten opzichte van God te zijn.
Als we spelen met bekoringen en steeds balanceren op de grens
van instemmen en afwijzen, dan kan dit gebrek aan innerlijke versterving tot
echte inwendige zonden tegen de deugd van kuisheid leiden. Met zo'n houding is
het moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om echte geestelijke vooruitgang te
boeken. Aan de andere kant, als iemand vastbesloten is om, met de hulp van Gods
genade, een zuiver leven te leiden, en als hij een begane misstap meteen
herstelt, dan zal de heilige Geest, de zoete gast van de ziel, steeds meer
genade geven. Dan krijgt de vreugde, een van de vruchten van de heilige Geest,
diepere wortels in de ziel van degene die de heilige Geest boven alles stelt,
en dwaze compensaties verwerpt die een droevig en bitter litteken op de ziel
achterlaten.
26.2 In het negende gebod vraagt
de Heer niet alleen van ons dat we onkuise gedachten en verlangens vermijden,
maar ook dat we ons hart behoeden en beschermen tegen datgene wat ware liefde
onmogelijk maakt. Onze ziel zuiver houden houdt in, dat we de controle over
onze eigen intimiteit en gevoelens behouden, dat we ervoor waken te kwistig
tederheid te betonen, waar en wanneer we dat niet moeten doen; het betekent,
volledig en op elk moment de consequenties van onze roeping en levensstaat
aanvaarden.4
Zij die tot het huwelijk geroepen zijn, moeten hun hart bewaken
en het alleen geven aan hun eigen echtgenoot, evenzeer aan het begin van hun
huwelijksleven als aan het einde. Om hiertoe in staat te zijn moeten ze steeds
hun hart controleren, en geen concessies doen als de trouw op het spel staat.
Gehuwden «mogen niet vergeten, dat het geheim van het huwelijksgeluk gelegen is
in alledaagse dingen, niet in dagdromen(...) Ik laat geen gelegenheid voorbij
gaan, om aan de mensen die God geroepen heeft om een gezin te stichten, te
zeggen dat ze moeten proberen elkaar altijd met dezelfde blijde liefde tegemoet
te treden, als toen ze verloofd waren. Wat een armzalige opvatting van het
huwelijk -dat een sacrament, een ideaal en een roeping is- hebben mensen die
denken, dat de liefde verdwenen is als de zorgen en de moeilijkheden beginnen,
die het leven nu eenmaal altijd met zich meebrengt.»5
Degenen van wie God heel het hart gevraagd heeft, zonder het
met iemand anders te delen, hebben nog verhevener redenen om hun ziel zuiver en
vrij van bindingen te houden. Hoe afschuwelijk misleidend is het, als men zijn
hart verstrikt laat raken in kleine bindingen die -zoals de doornen het zaad
dat door de zaaier was uitgezaaid, verstikten- de oneindige liefde van God,
waartoe wij van alle eeuwigheid af geroepen zijn, zouden verstikken. «Denkt ge», vraagt de heilige Hiëronymus, «dat ge de top van de deugdzaamheid bereikt hebt,
omdat ge een klein deel van het geheel geofferd hebt? God wil uzelf, als een
levende en Hem welgevallige offergave.»6 De Heer
geeft altijd zijn genade om het hart intact te houden, het voor Hem te bewaren,
en, door Hem, voor alle zielen; om het hart vrij van de draden en ketenen te
houden, en zo de hoogten te kunnen bereiken waartoe het geroepen is. Er is moed
nodig om een verkeerde binding af te kappen, of een onjuist gerichte
genegenheid te herstellen.
Om ons hart te bewaken dienen we in de eerste plaats onze
liefde te verzorgen, want als het ons ontbreekt aan menselijke liefde en we
lauw zijn in onze liefde tot God, dan kunnen gemakkelijk ongeordende verlangens
in onze ziel binnendringen. Het hart is immers gemaakt om te beminnen, en het
zal niet tevreden zijn met wat verdroogd en weerzinwekkend is.
Laten we in ons gebed nagaan, welke zorg we besteden aan die
momenten van ons leefplan die in het bijzonder aan de Heer gewijd zijn: de
heilige communie, het bezoeken van het heilig sacrament, de tijd van gebed, de
tegenwoordigheid van God, overdag en vóór het naar bed gaan. Laten we bezien,
of we een echt persoonlijke relatie met Jezus hebben, zoals die tussen vrienden
bestaat. Laten we vastberaden routine en middelmatigheid in deze vriendschap
vermijden. Laten we onze gevoelens in overeenstemming brengen met de wil van
God, door aanstonds elke gedachte af te wijzen die onze verhouding met God zou
kunnen verstoren.
26.3 Het bewaken van ons hart
begint vaak met het bewaken van onze ogen. Het gezond verstand en de zin voor
het bovennatuurlijke zijn als filters, die voor onze ogen worden gezet om ons
in staat te stellen, onze blik niet op iets te richten waar we niet naar mogen
kijken. We zouden dit moeten doen op een heel natuurlijke en eenvoudige wijze,
zonder iets raars of vreemds, maar we moeten dit wel krachtig doen, op straat
net zo goed als op het werk en in onze sociale contacten.
Wanneer wij anderen willen leren kennen en beminnen, zullen
we met hen moeten omgaan. Maar om ons hart ervoor te behoeden dat het gehecht
raakt aan mensen, met wie dit gemakkelijk kan gebeuren, maar met wie God niet
wil dat dit gebeurt, zal het soms nodig en verstandig zijn een gepaste afstand
te bewaren: een morele, affectieve en geestelijke afstand. Dit betekent, dat we
ons moeten hoeden voor onverantwoordelijke gesprekken, dat we niet met hen
onnodig over onze zorgen en verdriet moeten spreken. Soms vereist de
voorzichtigheid zelfs het bewaren van lichamelijke afstand. Als we een rechtschapen
geweten hebben, dan zal een aandachtig en oprecht onderzoek ons in staat
stellen een minder zuivere bedoeling te ontdekken in een bepaalde relatie of in
sommige ontboezemingen: het verschil tussen datgene dat we lijken te zoeken en
dat wat we werkelijk zoeken.
Om te voorkomen dat onze gevoelens van genegenheid al te zeer
overlopen, hoeven we ze niet te onderdrukken -hetgeen trouwens onmogelijk is, ja
zelfs onmenselijk-, maar moeten we ze wel leiden en onder controle houden in
overeenstemming met Gods wil. Ons hart moet sterker gemaakt worden door een
zuivere liefde, die het zal beschermen tegen gevoelens die God niet welgevallig
zijn.
Het hart bewaken is verbonden met de beheersing van ons geheugen,
met het vermijden van fantasiebeelden en inwendige gesprekken die een verkeerde
gehechtheid zouden kunnen doen ontstaan, ons hart op een zijspoor zouden kunnen
zetten. Het vluchten in een overactieve verbeelding en het openen van de deur
voor dwaze dromen, verhinderen ons om open te staan voor de alledaagse
werkelijkheid. Als we aan dit soort bekoringen zo nu en dan toegeven -en dat
kan gemakkelijker gebeuren op momenten dat we moe of innerlijk dor zijn, als
een manier om compensatie te zoeken voor de kleine fouten en mislukkingen in
het normale leven- dan ontstaat er een gebrek aan eenheid van leven. Parallel
bestaan er dan een innerlijke wereld waar onze ijdelheid altijd aan top staat,
en een andere, harde, realistische wereld, waar we juist onze persoonlijke
heiliging moeten bereiken, door het goede te doen dat God van ieder van ons,
man of vrouw, verwacht.
Zij die ongelukkig zijn met hun situatie, en die geneigd zijn
te vluchten in die onwerkelijke en denkbeeldige innerlijke wereld, zullen het
erg moeilijk vinden edelmoedig en realistisch onder ogen te zien, wat ze op elk
gegeven moment moeten doen als ze in deugdzaamheid willen groeien. Hoe kan men
in een droomwereld leven en tegelijkertijd nog zijn plicht doen? Hoe kunnen we
strijden tegen een bepaalde tekortkoming, als we in plaats van die nederig en
hoopvol onder ogen te zien, ons terugtrekken in onze verbeelding en ze daar
overwinnen? Hoe kunnen we vreugdevol staan tegenover opoffering, als we gewend
zijn ons te verbergen in een fantasiewereld van geluk, dat op zinsbegoocheling
berust? Ons hart kan zelfs gehecht -gebonden-zijn aan personen uit een film of
een roman, of zelfs uit het echte leven, mensen met wie we geen echt contact
hebben. Een hart dat zo gebonden is, en misschien wel bezoedeld, kan de weg
naar God niet vinden.
Vandaag kunnen we onszelf onderzoeken en zien, waarmee ons
hart overdag bezig is: aan wie denken we? Wie neemt de belangrijkste plaats in
onze gedachten in? Laten we Maria vragen, dat Jezus het echte middelpunt in ons
leven mag zijn; en verder, die zuivere en edele liefde, bereid tot opoffering,
waarvan Hij wenst dat ieder van ons, man en vrouw, deze beleeft, overeenkomstig
onze eigen roeping.
«Mag ik je een raad geven die je dagelijks in praktijk kunt
brengen? Als je de lagere neigingen van je hart voelt, bid dan langzaam tot de
Onbevlekte Maagd: Zie medelijdend op mij neer, Moeder, laat me niet in de
steek! - En geef die raad ook aan anderen!»7
-1. Mt 15,19. -2. Spr 4,23. -3. Mt 5,27-32 -4.
Vgl. J.L. Soria, De
kuisheid beminnen en beleven, De Boog, 1978. -5. Gesprekken
met Mgr. Escrivá, 91. -6. H. Hiëronymus,
Brief 118, 5. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 849.
|