2 februari. Feest (2)
16. ZUIVERING VAN ONZE LIEVE VROUW
-Het vierde blijde geheim van de Rozenkrans.
-Maria toont ons Jezus, 'het licht der volkeren', ons licht. Noodzaak tot
zuivering van ons leven. -Al het onze aanbieden door middel van Onze Lieve
Vrouw.
16.1 De Wet van Mozes schreef niet slechts de opdracht van de eerstgeborene
voor, maar ook de zuivering van de moeder. Deze wet was niet van toepassing op
Maria, die immers volledig was en haar Zoon op wonderbare wijze had ontvangen. Maar Maria zocht tijdens haar leven
nooit naar redenen om zich aan de gangbare normen van haar tijd te
onttrekken. «Denkt ge -vraagt sint Bernardus- dat
zij zich niet zou kunnen beklagen en zeggen: Waarvoor zou ik zuivering
nodig hebben? Waarom belet men mij de tempel
binnen te treden, als mijn schoot, daar ik geen man beken, tot tempel
van de Heilige Geest geworden is? Waarom
zou ik de tempel niet binnengaan, als ik de Heer van de tempel ter wereld heb gebracht? Er is niets onreins, niets
ongeoorloofds, niets dat onderworpen moet worden aan zuivering in deze
ontvangenis en deze geboorte; deze Zoon is de bron van reinheid, want Hij komt
de zonden uitzuiveren. Wat zal de ritus in mij kunnen zuiveren, als Hij mij
geheel rein heeft gemaakt juist in de onbevlekte bevalling?»1
Toch gedroeg de Moeder van God zich, zoals zo
vaak, precies zoals iedere andere joodse vrouw van haar tijd. Zij wilde een
voorbeeld van gehoorzaamheid en nederigheid zijn: een nederigheid die haar
ertoe brengt, dat zij zich niet wil onderscheiden door de genaden waarmee God
haar had omgeven. Met haar voorrechten en waardigheid als Moeder van God
verscheen zij die dag, vergezeld door Jozef, als elke andere vrouw. Zij
bewaarde in haar hart de schatten van God. Zij zou van haar voorrechten gebruik
hebben kunnen maken, zich vrijgesteld hebben kunnen beschouwd van de gangbare
wet, zich getoond hebben als een onderscheiden persoon, bevoorrecht,
uitverkoren voor een uitzonderlijke zending, maar zij heeft ons getoond, dat
wij onopvallend moeten verkeren tussen onze metgezellen,
ook al brandt ons hart van liefde tot God; we moeten geen uitzonderingen
willen zijn vanwege het feit dat wij christen zijn: wij zijn gewone burgers,
met dezelfde rechten en plichten als de anderen.
Wij overwegen Maria op de feestdag van vandaag
aan de hand van het vierde van de vreugdevolle geheimen van de heilige Rozenkrans. Wij zien dan Maria, de
allerreinste, zich onderwerpen aan een wet waarvan zij was vrijgesteld...
Wij bekijken onszelf en zien dan zoveel vlekken, ondankbaarheid, nalatigheden
in onze liefde tot God, zo talrijk als het
zand aan de zee. «Jij en ik, wij hebben zuivering nodig! -Genoegdoening
moeten we geven, en meer dan alleen maar genoegdoening: Liefde. -Een liefde die
als een gloeiend ijzer het vuil uit onze ziel wegbrandt;
die als en vuur met goddelijke vlammen ons koude hart doet ontgloeien»2 en die het geschikt maakt om het aan God door middel
van Maria te kunnen aanbieden.
16.2 Plotseling zal de Heer in zijn heiligdom binnentreden, de Heer die gij
zoekt [...] Hij is als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers. Hij
zal zich neerzetten, Hij die het zilver smelt en reinigt: de levieten reinigt
en loutert Hij, als goud en zilver. Dan zullen zij Jahwe weer hun offergaven
brengen zoals dat betaamt3, zo lezen wij in de eerste lezing van de heilige mis.
«De liturgie van
vandaag biedt en actualiseert wederom een 'mysterie' van het leven van
Christus: in de tempel, het godsdienstige middelpunt van
het joodse volk, waar onophoudelijk dieren
werden geofferd om aan God aangeboden te worden, treedt voor de eerste
maal, nederig en bescheiden, Degene binnen
die, volgens de profeet Maleachi, zou gaan zitten om te smelten en te reinigen [...]. Daar treedt
de tempel binnen Degene die in
alles aan
zijn broeders gelijk moest worden, om als een barmhartige en getrouwe hogepriester
hun belangen bij God te behartigen en de
zonde van het volk uit te boeten»4, zoals
in de tweede lezing5 wordt verteld. Jezus komt ons reinigen van onze zonden
door middel van vergeving en barmhartigheid.
Bovengenoemde profetie heeft in de eerste
plaats betrekking op de priesters van het
huis van Levi, en in hen zijn wij,
alle christenen voorafgebeeld, die door het doopsel delen in het
koninklijk priesterschap van Christus. Als wij ons laten zuiveren en reinigen,
zullen we de offergave van ons werk en ons eigen leven kunnen aanbieden, zoals dat betaamt, zoals
Maleachi had aangekondigd.
Vandaag vieren wij
het feest van de Heer die in de tempel wordt opgedragen en die, ook al is Hij
nog maar een Kind, reeds het licht
is dat voor de heidenen straalt.6
Maar «het is ook hààr feest: van Maria. Zij draagt het Kind in haar armen. Ook
in haar handen is Hij licht voor onze zielen, het licht dat de duisternis
verlicht van de kennis en het menselijk bestaan, van het verstand en van het
hart. «De gezindheid van vele harten zal openbaar worden,
wanneer haar moederhanden dit grote goddelijke licht dragen, wanneer zij dit
bij de mens brengt.»7
Op deze feestdag moedigt Onze Lieve Vrouw ons
aan ons hart te zuiveren, opdat de offergave
van heel ons wezen God welgevallig is, opdat wij Christus, ons Licht, kunnen ontdekken in
alle omstandigheden. Zij heeft zich willen onderwerpen aan de gebruikelijke
ritus van de wettelijke zuivering, zonder dat zij dit ook maar enigszins hoefde
te doen, opdat wij de -o zo noodzakelijke!- reinheid van de ziel zouden
bereiken.
Vanaf het begin van de Kerk hebben de heilige
vaders overduidelijk haar onbevlekte zuiverheid geleerd, met namen vol
schoonheid, bewondering en liefde. Zij zeggen van haar, dat zij een lelie
zonder doornen is, maagd, onbevlekt, altijd gezegend, vrij van elke besmetting
van zonde, onverwelkbare boom, altijd reine bron, heilig en vrij van elke
zondesmet, schoner dan de schoonheid, heiliger dan de heiligheid, de enige
heilige die, behalve God alleen, boven allen verheven was; van nature schoner,
mooier en heiliger dan zelfs de cherubijnen, meer dan alle engelenscharen...8 Haar onbevlekt leven is voor ons een oproep om uit
ons hart alles weg te bannen dat, hoe gering ook, ons van de Heer verwijdert.
Wij aanschouwen haar nu, tijdens dit moment van
gebed, als allerreinste, vrij van elke smet, en wij bezien tegelijkertijd ons
eigen leven, de zwakheden, de nalatigheid, de dwalingen, alles wat een kwalijk
bezinksel in het diepst van de ziel heeft achtergelaten, nog niet genezen
wonden... «U en ik hebben wel zuivering nodig!»
«Bid de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en
uw Moeder, dat zij ervoor zorgen dat u uzelf leert kennen en dat u zult wenen
om die hoop vuil die door u is heengegaan en -helaas- zoveel bezinksel heeft
achtergelaten... -En zeg Hem tegelijkertijd, zonder deze overweging uit het oog
te verliezen: 'geef mij, Jezus, een Liefde als een zuiverende vuurhaard waar
mijn armzalig vlees, mijn armzalig hart, mijn armzalige ziel, mijn armzalig
lichaam verteerd worden en gezuiverd worden van alle aardse ellende... En, geheel
mijn ik ontledigd, vul het dan met U: dat ik mij aan niets van hier beneden
moge hechten; dat de Liefde mij altijd ondersteune.»9
16.3 Ieder mens is, zoals de heilige Schrift leert, als een aarden pot, die een schat van grote waarde bevat.10
Vaatwerk van dit broze materiaal kan gemakkelijk breken, maar kan ook zonder al
te veel werk weer in elkaar gezet worden. De goddelijke barmhartigheid kan alle
breuken herstellen. De Heer vraagt slechts, dat we nederig zijn, dat we zo
nodig het sacrament van de biecht ontvangen
en dat we opnieuw beginnen met het verlangen om de sporen die ons zondig
gedrag heeft achtergelaten, uit te wissen.
Zwakheden -klein of groot- zijn een goed motief om in de ziel verlangens
tot herstel en genoegdoening aan te wakkeren. Zoals we vergeving vragen voor
een belediging die we een geliefde medemens hebben aangedaan en we hem of haar
op enigerlei wijze onze spijt proberen te tonen, zo moeten onze verlangens tot
herstel des te groter zijn, wanneer wij de Heer hebben beledigd. Hij wacht dan
op ons met nog groter betoon van liefde en barmhartigheid. «Kinderen hebben,
wanneer ze toevallig ziek zijn, een reden te meer om door hun moeder bemind te
worden. Ook wij hebben, als we ziek zijn door slechtheid, of omdat we van de
weg zijn afgeweken, reden te meer om door de Heer bemind te worden.»11
Steeds, maar vooral als we ons niet hebben
gedragen zoals God van ons verwachtte, zullen we vrede vinden in de gedachte
aan de overvloedige middelen die Hij ons heeft nagelaten om het voorbije leven
te zuiveren en zo nodig opnieuw in elkaar te zetten: in de eucharistie is Hij
bij ons gebleven als kracht voor de christen; het sacrament van de biecht heeft
Hij ons gegeven om de genade te herwinnen, als we deze verloren mochten hebben,
en om de weerstand tegen het kwaad en de kracht om het goede te vermeerderen;
Hij heeft ons een engelbewaarder gegeven, die over ons waakt op al onze wegen;
we kunnen rekenen op de steun van onze broeders in het geloof door middel van
de gemeenschap der heiligen; we hebben het voorbeeld en de broederlijke vermaning
van die goede christenen om ons heen... En heel bijzonder mogen we rekenen op de
hulp van de heilige Maria, de Moeder van God en onze Moeder, tot wie wij altijd
onze toevlucht moeten nemen, maar met des te grotere noodzaak, wanneer wij ons
vermoeid en zwak voelen of wanneer de bekoringen zich opstapelen; en vooral
wanneer wij ten val komen, als God dit voor onze nederigheid toestaat.
De heilige Alfonsus Maria van Liguori stelde,
bij het feest van vandaag, de macht van Maria's voorspraak ten toon aan de hand
van een oude legende. «Men vertelt -legt sint Alfonsus uit- dat Alexander de
Grote een brief ontving met een lange lijst beschuldigingen tegen zijn moeder.
Na de brief gelezen te hebben, antwoordde de keizer:
Is er dan misschien iemand die nog niet weet, dat één traan van mijn moeder
voldoende is om duizend brieven met aanklachten schoon te wassen?» En
de heilige legt Jezus de volgende woorden in de mond: «Weet de duivel dan niet, dat één eenvoudig gebed van mijn
Moeder ten gunste van een zondaar voldoende
is opdat ik de aanklachten vergeet die zijn fouten tegen hem hebben opgeworpen?» En hij besluit: «God had Simeon
beloofd, dat hij niet zou sterven,
voordat hij de Messias had gezien [...]. Maar deze genade verkreeg hij
uitsluitend door Maria, want alleen in haar armen vond hij de Redder. Daarom
zal degene die Jezus wil vinden, Hem door Maria moeten zoeken. Laten wij onze
toevlucht nemen tot deze goddelijke Moeder,
en laten we dat doen met groot vertrouwen, als wij Jezus willen vinden.»12 Tot haar bidden wij vandaag, dat zij onze
ziel mag reinigen en zuiveren, en wij leggen ons in haar handen om ons aan haar
Jezus en ons met Hem aan te bieden: Heilige Vader, door het onbevlekt hart van Maria bied ik U Jezus, uw
welbeminde Zoon aan, en ik zelf bied mij aan in Hem en door Hem aan al zijn
intenties en in naam van alle schepselen.13
-1. H. Bernardus, Preek bij de zuivering van de H. Maria, III, 2. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Heilige
Rozenkrans, Rialp, 24e ed.,
Madrid 1979, Vierde vreugdevolle geheim. -3. Mal 3,1-4. -4. Johannes Paulus ii, Homilie 2-II-1981. -5. Heb 2,14-18. -6. Lc 2,32. -7. Johannes Paulus ii, Homilie 2-II-1979. -8.
Vgl. Pius xii, Enc. Fulgens corona, 8-IX-1953.
-9. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse,
41. -10. Vgl. 2 Kor 4,7. -11. Johannes Paulus ii, Angelus 10-IX-1978. -12. H. Alfonsus Maria de
Liguori, De heerlijkheden van Maria, II, 6. -13. P.M. Sulamitis,
Oración de la Ofrenda al Amor Misericordioso, Madrid 1931.